Parodie op ‘Meisje met brief’ van Johannes Vermeer. Immigrant met in plaats van een liefdesbrief een aanvraagformulier voor een inburgeringscursus © Jan Banning / De Beeldunie

Er zijn zekerheden in het leven. Elke ochtend komt de zon op en inburgeringsvereisten gaan altijd omhoog. De inburgering vormt de omgang met migranten die zijn toegelaten – de hoepel van immigratie-vereisten is gepasseerd – en moet afgerond worden om sterkere rechten te verkrijgen, met als eindpunt het Nederlands burgerschap. Het woord draagt de toegeschreven betekenis in zich: arriverende buitenstaanders moeten in-burgeren, een proces waardoor zij (een geschikte) burger worden. In de meeste Europese lidstaten bestaat de inburgering uit een combinatie van taaltoetsen, examens over de nationale geschiedenis, samenleving en politiek, en een eed op de grondwet of een rijtje ‘nationale waarden’. Ook in Nederland is dat zo; momenteel zijn er in totaal zeven vereisten.

Er valt veel te schrijven over inburgeren. Over het woord, over wat ‘we’ kunnen verwachten van nieuwkomers, wat ‘integreren’ eigenlijk is – als het al iets is. Maar de vraag die ik wil stellen is: waarom komen er altijd méér inburgeringsvereisten voor burgerschap? Sinds 1998 is het Nederlandse inburgeringstraject meer dan twintig keer gewijzigd. En steevast hielden deze wijzigingen in dat er extra vereisten werden ingevoerd, of de verwachte niveaus verhoogd. In veel andere landen in Europa is het niet anders. Steeds weer additionele en hogere hordes voor de nieuwkomer, een kwart eeuw lang. Maar waarom nooit eens een vereiste minder? En waarom zelfs nu niet?

Ik schrijf ‘zelfs nu niet’ omdat Nederlandse gemeenten zich momenteel voorbereiden op de invoering van een nieuwe inburgeringswet, die vanaf 1 januari 2022 zal gelden. Deze nieuwe wet is een reactie op de huidige inburgeringswet, waarover de brede consensus bestaat dat deze geflopt is. Een klein overzicht. De Algemene Rekenkamer keurde het geldende inburgeringsstelsel af; de Nationale Ombudsman schreef er verscheidene afkeurende rapporten over; de wrr en het Verwey-Jonker Instituut kraakten het; een wetsevaluatie in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken liet er weinig van heel; en er verschenen meerdere kritische wetenschappelijke studies. Ook, niet te vergeten, dreef Arjen Lubach de spot met de inburgering in een veel bekeken sketch. Tot slot spraken politici zich uit: afzwaaiend vvd-politicus Klaas Dijkhoff gaf toe dat het beleid, ook al kwam het vooral uit de koker van zijn eigen partij, ‘in de praktijk’ niet werkte. En verantwoordelijk demissionair minister Wouter Koolmees opende afgelopen jaren toespraken over de noodzaak van een nieuwe inburgeringswet met de zin: ‘Ik hoef u niet uit te leggen wat er allemaal niet deugt aan het huidige systeem.’

Een belangrijk punt binnen alle kritiek was dat inburgeraars nagenoeg nooit uitgezet kunnen worden als ze inburgeringsvereisten niet halen, hoewel politici en het beleid dat wel suggereren. En dit pakt averechts uit: de conditionele omgang met, en sancties voor nieuwkomers brengen hen eerder in de problemen dan vooruit, met alle persoonlijke en maatschappelijke gevolgen van dien. Tijd voor een nieuwe wet, klonk het daarom alom. Eentje die de ‘zelfredzaamheid’ van inburgeraars niet zou overschatten (beleidstaal voor: mensen niet aan hun lot overlaten, zeker niet als ze net arriveren in een nieuw land – vaak na een vlucht – en de taal nog niet machtig zijn). Eentje die ‘maatwerk’ zou leveren (beleidstaal voor: mensen welwillend, met coulance en als individuen benaderen, die niet allemaal kunnen en hoeven te voldoen aan dezelfde eisen). Eentje die ‘evidence based’ zou zijn (beleidstaal voor: gedragen door inzichten uit de wetenschap en ervaringen uit de praktijk). Het eindresultaat? Er wordt geen enkele inburgeringsvereiste afgeschaft, er komt een bij; ontheffingsgronden verdwijnen; het aantal boetegronden neemt toe; en het taalniveau dat wordt vereist voor afsluiting van de inburgering en naturalisatie gaat omhoog.

