De methode-Wesseling

Henk Wesseling was nog zo’n historicus die simpelweg van schrijven hield en wetenschappelijk verantwoorde verhalen wilde vertellen. Hij bezag de ontwikkelingen in de geschiedwetenschap met afgrijzen.

Henk Wesselings schrijfplezier uitte zich het best wanneer het over Frankrijk ging © Merlijn Doomernik

Het is moeilijk over Henk Wesseling te denken zonder meteen zijn persoonlijkheid voor ogen te zien. Willem Otterspeer, die onder de titel Verzamelen, nadenken, opschrijven een bloemlezing heeft samengesteld uit het werk van de in augustus 2018 overleden historicus, doet een manmoedige poging het omvangrijke oeuvre breder te karakteriseren. Otterspeer noemt hem in zijn inleiding een ‘klassiek’ historicus, ‘door geen mode beroerd en door geen methode achterhaald’.

De Leidse reus – zowel intellectueel als qua lichaamsbouw – was zeer wel op de hoogte van de ontwikkelingen in de geschiedwetenschap van zijn tijd, en verkeerde op vriendschappelijke voet met de coryfeeën ervan, zoals Fernand Braudel. Maar in zijn eigen werk leken de longue durée en onderliggende sociaal-economische of mondiale ontwikkelingen hem eerder vanzelfsprekendheden dan dat ze hem tot schrijven aanzetten. Van bronnenonderzoek – en vooral kwantitatief bronnenonderzoek zoals dat in de jaren zeventig onder historici in de mode raakte – hield hij zich verre, al was het maar omdat stoffige archieven vaak gevestigd zijn in ongezellige fabriekshallen waarin je als ostentatief levensgenieter nog niet dood wil worden aangetroffen.

Dus toen in 1991, na veel vertraging, Wesselings Verdeel en heers verscheen, zijn dikste boek, over de deling van Afrika tussen 1880 en 1914, bleek dat tot veler verrassing een nogal ‘klassiek’ – of zo men wil ‘ouderwets’ – geschiedverhaal vol belangrijke gebeurtenissen en grote mannen en smakelijke anekdotes. Het was echter geen intellectuele armoede die Wesseling tot deze benadering bracht, werd de historicus in later jaren niet moe te benadrukken: hij was van mening dat de structurele betekenis van de opdeling van Afrika – veelal beschouwd als het hoogtepunt van het Europese imperialisme – sterk werd overdreven.

Wat veel historici – met name de marxistisch geïnspireerden onder hen – lang beschouwden als een uitvloeisel, zo niet hoogtepunt van het kapitalistische stelsel dat de verhoudingen op een heel continent heeft veranderd en tot op heden voortleeft in neokoloniale machtsverhoudingen, was in Wesselings visie eerder een bizar, megalomaan spel van politici en veldheren, bevangen door het waanidee dat territorium in Afrika macht voor de eigen Europese natie betekende. In het Franse geval hielp de stormloop op Afrika bijvoorbeeld het smadelijk verlies van Elzas-Lotharingen in 1870 aan Pruisen te verwerken. In termen van economische expansie is de deling van Afrika voor de Europese kolonisatoren echter niet van veel betekenis geweest, meende Wesseling, alle klachten over ‘uitbuiting’ ten spijt. Europa is ook nog nooit zo welvarend geweest als toen het zich – amper tachtig jaar na het begin van de deling van Afrika – van zijn meeste koloniën had ontdaan.

De wens enorme territoria geheel te controleren was eerder een belasting dan een voorwaarde voor de moderne wereldhandel. Vandaar dan ook dat het Nederlandse koloniale model in Indonesië, waarbij de directe, zeer winstgevende machtsoefening van de kolonisator zich eeuwenlang slechts tot delen van Java en een enkele kustplaats op de andere eilanden uitstrekte, in andere Europese landen ook bestudeerd en bewonderd werd, zoals Wesseling laat zien in een van de aardigste artikelen in deze bloemlezing. Nou ja, tot het moment dan waarop Nederland het nodig vond heel Sumatra te controleren en Van Heutz in Atjeh aan het moorden sloeg.

Die relativerende benadering van de Europese expansie werd Wesseling niet altijd in dank afgenomen. De reacties op het boek laten zich enigszins vergelijken met die op de relativerende conclusies over de slavenhandel van Piet Emmer, met wie Wesseling in Leiden overigens nauw heeft samengewerkt. Bij sommige historische thema’s is de perceptie van groot onrecht zo diep geworteld dat geen historicus daar ongestraft tegenin kan gaan, hoe goed ook zijn argumenten. Het aanbieden van historische excuses achtte Wesseling overigens een nogal lachwekkende bezigheid, zoals blijkt uit het opstel ‘Grootboek Nationale Schuld’.

