Profiel: Maarten Ploeg (1958-2004)

De Michelangelo van de Amiga

If then goto endif. Onhandig vertaald betekent dit ongeveer: indien iets is, ga dan ergens naartoe en beëindig het iets. Het is een mensenleven in kortst mogelijke formulering samengevat. Indien je bent, ga dan en wees niet meer.

De formule is een zogenaamde commando-string uit de programmeertaal Amos die schilder-muzikant Maarten Ploeg zich begin jaren negentig eigen maakte. Hij leerde het schrijven en denken en toverde er kunst mee op het televisiescherm.

Een van zijn eerste computerwerken had als titel Barnett’s Day Off. Op het beeldscherm verschenen — at random binnen bepaalde door hem aangegeven parameters — verticale kleurvlakken die elke kwart seconde een nieuwe compositie lieten zien. Het was een ode aan, en tegelijkertijd een relativering van het werk van de schilder Barnett Newman. Barnett kon een dag vrij nemen, de computer maakte de schilderijen. Tevens plaatste Ploeg met zijn computerwerken het idee van de formele schilderkunst binnen de huidige tijd. Barnett’s Day Off is abstracte kunst voor de zapgeneratie. Niet 240 «beats» maar 240 composities per minuut.

In de eerste alinea van hoofdstuk 7 van de Amos-handleiding staat: «In oude computertijden was GOTO vermoedelijk de meest gebruikte van alle Basic-instructies. Tegenwoordig wordt het aanbevolen om het commando zo veel mogelijk te vermijden.» Wie echter de pagina’s met lange reeksen commando’s leest, die de ziel van Ploegs computerkunst vormden, ziet dat hij tegen dat dringende advies in het commando GOTO juist zeer vaak gebruikte.

Misschien omdat hij zich, juist vanwege die waarschuwing, aangemoedigd voelde om het tegendeel te bewijzen. Misschien omdat het zo goed klonk wanneer hij het uitsprak: IF THEN GOTO. Misschien omdat hij stiekem genoot van de almacht die in dat voor de computer onaanvechtbare commando verborgen ging. Maar van al die dingen, denk ik, nog het meest omdat het commando de sleutel vormde tot een bepaalde onvermijdelijkheid. Een onvermijdelijkheid die Ploeg in al zijn werken nastreefde en die hij ook in de dingen buiten hem om zocht en bewonderde.

De onvermijdelijkheid van een logische gedachte, de onvermijdelijkheid van schoonheid. De onvermijdelijkheid van wie hij zelf was.

Omdat hij in die tijd deel uitmaakte van een gezichtsbepalende generatie zijn de twintiger jaren van het leven van Maarten Ploeg kunsthistorisch het best gedocumenteerd. Al tijdens zijn opleiding aan de audiovisuele afdeling van de Gerrit Rietveld Academie liet hij van zich horen met schilderijen, muziek, piratenzenders en andere, vrolijk het gezag ondermijnende acties. Het kunstenaarschap was in eerste instantie een levenshouding die niet disciplinegebonden mocht of hoefde te zijn.

Maar toen midden jaren tachtig het postmodernisme met zijn ogenschijnlijk grenzeloze expressiemogelijkheden gemeengoed werd, trok Maarten zich vrij opvallend terug en begon hij een periode van serieuze studie aan het toen nog in Haarlem gesitueerde Ateliers 63. Weg van Amsterdam, en in geconcentreerde dialoog met het canvas. Want niet uit het grenzeloze, maar juist uit de beperking en het onvermijdelijke van een esthetische logica kan waarlijk iets nieuws ontstaan. Als alles mag en kan en gelijkwaardig is aan elkaar is er geen kunst. In zijn schilderijen, die tot die tijd tot het zogenaamde «wilde» genre behoorden, openbaarde zich een verlangen naar wetmatigheid en de daaruit voortvloeiende, hierboven ook al genoemde onvermijdelijkheid. Afgewogen, hoekige composities waarin de expressie ogenschijnlijk aan banden werd gelegd. Maar dat was slechts ogenschijnlijk. Want het was juist binnen die formele begrenzingen dat een andere, veel diepere expressie aan de oppervlakte kon komen. Een zachte extase van kleur, humor en verwondering over het wezen van het schilderij als ding.

De Amiga-computer die Ploeg in 1987 aanschafte bood hem de mogelijkheid die verwondering een nieuwe dimensie te geven. Dankzij de computer bereikte zijn werk in die beginjaren van het personal-computertijdperk een nieuw visueel en inhoudelijk hoogtepunt, en vonden zijn persoon en kunstenaarschap in de abstracte programmeertaal hun meest natuurlijke bedding.

Maarten verkende de mogelijkheden van het nieuwe instrument grondig. En het was mede door zijn enthousiasme en voorbeeld dat Commodore, de maker van de Amiga, begin jaren negentig in Amsterdam zulke mooie verkoopcijfers kon laten zien. Velen gingen, in navolging van Maarten, over tot de aanschaf van dit wonderbaarlijke instrument. Weinigen wisten er echter zo veel uit te halen als hij.