Toegegeven, er valt iets meer te zeggen over de nieuwe wet. Zo is het positief dat het systeem van persoonlijke leningen tot tienduizend euro om de eigen inburgering te bekostigen wordt afschaft voor vluchtelingen. Andere inburgeraars, zoals gezinsmigranten, moeten echter blijven betalen; dat is dan weer kras. Daarnaast is het waarschijnlijk een verbetering dat gemeenten weer meer gaan begeleiden bij de inburgering, hoewel de vng waarschuwt dat het zonder voldoende budget de zoveelste mislukte decentralisatie zou kunnen worden. En er komen verschillende inburgeringsroutes, onder meer een ‘onderwijsroute’ en een ‘praktische zelfredzaamheidsroute’. Maar als we even boven gedetailleerde beleidsdiscussies en bijhorend jargon gaan hangen, dan is het vooral opvallend hoeveel van het oude beleid blijft staan en zelfs geïntensiveerd wordt. Samir Achbab, bestuurskundige en onderzoeker aan de Vrije Universiteit, schrijft dan ook: ‘Een rechtvaardig en duurzaam functionerend inburgeringsstelsel, waartoe het aangenomen wetsvoorstel weliswaar een lichte aanzet geeft, blijft vooralsnog buiten zicht.’

Dit doet de vraag rijzen: na alle vernietigende evaluaties van het huidige beleid, hoe kan dít de uitkomst zijn? Of directer geformuleerd: waarom is er niet volledig schoon schip gemaakt? Het huidige inburgeringsstelsel is het product van de wantrouwige staat – die nu zo ter discussie staat – én een jammerlijke nawee van de gedoogconstructie van Rutte I met de pvv. Laten we daarom niet doen alsof het ooit is ingevoerd in het belang van de nieuwkomer – en overigens ook niet in dat van de ontvangende samenleving. Met het besluit een nieuwe wet te ontwerpen ontstond een historische kans een ander perspectief toe te laten op de wijzen waarop migranten kunnen worden opgevangen en begeleid na aankomst. Een perspectief waarbinnen, op z’n minst, boetes, examens en verplichtingen een kleinere rol kregen, in plaats van een grotere. Waarom is die kans niet benut?

Misschien zijn het naïeve vragen. Stefan Zweig schreef in 1932 in zijn lezing De morele ontgifting van Europa, recent vertaald in het Nederlands door Thomas Huttinga, dat er geen ‘plotselinge eenmalige wonderkuur’ bestaat voor een ‘irrationele verslaving’ die ‘al miljoenen zielen beïnvloedt’. Zweig schreef over het nationalisme in Europa; ik doel op het idee dat migranten moeten slagen voordat ze bij het nationale ‘ons’ mogen horen. Het is het ‘taakje’ dat de migrant heeft, zoals Roxane van Iperen het omschreef in haar 4-mei-lezing Stemmen uit het diepe. Migranten dienen dit te doen ‘om hun bestaansrecht te bewijzen’, sprak ze, om niet te worden gezien als lid van een ‘inferieur geachte groep’. Het is dan ook geen publiek geheim dat een volwaardige plek in Nederland verdiend moet worden door migranten. Het staat in onze regeerakkoorden, politici als Benthe Becker (vvd) herhalen het waar ze kunnen. En inderdaad, in het hedendaagse Europa zullen miljoenen zielen het hiermee eens zijn.

