Onthullende kabinetsnotulen

De methode-Sharon sinds 1953

In 1953 vermoordde een Israëlische eenheid onder leiding van Ariel Sharon 69 inwoners van het dorpje Qibya, als vergelding voor de moord op drie Israëliërs. Israël wilde de schuld van het bloedbad wegmoffelen, zo blijkt uit in 1997 vrijgegeven kabinetsnotulen van die dagen.

In de nacht van 12 op 13 oktober 1953 wierpen Arabische infiltranten in het Israëlische plaatsje Jehoed een granaat in een huis. Een vrouw en twee kleine kinderen werden gedood. De infiltranten waren waarschijnlijk in de buurt van het dorp Qibya, op de door Jordanië bestuurde Westoever, de wapenstilstandslijn tussen Jordanië en Israël overgestoken. De Jordaanse vertegenwoordiger bij de wapenstilstandscommissie veroordeelde de moord en zegde volledige samenwerking toe bij de opsporing van de daders. Maar de Israëlische regering had al in juni van dat jaar besloten tot een politiek van vergelding.
Ook al was Jehosjafat Harkabi van de militaire inlichtingendienst tot de conclusie gekomen dat de Jordaniërs en het Arabisch Legioen hun uiterste best deden om infiltraties te voorkomen, de Israëlische regering weigerde zich het «recht» op vergelding te æaten ontzeggen. Zo kreeg Harkabi van een hoge ambtenaar van Buitenlandse Zaken te horen: «Als Jordaanse medeplichtigheid een leugen is, dan moeten we doorgaan met liegen. Als er geen bewijzen zijn, dan moeten we die fabriceren.»
Majoor Ariel Sharon, toen 25 jaar oud, was de bevelhebber van de geheime eenheid 101 die met grote voortvarendheid de represaille uitvoerde. In de nacht van 14 op 15 oktober bliezen Sharon en zijn soldaten met granaten en zeshonderd kilo explosieven in het dorp Qibya 42 huizen op en vermoordden 69 inwoners. Tweederde daarvan waren vrouwen en kinderen. Sharon en zijn mannen beweerden naderhand dat ze er geen idee van hadden gehad dat er nog bewoners in de huizen aanwezig waren toen ze die opbliezen. Maar de VN-waarnemer die de ravage inspecteerde, kwam tot een andere conclusie. In de puinhopen trof hij telkens weer met kogels doorzeefde lichamen aan achter versplinterde deuren. Volgens hem wees dat erop dat de bewoners die hadden geprobeerd te ontsnappen onder vuur waren genomen voordat het huis met inwoners en al was opgeblazen. Wie wél op tijd weg was gekomen, was alsnog op straat neergeschoten.
Het bloedbad in Qibya leidde tot hevig internationaal protest. Het Israëlische kabinet belegde op 18 oktober 1953 dan ook een vergadering over de ontstane situatie. De vergadering duurde vijf uur en de notulen beslaan 64 pagina’s. Nergens wordt de naam van Ariel Sharon genoemd. In 1997 werden de notulen vrijgegeven voor publicatie, ondanks tegenstand van verscheidene staatsarchivarissen. Hieronder wordt eruit geciteerd.