Maarten was geen computerfreak die zich liet verblinden door het ogenschijnlijk nieuwe. Hij begreep heel goed dat de computer, zeker destijds, wat kleurdiepte en subtiliteit betreft niet kon tippen aan de schilderkunst. Zijn idee was dan ook dat de computer niet gebruikt moest worden om dingen te maken die je met behulp van andere media eigenlijk veel beter zou kunnen maken, maar juist om het nieuwe medium, met al haar mogelijk heden en beperkingen — vooral de beperkingen — te omhelzen en voor zichzelf te laten spreken.

In Vasari’s On the Life of the Artists, staat beschreven hoe de beeldhouwer Michel angelo in de marmergroeven van Carara op zoek ging naar een specifiek stuk marmer: dat stuk marmer dat het beeld al in zich droeg. Zijn werk bestond er eigenlijk alleen maar uit het beeld te onthullen, zichtbaar te maken door het overbodige marmer te verwijderen.

Met zijn computerwerken deed Maarten Ploeg eigenlijk hetzelfde. Hij liet zien wat er in de computer aanwezig was. Hij liet de computer, op diens eigen voorwaarden, excelleren. Een mens of een kunstwerk of een apparaat als een computer kan niet zijn wat het niet is. Nou ja, dat kan natuurlijk wel, en wij allen lijden soms onder de verleiding om anders te zijn of anders over te komen dan we werkelijk zijn, toch zijn uiteindelijk alleen de volstrekte eerlijkheid en eigenheid interessant. Want daaruit worden de kunst en de schoonheid geboren. Als je niet zo heel goed gitaar kunt spelen, is het je opdracht als kunstenaar dan dáár heel erg goed in te worden. Heel erg goed worden in het niet zo heel erg goed kunnen spelen van je gitaar.

Zijn Ophthalmology-reeks uit de jaren 1992-1995, een hypnotiserend sensuele reis door het visuele brein van de computer, en door het brein van hemzelf, is een hoogtepunt in Maarten Ploegs oeuvre en een hoogtepunt in de naoorlogse Nederlandse kunst. Het is de droom van een computer. Het onderbewuste van een digitaal wezen. Een onvergelijkbaar werk dat nergens op lijkt. Behalve op Maarten zelf.

Maarten Ploeg was geen opvallende fysieke verschijning. Middelgroot, tenger, op het eerste gezicht te verwarren met een typische computernerd. Toch maakte hij op iedereen die met hem werkte of met hem omging grote indruk. Hij had een geheel eigen, natuurlijke autoriteit. Een autoriteit die niet was gebaseerd op status of een tactisch gebruik van de gedachten van anderen, maar die voortkwam uit zijn volstrekte eigenheid. Hij leek ernaar te streven niemand anders te zijn dan zichzelf. En daarin steeds beter te worden. Steeds meer zichzelf te worden. De weg daar naartoe ging, voor een belangrijk gedeelte, langs de kunst. Door zijn werk toonde Maarten zich niet alleen aan de anderen, maar ook aan zichzelf. En hij is in de loop der jaren steeds meer op zijn kunst gaan lijken en werd daardoor steeds meer zichzelf.

Al zijn computerwerken werden vertoond op de mede door hemzelf opgerichte zender Park 4DTV. Uitgezonden via internet en de lokale televisiekanalen van Amsterdam, Rotterdam, Berlijn en New York vonden zij hun meest vanzelfsprekende biotoop: via de lokale kabelnetwerken, rechtstreeks de huiskamer in. Cultuurbereik avant la lettre, maar zonder de ranzige bijsmaak van politieke correctheid.

Eind jaren negentig werkte ik samen met Maarten aan de TV-Matic, een volautomatisch tekst en beeld genererend computerprogramma, door Maarten geschreven, dat binnen bepaalde parameters het toeval mocht uitleven. Zo construeerde de Guru-matic uit verschillende trefwoorden onbedoelde wijsheden als: «Germans are sexy, because computers are overrated.» En gaf de Bob-Matic, een verwijzing naar de hobbygoeroe Bob Ross, op dezelfde willekeurige wijze les in abstracte schilderkunst.

Door Maartens programmering werd de computer een personage. Een personage dat, zoals al zijn werk, veel op Maarten zelf leek. Een personage dat niemand anders kon zijn dan zichzelf. En dat mooi was zoals hij was, handelend en sprekend volgens de streng geformuleerde maar in essentie liefdevolle wetmatigheid IF THEN GOTO ENDIF. Aan een journalist van dagblad De Limburger legde Maarten uit dat de TV-Matic niet een voorbeeld van kunstmatige intelligentie was, maar juist van het omgekeerde: kunstmatige domheid. Artificial stupidity.

De gedachte erachter is van een klassieke ploegiaanse logica: de weg naar kunstmatige intelligentie loopt via de kunstmatige domheid. Je moet je beperkingen kennen en omhelzen, voordat je kunt excelleren.

Werk van Maarten Ploeg is te zien op: www.park.nl