De bloemlezing begint met een fragment uit Zoon en vader, vader en zoon, een van de merkwaardigste autobiografieën ooit geschreven, die licht werpt op de persoonlijkheid en de motivaties van de vermoedelijk meest gelezen Nederlandse historicus van de laatste decennia. Het boek behelst een parallelle levensbeschrijving van Wesseling zelf en zijn vader, de grotendeels mislukte politicus-journalist-zakenman C.P. Wesseling. ‘Henri’ heeft hem nauwelijks gekend, omdat hij tien was toen zijn vader overleed. Tegen zijn gewoonte in is hij voor dit boek wel degelijk allerlei stoffige archieven ingedoken – niet, zoals hij met grote terughoudendheid op de laatste bladzijde zegt, om een persoonlijke hang naar de waarheid over zijn vader te bevredigen of deze weer tot leven te wekken, maar eenvoudig om deze mislukte idealist, ‘al is het maar tijdelijk’, aan de vergetelheid te ontrukken.

Je vergat bijna dat hij auteur was van een ontzagwekkend oeuvre, zo bedreven was hij in vertoon van geestige bescheidenheid

De voornaamste attractie van het boek zit hem echter in het contrast tussen het leven van vader en zoon, tussen de miskende linkse katholieke politicus en sappelende journalist-zakenman en de zoon die zich, schijnbaar toevallig en haast spelenderwijs, ontwikkelt tot een in binnen- en buitenland gewaardeerde geleerde, die het in het leven enorm getroffen heeft en naar zijn zin had. ‘Met de Franse slag’ heette een in 1998 voor hem samengesteld liber amicorum en die titel was goed getroffen: zozeer was de hooggeleerde bedreven in vertoon van nonchalance en geestige bescheidenheid dat je bijna vergat dat hij de auteur was van een ontzagwekkend oeuvre – in 2017 besloeg zijn bibliografie al 560 nummers, waaronder een kleine dertig boeken. Tot elke prijs moest de indruk worden vermeden dat Wesseling jr. door hard werk tot aanzien was gekomen, of dat hij een ‘streber’ was.

Dat laatste was hij ook niet, althans niet in de ongunstige connotatie van iemand die over andermans rug een positie poogt te verwerven. Integendeel, hij was heel aardig – niet in het minst tegenover de studenten en aankomende wetenschappers die met hem te maken hadden. De Amsterdamse cultuurhistoricus Pim de Boer heeft eens beschreven hoe promoveren bij Wesseling een ‘kameraadschappelijke ervaring’ was.

Ook ik heb, als eenvoudig student, zijn vriendelijkheid aan den lijve ervaren. Of hij in 1976 veel zag in mijn doctoraalscriptie weet ik niet, want we hebben een uur lang alleen gesproken over een grammaticaal detail, totdat Wesseling zei: ‘Een zeven, kunt u daar mee leven?’ Ik had in mijn latere leven maar zelden met hem te maken maar toen ik hem veertig jaar na mijn scriptie, kort voor zijn overlijden, het boekje van mijn eerste historisch onderzoek toezond, mailde hij heel aardig en uitvoerig terug, er zorg voor dragend dat uit de opmerkingen bleek dat hij het boek geheel had gelezen – wat ik, gezien het onderwerp, eigenlijk niet had verwacht.

Deze lankmoedige, stimulerende grondhouding hing, denk ik, samen met het besef dat zijn eigen carrière niet in de laatste plaats toch ook een kwestie van gelukkig toeval was. Hij was, na de dood van zijn vader, in betrekkelijk arme omstandigheden opgegroeid en de in 1955 aangevangen studie geschiedenis in Leiden was – valt uit Wesselings geschriften op te maken – nogal een rustige en intellectueel niet zeer stimulerende bedoening. Zijn geluk is geweest dat Bertus Willem Schaper, wiens professoraat algemene geschiedenis van de moderne tijd hij in 1973 zou overnemen, hem in 1966 als wetenschappelijk medewerker naar Leiden haalde, weg van het leraarschap waarmee de promovendus jarenlang in zijn onderhoud voorzag. Tot die tijd, heeft Wesseling verteld, placht Schaper elk jaar op te bellen om gelukkig nieuwjaar te wensen en te vragen of alles goed ging met de dissertatie, zonder dat het ooit tot een inhoudelijke uitwisseling kwam.