Het virulente nationalisme van honderd jaar terug vergelijken met hedendaagse ideeën over ‘verdiend burgerschap’ in Europa – een te snelle stap, wellicht. Maar het valt niet te ontkennen dat er verbanden zijn. Wie herinnert zich bijvoorbeeld dat filmpje uit Frankrijk dat viral ging, met een gespierde zwarte man sans papiers, al snel omgedoopt tot ‘le spider-man’, die langs verschillende balkons klom om een bungelende kleuter in veiligheid te brengen? Mamoudou Gassama is zijn naam. Na zijn heroïsche daad overhandigde Emmanuel Macron hem subiet het Franse burgerschap. Een woordvoerder van de regering benadrukte dat de moed van Gassama ‘getrouw was aan de waarden van de Republiek’. Natuurlijk, met gevaar voor eigen leven een kind redden, dat is bovenal echt Frans.

Het was een prachtig voorbeeld van de idealisering van het Nationale Zelf door de Goede Migrant te belonen. Onderzoek van Elisabeth Badenhoop, verbonden aan Martin Luther University, laat zien dat het er niet altijd zo platvloers aan toe gaat als in het geval van Gassama. Na het bijwonen van vele naturalisatiebijeenkomsten in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk concludeert zij dat hoewel bovenmenselijke prestaties van migranten niet worden verwacht het wel zeer ambivalente ceremonies betreft. In de toespraken van gemeenteambtenaren gericht aan de ‘nieuwe’ Duitsers en Engelsen wordt benadrukt dat zij een aanwinst moeten zijn voor de natie, in politieke, culturele of economische zin. Bevestig ons door ons te verrijken: dat was de gemene deler van de welkomstwoorden die ze hoorde.

Geen zorgen, uw overheid beschermt ‘onze cultuur’, niemand wordt ‘zomaar’ Nederlander

Een boeiend voorbeeld is een toespraak in Dresden, waarin de kersverse genaturaliseerde migranten verantwoordelijk werden gemaakt voor het uitdragen van een ‘juiste vorm van nationalisme’ om tegenwicht te bieden aan de mobilisering van neonazi’s. ‘Stel een voorbeeld aan uw medeburgers (Landsleute)!’ geeft de gemeente Dresden haar nieuwe inwoners mee. Zie daar de ambivalentie: bij het verkrijgen van het burgerschap wordt de migrant tegelijkertijd ingesloten én uitgesloten. Ingesloten omdat ze volledige rechten krijgt, uitgesloten omdat ze belast wordt met de verwachting een ‘superburger’ te zijn. De migrant moet het bewijs belichamen dat ‘wij’ zo democratisch en divers zijn; ze moet een bron van economische groei zijn, een oplossing voor radicaal-rechts nationalisme.

Terug naar Zweig. Hij schreef dat er ‘onwrikbaar, consistent en goed doordacht werk geleverd moet worden om de geest van de nieuwe, komende generatie zuiverder te maken dan de onze’ en benadrukt het belang van goede educatie van de jeugd. Maar hoe waarschijnlijk is het dat Europa, ‘verslaafd’ aan het achterdochtig wijzen naar de migrant als degene die zich moet bewijzen, vooral de ‘niet-westerse’ moslimmigrant, onwrikbaar en consistent aan de slag gaat om precies dit sentiment tegen te gaan? Meerdere verkiezingen op ons continent zijn inmiddels gewonnen met ‘doe normaal, of ga weg’-retoriek, niet alleen door xenofobe populisten maar ook door traditionele middenpartijen. En deze retoriek gaat voortdurend gepaard met de invoering van additionele inburgeringseisen voor recent gearriveerde nieuwkomers. Dat klinkt en valt immers altijd goed. Geen zorgen, uw overheid doet ‘iets’ aan migratie. Geen zorgen, we beschermen ‘onze cultuur’. Geen zorgen, niemand wordt ‘zomaar’ Nederlander.

Tot nu toe ben ik voorbijgegaan aan de vraag of er misschien toch iets in kan zitten om (meer) eisen te stellen aan burgerschap. Klassieke immigratielanden als Amerika en Canada doen het immers ook – zij het met lagere eisen – en al decennialang; waarom zouden Europese landen het dan ineens niet mogen? Het is een terugkerend onderwerp van gesprek als je pleit voor minder, of op z’n minst andere, inburgeringsvereisten.