Minister van Buitenlandse Zaken Mosje Sharett opende de bespreking van de actie in Qibya met de woorden: «Ik ben niet thuis in de details, maar de hoofdzaak is dat de Arabische wereld of de hele wereld in rep en roer is vanwege het gebeuren in Qibya.» Met het oog op de verwachte vergadering in de Veiligheidsraad, zo stelde Sharett voor, moest Israël een krachtig, offensief standpunt innemen en vooral niet in de verdediging gaan of zich verontschuldigen.
De centrale vraag was hoe Israël de verantwoordelijkheid voor het bloedbad kon ontkennen. Kon het volhouden dat het niet was aangericht door het Israëlische leger maar door bewoners van grensplaatsen die het «recht» in eigen hand hadden genomen? Dat laatste was namelijk het officiële standpunt dat een legerwoordvoerder de dag na de actie had verkondigd op de bijeenkomst van de Jordaans-Israëlische wapenstilstandscommissie. Volgens Sharett was het duidelijk dat niemand hen zou geloven. Maar volgens Ben-Goerion maakte dat niet uit. «We moeten vasthouden aan de formulering dat het niet het leger was. Het met alle kracht ontkennen. Of ze ons geloven of niet is niet belangrijk.»
Sommige ministers hadden echter kritiek. Jisrael Rokach van Binnenlandse Zaken vond dat het leger de levens van de vrouwen en de kinderen had moeten sparen. Ben-Goerion snoerde hem de mond met de jijbak: «Je bent zelf geen kind en geen vrouw. Mag jij dus wel worden vermoord?»
Ook Pinchas Rosen van Justitie had bedenkingen. Hij geloofde niet in het nut van represailles en was tegen acties zoals in Qibya en bombardementen waarbij vrouwen en kinderen getroffen konden worden. Maar als de betrokkenheid van het Israëlische leger kon worden ontkend, steunde hij de premier.
Het meest ethische geluid kwam van de minister van Welzijn en Godsdiensten, Mosje Shapira. Volgens hem was het ongeoorloofd onschuldig bloed te vergieten. «Ik wil geen vergelijkingen maken, maar onder ons gezegd en gezwegen, ik moet het hier zeggen: we weten allemaal wat er in Deir Yasin is gebeurd. En zelfs als dat gebeurde in het gewoel van een oorlog stuitte het ons allemaal tegen de borst. Wij vonden het vanuit joods oogpunt ontoelaatbaar.»
De minister van Volksgezondheid, Josef Serlin, merkte vervolgens op: «Hebben we in de tijd van Jozua niet hetzelfde gedaan?»
«Leven we nu soms in de tijd van Jozua?» vroeg Sharett.
«Laten we niet altijd voorbeelden uit de bijbelse geschiedenis aandragen», stelde Shapira voor. «Ieder van ons kan ongetwijfeld met andere voorbeelden aankomen. Ik vind dat we dit keer de grens hebben overschreden. Ik ben vóór het voorstel van de premier, hoewel de gojim niet zo stom zijn. Ook als we zeggen dat het Israëlische leger er niets mee te maken heeft, zullen velen ons niet geloven.»

Pinchas Lavon, die als minister van Defensie het bevel voor de represaille in Qibya had gegeven, tekende bezwaar aan tegen de vergelijking met het bloedbad in Deir Yasin. Daar werden in april 1948 door de ondergrondse Irgoen en de Sterngroep, maar met steun van een eenheid van de Palmach, in totaal 245Rmensen afgeslacht. De helft van de slachtoffers bestond uit vrouwen en kinderen.
«De grootste misdaad», zo zei Lavon over het bloedbad in Deir Yasin, «was in de allereerste plaats dat het onnodig was. Als we geen blad voor de mond nemen — hebben we tijdens de oorlog niet vaker dergelijke acties ondernomen tegen de Arabische inwoners? Maar de overweging van de verantwoordelijken toen was dat het nodig was voor de staat en voor de oorlog.» Na een interruptie van Shapira herhaalde hij: «De grootste misdaad in Deir Yasin was dat de ondergrondse het op eigen houtje deed, dat het volgens anderen onnodig was voor de staat en de oorlog, en dat het zelfs schadelijk was.»
De minister van Verkeer, Josef Sapir, verdedigde vervolgens de moordpartij in Deir Yasin door te stellen dat die had geleid tot de vlucht van om en nabij een half miljoen Arabieren. Ben-Goerion ontkende dat: «Dat is niet waar, maar ik wil er nu geen punt van maken.»
Op 19 oktober legde Ben-Goerion de officiële reactie van de Israëlische regering op het bloedbad in Qibya voor aan de leden van het kabinet. Volgens de verklaring betreurde de regering diep dat er bloed van onschuldigen was vergoten. Maar ze benadrukte dat de›actie was uitgevoerd door bewoners van grensnederzettingen en dat geen enkele eenheid van het Israëlische leger de bewuste nacht haar basis had verlaten.
De bevelhebber van de eenheid die het bloedbad in Qibya aanrichtte, Ariel Sharon, kon ongestraft zijn carrière voortzetten. In zijn autobiografie blikt hij zelfs met tevredenheid terug op de operatie in Qibya, die volgens hem van onschatbare waarde was voor het moreel van het Israëlische leger.

Yossi Melman
Ha-sjeker ha-moeskam sjel Qibya
(«De overeengekomen leugen van Qibya»),
Ha’aretz, 18 april 1997
Benny Morris
Israel’s Border Wars, 1949-1956: Arab Infiltration,
Israeli Retaliation, and the Countdown to the Suez War,

Clarendon Press, Oxford, 1993
Ariel Sharon en David Chanoff
Warrior: The Autobiography of Ariel Sharon,
Simon and Schuster, New York, 1989
Avi Shlaim
The Iron Wall: Israel and the Arab World,
Norton, New York, 2000