Over Schaper heeft Wesseling met grote empathie geschreven en dat geldt eigenlijk voor iedereen in zijn Leidse omgeving, en zelfs voor de buitenlandse historische coryfeeën uit heden en verleden, of hij ze nu gekend heeft of niet. Ivo Schöffer, Robert Fruin, Johan Huizinga of Fernand Braudel – ze worden allen uitvoerig door Wesseling behandeld en geprezen om hun razend interessante bijdrage aan de geschiedwetenschap, alvorens met behulp van relativerende commentaren – ‘gezond verstand’, zou Wesseling zelf hebben gezegd – naar het verdwijnpunt te worden verwezen. Je moest het wel heel bont hebben gemaakt – zoals de Engelse marxist Eric Hobsbawm of de Nederlandse filosoof Frank Ankersmit – wilde Wesseling min of meer ronduit zeggen dat het onzin is wat je beweerde.

In deze beide gevallen hing het oordeel trouwens samen met afkeer van de stelligheid waarmee zulke figuren hun vermeende, pretentieuze waarheden de wereld in stuurden. In het artikel ‘Geschiedenis tussen wetenschap en kunst’ – waaruit Otterspeer in zijn inleiding uitvoerig citeert maar dat merkwaardigerwijze niet in deze bloemlezing is opgenomen – doet de hooggeleerde uitvoerig kond van zijn afkeer van wat, in het voetspoor van Jan Romein, ‘theoretische geschiedenis’ genoemd werd. In Wesselings ogen – ik parafraseer nu even – betrof het hier een modieuze, kleine industrie van hermeneutici die nog nooit geprobeerd hadden een leesbaar geschiedenisboek te produceren, maar wel aan alle Nederlandse universiteiten een post hadden weten te verwerven.

In hetzelfde opstel geeft Wesseling een vrij nauwkeurige omschrijving van wat academische geschiedbeoefening naar zijn smaak dient te zijn. Zeker geen sociale wetenschap die haar bevindingen voornamelijk neerlegt in cijfers en tabellen, zoals in de jaren zeventig door sommigen bepleit, als een strategie van ‘verwetenschappelijking’. Maar ook geen fictie, hoezeer fictie ook vermag de lezer het gevoel te geven dat hij het verleden ‘beleeft’. Een goede historische studie biedt de lezer een pakkend narratief, waarbij de feiten kloppen, in die zin dat er niet uit de duim gezogen wordt en er geen bekende feiten die het narratief kunnen weerspreken onder tafel zijn gewerkt. Geschiedenis is langs deze lijnen een wetenschap sui generis, en alle andere gewichtige debatten onder historici, over periodisering bijvoorbeeld, zijn van ondergeschikt belang.

Zou Wesseling nog lang in de Nederlandse collectieve herinnering voortleven als een belangrijke historicus?

Otterspeer doet een poging om de ‘methode-Wesseling’ onder woorden te brengen: hij was een ‘klassiek’ historicus vanwege zijn essentieel besef dat alles steeds verandert. Een tweede kenmerk is de doorlopende aandacht voor de rol van het individu: ‘Een historicus abstraheert, generaliseert, categoriseert, doet alles om het geschiedbeeld transparant en wetenschappelijk verantwoord te krijgen. Maar het onherhaalbare, onvertaalbare, literaire (…) gevoel voor het individuele, zit diep verankerd in het werk van Wesseling.’

Ook heel belangrijk: hij had plezier in schrijven. Dat bleek niet alleen uit zijn wetenschappelijk werk, dat op vrijwel elke bladzijde onderhoudend is en vaak geestig – en bijna nooit alleen bestemd voor vakgenoten. En het geldt ook voor de vele stukken van meer algemene strekking die hij schreef voor het Hollands Maandblad en acht jaar als veertiendaags columnist op de opiniepagina van NRC Handelsblad. Aan deze stukken besteedde hij, naar eigen zeggen, evenveel tijd en aandacht als aan zijn historische bijdragen en hij was dan ook diep bedroefd toen hem de column in 2001 werd afgenomen.

