De minnares of: een kleine grammatica

Kan een paard des koetsiers minnares worden? Een verhaal van Manon Uphof, die onlangs debuteerde met de zinderende verhalenbundel ‘Begeerte.’
Het plein voor de toren is rond als een klok en de man en ik vormen de wijzers. Het heeft acht uur geslagen. Ik sta pal voor het academiegebouw en kijk naar de groepjes in en uitlo- pende studenten en naar het clubje skateboarders daarvoor, met hun voeten onder strakke wreefbanden, en hun kleurige arm- en beenbeschermers. Ze cirkelen als zweeptollen over de stenen, komen los van de grond, maar net als ik denk dat ze opstijgen, zetten ze de voorkant van hun plank schrap tegen de opstaande rand van een tegel en komen zo abrupt tot stilstand dat het lijkt alsof ze nooit bewogen hebben. Ondertussen houdt de man zijn blik gericht op de voorbijgangers. Als ze aarzelen en even stilstaan, klopt hij me vriendelijk op de rug, tikt tegen de zijkanten van de koets en schreeuwt (zijn horst gezwollen als een duivekrop), ‘Paarderitjes… paaaarderitjes!’

Er zit stof op het groen van zijn jasje, stof tussen zijn haren, stof op zijn stem. Al zeven jaar roept hij: ‘Paaaarde- ritjes! ’ Hij roept het al zo lang dat het woord een tunnel is geworden waarbinnen een tornado woedt, een zuigende, knijpende wind die me meetrekt tot het eind, tot daar waar ik alleen maar 'paarderitjes’ kan horen: 'Paaarderitjes.’
Ik ben het paard en ik verzorg de ritjes.
Met de schaduw van de Toren als een pijl achter mij trek ik de koets bijna dagelijks over het plein door de Lange Nieuwstraat langs het Catharijneconvent en het Willem-Arntzhuis (waar daglichtontwende gezichten zich tegen de ruiten van het ver- bouwde gekkenhuis persen, zodat bolle hoofden vissekoppen worden met glazige ogen en roze, naar adem happende lippen). Hoog op de buitenmuur hangt een rebus in neonbuizen. 'Daar waar je niet bent, daar is het geluk ’
Vandaar neem ik de bocht, die scherp genomen moet worden, en klos door naar het Ledig Erf. Onder het met mos begroeide poortje bij de Singel schiet ik - met de meeuwen in mijn kielzog - door naar het Lepelenburg, waar de allerkleinsten door hun ouders uit de bak worden getild en in het speeltuin- tje losgelaten.
De man pauzeert meestal naast mij. Zijn rechterhand rust op mijn flank, zijn linker houdt een sjekkie vast.
Als er kinderen bij me komen staan, wrijf ik mijn neus over de kussentjes op hun handen en bij bejaarden (die gehuld in hun jassen van dode muizen rillerig wachten op hun einde) buig ik mijn hals en zak door mijn poten. De man rookt langzaam, alsof hij geen grammetje teer wil mislopen en ik kijk naar zijn tranende ogen en luister naar het nooit veranderende antwoord op een repeterende vraag.
'Zo mak als een bezemsteel.’
Het is niet prettig dag in dag uit te horen hoe ongevaarlijk je bent en je te houden aan een sukkelig loopje. Zo lang al draai ik mijn rondjes dat ik verwacht mezelf nog eens tegen te komen: ik sta tussen de aangetaste bomen en scherpgerande struiken, terwijl de honden schijten en rennen. Ik zie mijn vaalwordende achterkant, het gammele zadel op mijn rug, het scheefzakkend mutsje met veren.
De dag dat de man mij kocht, schuurde de wind mijn rug en hing de stank van visafval in mijn neus. Ik stond met mijn moeder bij de kade en luisterde naar haar verhalen over vaders ongeluk, die - wist ik - nooit overstemd zouden worden door het geluid van rollende tonnen en kisten die werden ingeladen en gelost.
'Dode paarden in het water zwellen op, de huid laat los, het vlees wordt blauw…’ Verbitterd staarde ze naar het troebele water, waar grijze schuimkopjes op dreven, en benadrukte ze wat ze elke dag benadrukte: dat vader met wagen en al bijna onmiddellijk in de golven was weggezakt, alsof er op de bodem van de zee iets lag wat hij dolgraag wilde hebben.
'Mannen gaan blijmoedig ten onder’, besloot ze, en de manier waarop ze dit zei, maakte dat ik bijna zin kreeg om van de kade recht naar beneden in het water te springen.