Neem nu de voorgenomen verhoging van de taaleis om te naturaliseren van het basisniveau A2 naar het middenniveau B1. Wat is daar mis mee? Migranten de taal niet leren, dat is pas uitsluiten! De juiste repliek vereist een balanceeroefening. Uiteraard is taal belangrijk. En in principe is het beter wanneer inwoners van Nederland – wie het ook zijn – B1-niveau beheersen dan A2. Bovendien kunnen sommige nieuwkomers veel hoger halen dan B1 – bijvoorbeeld als ze jonger en geletterd zijn. Niemand ontkent dat. Hogere taalniveaus ondersteunen politieke participatie en daarmee burgerschap: je kunt, onder meer, beter de actualiteit en politieke discussies volgen. Dat klopt. Maar betekent dit dat een uniforme taaleis voor alle inburgeraars, op straffe van sancties en het mislopen van burgerrechten, een verstandig en rechtvaardig voorstel is? Recent onderzoek uit Denemarken – waar een B1-eis reeds geldt – laat zien dat het effect is dat lager opgeleide migranten burgerschap vaker mislopen. Hetzelfde geldt voor vrouwen, vluchtelingen en ouderen. Meer concreet is door de Deense taalnorm de kans 2,5 procent dat een laaggeletterde, vrouwelijke vluchteling die nu in Denemarken arriveert over twaalf jaar burger is geworden. Is dat eerlijk? Dit vraagstuk laat zien dat voor een betekenisvolle discussie over het nut van inburgeringsvereisten éérst moet worden vastgesteld of burgerschap in een liberaal-democratische rechtsstaat een selecterend en meritocratisch concept is, of niet.

Amsterdam, 2018. Een vrouw passeert streetart waarmee Hugo Kaagman Nederland uitlegt © Owen Schumacher / De Beeldunie

De bekende politicoloog Robert Dahl schreef dat de basis van democratische soevereiniteit de volledige politieke insluiting is van alle personen die permanent onderworpen zijn aan de wetten van een bepaalde staat. Dat is de essentie. In een democratie ligt de eigendom van de staat dus niet bij een monarch of een kleine groep maar bij ‘het volk’. De vraag is nu op welk moment na hun arriveren migranten dienen te worden gerekend tot dit ‘volk’. Dahl schreef hier niet expliciet over, maar analyseerde wel dat het democratisch ontoelaatbaar is als in een samenleving de reeds ‘politiek ingeslotenen’ tot in het oneindige de absolute macht hebben om te bepalen wie politiek ingesloten mag worden.

Neem, ter illustratie, het vrouwenkiesrecht. Stel, er is een maatschappij waarin vrouwen nog geen kiesrecht hebben en de mannen de volledige macht hebben om te beslissen of zij dit krijgen. Mogelijk besluit een meerderheid van de mannen dit te doen, maar het kan ook dat zij aanhoudend besluiten van niet. Dit, stelde Dahl, botst met de innerlijke logica van de democratie aangezien het de deur opent voor een permanent democratisch tekort. Vrouwen zijn dan structureel onderworpen aan de wetten van de staat, maar hebben geen inspraak op de wetgeving die op hen van toepassing is en er is ook geen route om die te verkrijgen. Als gevolg is er dan plots toch sprake van een aristocratie – waarbij alle politieke macht bij een selecte groep ligt, de mannen in dit geval – in plaats van een democratie. Om deze reden moet een democratie een andere procedure hebben om vast te stellen wie burger mag zijn, een die niet stoelt op het volledig geven van deze autoriteit aan een selecte groep. En er is volgens Dahl geen andere optie dan dat eenieder die structureel aan bepaalde wetgeving onderworpen is recht heeft op gelijkwaardig burgerschap. Dit maakt dat een democratie aangaande vragen van burgerschap uiteindelijk de sociale realiteit moet volgen: wie feitelijk een permanente inwoner van een land is (geworden), moet idealiter burger worden. Radicaler geformuleerd kan de democratie dus niet volledig haar eigen demos kiezen, want de werkelijkheid bepaalt haar demos.