Dat schrijfplezier uitte zich het best wanneer het over Frankrijk ging, want Frankrijk en de Fransen bleven zijn hele leven zijn grote intellectuele liefde. Het begon al met zijn dissertatie uit 1969, Soldaat en krijger, over de omslag in de Franse elite, tussen 1880 en 1914, van een pacifistische naar een militaristische mentaliteit. Zijn laatste en misschien ook wel beste monografie ging in 2017 ook over Frankrijk. Scheffer, Renan, Psichari behandelt, achtereenvolgens, een in Parijs wonende negentiende-eeuwse schilder van Nederlandse afkomst, een van de belangrijkste Franse filosofen van dezelfde eeuw en een vrijwel vergeten militaristische romanschrijver die ook al in Soldaat en krijger een grote rol speelde. De lezer die aan het boek begint, vraagt zich af wat die drie in hemelsnaam met elkaar te maken kunnen hebben, ook al heeft de auteur dan uitgevonden dat ze op grote afstand van elkaar waren.

Maar voor een begenadigd stilist als Wesseling blijkt het ontbreken van directe oorzakelijke schakels tussen de elementen in het verhaal niet zo’n bezwaar. Ook hier gaat het weer om ‘parallelle levens’ waaruit het beeld oprijst van een Frankrijk dat al sinds 1815 niet weet hoe om te gaan met zijn geleidelijke teloorgang als volkrijkste en machtigste grootmacht in Europa en derhalve lijdt aan een nerveuze spanning tussen besef van uniciteit en angstig gevoel van verval.

Je kunt er echter wel uitstekend eten en dat heeft Wesseling dan ook met overgave gedaan – geen ster in de Michelin-gids is aan zijn aandacht ontsnapt. In de bloemlezing staat een raillerend stuk over de ideale omvang van een wijnkelder: vierduizend flessen minimaal, bordeaux uiteraard. Op zijn begrafenis vertelde een zoon dat de familie, toen Wesseling op zijn sterfbed zei dat het glas rode wijn hem niet meer smaakte, begreep dat het definitieve einde nabij was.

Zou Wesseling, nu twee jaar dood, nog lang in de Nederlandse collectieve herinnering voortleven als een belangrijke historicus? Die vraag lijkt gewettigd, want – in tegenstelling tot de door hem zo ironisch benaderde Jan Romein of Johan Huizinga, bijvoorbeeld – heeft hij geen boek nagelaten dat een standaardwerk genoemd kan worden, of waar geen toekomstig historicus omheen kan. De roem van een aardige vent of een briljant organisator is eindig.

In zijn Zoon en vader, vader en zoon wilde Wesseling de lezer met grote nadruk laten weten dat hij het als hoogleraar en in zijn talrijke andere functies steeds uitstekend naar zijn zin heeft gehad: je onderzoekt eens iets, je bestuurt wat, geeft een college of schrijft een boek, en dat alles wordt redelijk, zij het niet excessief, geldelijk gehonoreerd. Deze nonchalante voorstelling van zaken is echter maar een deel van het verhaal. De ‘nieuwe universiteit’ die zich in de tweede helft van de jaren zeventig aandiende, met zijn explosieve groei van het aantal studenten, studieduurverkorting en steeds verdergaande bureaucratisering ten aanzien van onderzoeksplannen, was ver verwijderd van de ‘oude universiteit’ waarin rustige geleerden niet op de gedachte kwamen elkaar het vel over de oren te halen en een talent als het zijne had kunnen gedijen.

De wereld van infighting tussen vakgroepen bij bezuinigingsrondes was de zijne niet, al kon hij zich daarin goed staande houden – en dan zwijgen we nog maar even over de om zich heen grijpende ‘ijdeltuiterij’ van sommige collega’s met minuscule specialismen en het betreurenswaardige feit dat je studenten tegenwoordig niet meer boeken in het Frans kunt voorschrijven, omdat die taal buiten hun gezichtsveld is geraakt.

In ieder geval is Wesselings kans op bestendige faam vermoedelijk groter dan bij veel academische historici van nu die er, bedolven onder bestuurs- en onderwijstaken en steeds scherper gedefinieerde productie-eisen, nog slechts zelden toe komen iets anders te schrijven dan specialistische papers voor Engelstalige vakbladen die niemand buiten hun eigen kring leest. Zo beschouwd was Henk Wesseling, die deze ontwikkeling van de academische geschiedbeoefening met afgrijzen waarnam, wellicht een der laatste mohikanen: een academicus die van schrijven hield en wetenschappelijk verantwoorde verhalen vertelde om zo veel mogelijk lezers te verleiden. Zijn bonhomie heeft hij in het graf meegenomen, maar in de verleiding is hij zeker geslaagd.