Tijdens onze tochten door de stad bewoog zij haar neus met regelmaat in de richting van het Rijnkanaal. Een keer zag ze op een rustig voortpuffende trekschuit het lichaam van mijn vader liggen: 'Daar! Onder die stapel roestige fietsen!’ en begon hysterisch te steigeren. Het bit viel uit haar mond en van haar kaken droop groen slijm. Ik herinner mij niet hoeveel mensen er nodig waren haar te kalmeren, wel dat haar blik dagenlang glazig bleef. Terug in de stal bleef zij naar de deur staren, alsof hij daar buiten stond met de losse lappen huid als een cape om z'n schouders, het schuldig water rond zijn hoeven.
In mijn herinnering was mijn vader iets hoekigs en donkers. Een voorbeeld van vormvastheid. Als de radeloosheid van mijn moeder een geurwolk werd die beet in neus en ogen, dacht ik vaak terug aan de nacht die al bijna ochtend was geweest. Het lawaai van vader en moeder had me wakker gemaakt. Ik leunde tegen de ruwe achterwand van de stal en schraapte met mijn voet door het haverstro, zoveel mogelijk muizekeutels plettend. Toen ik door mijn oogharen tuurde, zag ik in het schemerlicht het gespierde, bonkige achterwerk van mijn vader en zijn benen op de rug van mijn moeder.
'Fluwelen machine’, zei hij almaar. 'Fluwelen machine.’
Zijn woorden waren zacht als motjes.
De man betaalde. Hij gaf me geen naam, maar schilderde dezelfde dag nog mijn prijs op een houten bord, schafte zich een wagen aan, een tuig en een koperen trekstel, terwijl de vrouw (een mollig wijffie met rossige krulletjes en een huid die bij het minste beetje zonlicht zenuwachtig uitbarstte in bulten en rode vlekken) mij langdurig vanuit haar ooghoeken begluurde.
'Een mutsje zou haar leuk staan’, zei ze tenslotte, en aangezien geen winkel bood wat ze zocht, knutselde ze er tenslotte zelf maar een in elkaar. Ik draag het nog steeds. Een zwart leren driehoekje waaruit drie onhandig vastgestikte ganzeveren steken die al een beetje kalen aan de onderkant.
Vanaf dat moment leefden wij volgens de principes van een eenvoudige grammatica. Er was een 'ik’, een 'hij’ en een gruwelijke zij. Ik leerde een koets te trekken. Ik leerde welwillend te hinniken. Ik leerde de geur van de man te herkennen uit duizenden andere geuren en wist dat hij eraan kwam als het lichte aroma van nat glas over de staldeur naar binnen vleugde (zelfs met oogkleppen voor begrijp ik wanneer hij me borstelt, want ik ken het ritme van zijn slagen). De vrouw bleef ondertussen op een veilige afstand. Zij bekeek mij met samengeknepen ogen en schuingehouden hoofd, haar lippen als kleine zuigertjes op elkaar geklemd. Soms - als wij alleen waren - verried de glans in haar ogen wat zij geloofde: dat er nog iets te overwinnen viel. Meer dan eens schoot haar blik pesterig van de zweep aan het haakje naar mijn glanzend gepoetste rug. Meestal keek ik opgewekt terug, deed alsof ik haar niet herkende en tilde briesend een hoef op. Dan imiteerde zij haastig het geluid van leer, striemend over natte huid, maar ik hoefde niet eens te kijken om te weten dat haar handen zich als krabbepoten om de deur klemden, en dat zij buiten de fles uit haar binnenzak nam om hem in een teug leeg te drinken.
'Zij is niet makkelijk, Mary’, zei de man, zonder ooit met een woord over haar dorst te reppen. Zelfs niet toen het haar onmogelijk werd om ons - zoals de gewoonte was geweest - elke dag tussen twaalf en twee onze lunch te brengen (waarbij zij van huis naar onze standplaats op het plein hobbelde, een lunchpakket in haar ene, een thermoskan sterke koffie in haar andere hand, haar schrikachtige huid zo vet van de beschermende crème dat ze de hele omgeving spiegelde). Het goedmoedig geschommel van haar heupen was lang geleden al overgegaan in schuifelen en nog later werd zij zo dik dat lopen ondoenlijk bleek. Haar ogen zonken langzaam weg als krenten in rijzend deeg, en het leek of haar hals en taillelijn geleidelijk smolten in haar eigen bakvet.
'Ze zwelt op’, zei de man. 'Ze zwelt en zwelt. Haar nieren zuigen het zout naar binnen als een spons. Ik hoef haar maar even aan te tippen of zij klapt.’
Iedere nieuwe dag ving aan met een beschrijving van haar nieuwste kwalen. Hoe moeizaam haar stoelgang verliep. Hoe drabbig haar lever werd, dat hij groeide als een knolzwam. Langzaamaan werden haar gezwollen nieren en vlekkerige lever werkelijker voor mij dan de smeerwortel en cichorei die hij soms bracht en waar ik in de beschutting van de stal traag op knabbelde en zoog.