In de academische politieke filosofie wordt breed gedragen dat deze analyse van Dahl onweerlegbaar is. Historisch hebben verschillende groepen – inderdaad vrouwen, maar ook tot slaaf gemaakten – er ook een beroep op gedaan bij hun strijd voor gelijke democratische rechten: nothing about us without us. Maar wat betekent dit precies voor migranten? Michael Walzer gaat hier in Spheres of Justice (1983) op in, door te reflecteren op gastarbeidersprogramma’s. Zijn conclusie is dat zodra blijkt dat gastarbeiders (toch) bestendig zijn neergestreken in hun land van aankomst er sprake is van ‘politieke tirannie’ als ze aanhoudend geen toegang tot burgerschapsrechten krijgen. Hij pleit, deels om deze reden, voor strenge regels omtrent immigratie, maar zodra migranten gearriveerd zijn, redeneert hij, dan moeten ze op termijn burger kunnen worden. Dat West-Europese landen de toegang tot burgerschap uiteindelijk (schoorvoetend) openden voor Turkse en Marokkaanse gastarbeiders die arriveerden in de tweede helft van de vorige eeuw toont dat deze redenering niet uitsluitend een academische exercitie betreft. De werkelijkheid drong na verloop van tijd een door migratie uitgebreide demos op.

Een belangrijke en ook wel netelige kwestie is hoe vastgesteld kan worden of een migrant een ‘permanente’ inwoner is geworden. Wat is een redelijke termijn? Is dat na drie, of misschien vijf, zeven of twintig jaar? Dit is filosofisch niet helemaal vast te stellen, maar linksom of rechtsom is wel duidelijk dat democratisch burgerschap geen selecterend of meritocratisch concept is. En aangezien inburgeraars verblijfsrechten hebben en zich in de regel vestigen, zou nationaal burgerschap voor deze groep geen privilege moeten zijn voor de meest geschikt geachte, maar een recht dat hun toekomt op basis van hun menselijke waardigheid en aanwezigheid in de democratische samenleving. Taaleisen die bepaalde groepen inburgeraars structureel politiek uitsluiten, zijn daarmee democratisch onwenselijk. De initiële beslissing van staatssecretaris Ankie Broekers-Knol (Justitie) om groepen asielzoekers die een generaal pardon ontvingen (en daarmee verblijfsrechten) géén toegang tot burgerschap te geven, druiste daarmee ook in tegen de grondbeginselen van de democratie. Dankzij de inzet van Peter R. de Vries kregen zij uiteindelijk toch hun paspoorten, vlak voor zijn overlijden.

In tijden van verhitte migratiedebatten doet het invoeren van strengere inburgeringseisen het goed bij de kiezer

Een mogelijke tegenwerping is dat de conclusie dat inburgeringsvereisten niet democratisch mogen uitsluiten niet betekent dat zulke vereisten geen enkele functie hebben. Ze kunnen alsnog symbolisch van waarde zijn. Het idee is dan dat de migrant die zich heeft ingezet voor zijn burgerschap er uiteindelijk trotser op zal zijn. Dus zolang inburgeringsvereisten geen ondoenlijke barrières vormen en naturalisatie niet blokkeren, zijn ze acceptabel en zelfs nuttig. Dit doet de vraag rijzen waar de trots van de geboren Nederlander, die zijn burgerschap automatisch krijgt, vandaan komt (en ook of ‘trots’ wel de juiste emotie is in relatie tot burgerschap). Maar goed, in de meest welwillende interpretatie van dit argument zit een kern van waarheid.

Zo toont onderzoek van Floris Peters en Maarten Vink (Maastricht University) dat er zoiets als een ‘anticipatie-effect’ bestaat. Kort gezegd houdt dit in dat als migranten besluiten te willen opgaan voor burgerschap zij in hun taalvaardigheden gaan investeren als dit vereist is voor naturalisatie. Dat suggereert dat het mogelijk is een inburgeringsstelsel te ontwerpen waarbinnen burgerschap wordt ingezet als een ‘ceremoniële wortel’ die migranten wordt voorgehouden met als doel hen te motiveren om flink aan de slag gaan. Het is dan wel belangrijk, stellen Peters en Vink, dat verwacht wordt dat zij zich naar vermogen inzetten (en dat niet dezelfde uitkomsten worden verwacht van, zeg, universitair opgeleiden en zeer laag geletterden).

Dit uitgangspunt sluit in grote lijnen aan bij het werk van Irene Bloemraad, hoogleraar aan Berkeley. Bloemraad schrijft over de ‘context of reception’ voor migranten, die bepalend is voor of ze een goede start hebben in hun nieuwe thuisland en of ze burgerschap nastreven en ontvangen. Ook zij benadrukt het belang van symboliek: voelen nieuwkomers zich verwelkomd, opgenomen als gelijken in de samenleving? En: worden ze proactief geïnformeerd, uitgenodigd tot de democratie en gestimuleerd een nieuwe taal te leren? Bloemraad laat zien dat adequaat publiek beleid een ‘signaalfunctie’ kan hebben waarmee ontvangende landen de ‘sociale identiteit’ van migranten kunnen beïnvloeden en, onder meer, gevoelens van burgerschap kunnen cultiveren.

Toch ligt er een denkfout ten grondslag aan het argument dat inburgeringsvereisten noodzakelijk zijn om de broodnodige symboliek toe te voegen aan het naturalisatieproces. Neem nu het huidige Nederlandse inburgeringsbeleid: de signaalfunctie daarvan is in de afgelopen twintig jaar bovenal geweest dat ‘integratie’ een verantwoordelijkheid is die eenzijdig bij migranten ligt. En nergens spreekt uit dat het uitgesproken gewenst is dat migranten burgers worden. Wie de proliferatie van inburgeringsvereisten op het Europese continent heeft gevolgd weet dat waar ze ook wortel schieten ze al te vaak gepaard gaan met retoriek als ‘we zullen nog ’s bekijken wie mag blijven’ en ‘burgerschap moet worden verdiend’. Niet de symbolische ‘context of reception’ die Bloemraad adviseert.

Inburgeringsbeleid heeft inderdaad sterk symbolisch potentieel, maar in Europa is dit niet zozeer gericht op de inburgeraar, maar bovenal op de burgers van het ontvangende land. In tijden van verhitte migratiedebatten doet het invoeren van strengere inburgeringsvereisten het goed bij de kiezer. En het is daarbij niet van het grootste belang wat de praktische beleidseffecten van deze vereisten precies zijn. In plaats van dat de inburgering de migrant vooruit moet helpen in haar nieuwe thuisland wordt het signaal afgegeven dat de acceptatie van migranten voorwaardelijker is geworden. En de inburgeraars? Voor hen is het lastig zich te verweren tegen onredelijk beleid, toenemende kosten en opstapelende vereisten: zij zijn recent gearriveerd, hebben vaak geen sterk sociaal of professioneel netwerk, kennen de instituties niet, spreken de taal nog niet voldoende en koesteren vaak de vrees dat protesteren of procederen hun verblijfsrechten zou kunnen aantasten. En ze kunnen ook via verkiezingen niet voor hun belangen opkomen en electoraal bijsturen, aangezien ze (nog) geen stemrechten hebben: ze moeten immers nog inburgeren.

Mijn conclusie is dat we beter kunnen ophouden met inburgeringsvereisten voor meer rechten en burgerschap. De kans dat ze ontsporen is simpelweg te groot – en sowieso véél groter dan dat ze afgestemd en van waarde zullen zijn. Deze stelling wordt vaak weggewuifd met het verwijt dat het zaken te veel op hun beloop zou laten. Maar niets is minder waar, er zijn veel betere alternatieven. Om dit te zien is het belangrijk de zaken even om te draaien. Ik licht taal uit: hoe belangrijk vinden we dat écht in Nederland? Zo blijkt uit onderzoeken dat 2,5 miljoen Nederlanders van zestien jaar of ouder moeite hebben met lezen en schrijven. Recent constateerde de Onderwijsinspectie dat het aandeel middelbare scholieren dat het risico loopt op laaggeletterdheid tussen 2003 en 2018 is gestegen van twaalf naar 24 procent.

Als dit als een maatschappelijk probleem wordt gezien – lijkt mij wel – dan is de armoede van de politieke agenda dat burgerschap verdiend moet worden door migranten meteen duidelijk. Nog even los van dat veel Nederlanders de (nieuwe) eisen van de inburgering misschien niet zouden halen, is er aandacht, budget en een visie nodig op de emanciperende werking van onderwijs en taal. Laten we daarom beginnen met structureel investeren in – en niet structureel bezuinigen op – goede scholing. En dan gericht en afgestemd op alle verschillende groepen die daar baat bij kunnen hebben: scholieren, jongeren met lagere taalniveaus, laaggeletterde volwassenen, migranten van binnen en buiten de EU, enzovoort – allemaal als onderdeel van een breder ambitieus taalbeleid. Laten we dan binnen dit onderwijs gekwalificeerde docenten, bijvoorbeeld met expertises in volwassenenonderwijs, het leren van een tweede taal of analfabetisme, vaste contracten geven en goede arbeidsvoorwaarden. En laten we dit onderwijs gratis aanbieden, of voor heel schappelijke bedragen.

Daarnaast kunnen vele creatieve initiatieven ontplooid worden: een (online) zender Nederland 4, waarop constant taallessen te volgen zijn op allerlei niveaus; toegankelijke kunstprojecten waarin de rijkdom van het geschreven en gesproken woord centraal staat en, hoppakee, talige festivals over de bijdragen van interculturele uitwisseling aan de wereldliteratuur, ik noem maar wat. Voor wie denkt dat dit al gauw te duur zal zijn: zulke investeringen betalen zich uit, als ze leiden tot minder achterstanden, meer samenhorigheid en levensgeluk. Bovendien, de premisse was toch dat taal zo belangrijk is? En indien écht gewenst, kan een onderwijstraject verplicht gesteld worden voor (niet-EU-)nieuwkomers – op dezelfde gronden als de leerplicht voor kinderen. Dus publiek geregeld, met de Onderwijsinspectie er bovenop, en met een inspanningsverplichting maar geen uniforme resultaatsverplichting.

Goed ontvangstbeleid voor migranten bestaat uit meer dan taal – ik denk dan bijvoorbeeld aan (historische) kennis aanreiken over de politieke instituties, of praktische begeleiding op de arbeidsmarkt –, maar bij andere onderdelen moet langs dezelfde lijnen gedacht worden. Dit brengt ons bij de ‘context of reception’. Laat die geworteld zijn in het principe dat Nederland ervan uitgaat dat migranten na vijf jaar verblijf permanente inwoners zijn geworden (dit is ook wat Europees recht dicteert), zeker als het vluchtelingen of gezinsmigranten zijn. Puur aanwezigheid is hierbij dus voldoende. En zodra iemand een permanente inwoner is, dan is het wenselijk dat ze burger wordt, omdat de democratische samenleving is gestoeld op normen van gelijkheid.

Het moet niet alleen juridisch maar ook symbolisch kristalhelder zijn dat er maar één versie van het nationale burgerschap bestaat. Anders gezegd, als migranten het burgerschap verkrijgen, is dat – en dat van hun nageslacht – exact hetzelfde als dat van geboren Nederlanders. Net zo onvoorwaardelijk, en met dezelfde democratische rechten én burgerplichten. De boodschap moet zijn: hoewel we misschien niet, in de meest directe zin, een gedeeld verleden hebben, hebben we wel een gedeelde toekomst. En daar zijn we trots op.

Tamar de Waal is rechtsfilosoof aan Amsterdam Law School (UvA) en voorzitter van Stichting Civic. Haar boek Integration Requirements for Immigrants in Europe verscheen vorige maand bij Hart Publishing/Bloomsbury