De kist van de vrouw werd op een zaterdag plechtig achter in de koets geplaatst. Om vijf uur brachten de mannen van de bloemenmarkt ons alle overgebleven bossen narcissen, seringen en slap hangende lelies, zodat ik haar in een kakofonie van geuren (ze rook zoeter dan ooit bij leven) naar de begraafplaats reed, terwijl de man met droge ogen naast mij liep in zijn vlekkerig kostuum met krijtstrepen, de handen in de zakken en de blik somber op het wegdek gericht.
'Alles verandert’, zei hij. 'Alles beweegt en verandert.’ Maar hij had net zo goed kunnen zeggen dat alles stilstaat en hetzelfde blijft, want na de begrafenis bleven zijn kleren vlekkerig en klam en nog steeds stond hij de hele dag naast, achter of pal voor me, onzichtbaar in mijn blinde vlek, alleen voelbaar door zijn warmte en de verschuivingen in de lucht als hij bewoog. Het was de tijd waarin de man als een leguaan over het plein schoof, zich tegen het houten bord aan drukte en de mensen met iets treiterigs en temends in zijn stem dwong in te stappen en mee te rijden.
'Vijf gulden, hee! Vijf gulden maar, gotverrrdomme. De mooiste plekjes van de stad. Hee!’
Hij greep de voorbijgangers bij de pols en duwde ze ruw de wagen in.
Maar zijn woede en frustratie golden mij niet. Aan het eind van de dag kon ik erop rekenen dat de man mij naar binnen leidde, de stangen van de koets losmaakte en mijn mutsje teder afgespte. Dat hij zijn ribfluwelen jasje over het haakje schoof, en zijn pet op de ton wierp. Dat wij onder elkaar waren. Na de dood van de vrouw had hij nauwelijks nog woorden nodig. Wetende dat ik last had van zijn sigaretterook, rookte hij zijn saffie buiten en slikte af en toe een pepermuntje. Ik wachtte met mijn hoeven in het warme hooi tot hij de harde borstel pakte en mijn manen begon te kammen. Soms wreef hij vet op mijn huid en streelde hij lijzig mijn flanken.
Het was prettig om met mijn hoeven in het hooi te staan, in een schemerige, afgesloten ruimte en niet meer dat houten bord met die beverige letters te hoeven dragen, waarvan de splinters in mijn vlees prikten, maar te rusten, met de droge hand van de man op mijn rug en de stilte bijna suizend om me heen. In de hoek stond een groen geëmailleerde emmer met water en voor mij, over de balk, hingen de riemen en het zadel. Ik weet niet hoe ik het uitdrukken moet, maar dat was het beste van alles. Na een dag slepen en sjouwen te staan in het dampende hooi, met een emmer koud water vlakbij me en te wachten. Geduldig te wachten op het moment dat hij naar voren liep, zijn hoofd vooroverboog naar het mijne en me voorzichtig in de neusgaten blies. Zijn adem was lauwer dan de mijne.
Iets in je leven wordt zo gewoon dat het lijkt of het er altijd al geweest is, zoals de toren op het plein, die dagelijks door toeristen wordt beklommen, of als de kerken - zo vastgeklonken aan de grond dat ze er niet van te scheiden lijken. Toch, hoe gewoon, na lange overpeinzing leek het mij beter het er met andere paarden niet over te hebben. Wij ontmoetten en passeerden elkaar vaak (de protserige paarden van de manege, de politiepaarden bij bureau Tolsteeg), maar zij leken zo voldaan, zo volkomen op hun gemak met wie zij zijn en wie zij waren, dat ik - om eerlijk te zijn - bang was dat zij aan mijn houding, mijn oogopslag konden zien wat zich afspeelde in de stal en dat zij er in het geheim om giechelden en gniffelden. Om de waarheid te zeggen scheen het mij het beste om over de halve deur van mijn verblijfplaats naar buiten te blijven kijken. Het was een prachtig najaar. Eind september. Aan de hemel knipoogde Pegasus en een halve, glanzende maan probeerde goedmoedig te bollen. De man kwam bij mij in het stro en borstelde de klitten uit mijn manen, met kalme, beheerste slagen. Hij kwam voor mij staan en wreef mij over de neus. Hij blies zijn adem naar binnen.
Er zijn nachten die zo dun zijn dat je denkt dat de hemel scheurt en eeuwigheid in snippers naar beneden valt. Er zijn nachten dat lichamen naar elkaar drijven, als stukken hout in water. Lang geleden stond ik tussen mijn ouders en zag niets van mezelf, maar rook alleen het zweet op hun bruine huid, en keek naar de wanden van de stal, en naar het mangrovewoud van hun lange benen.
Wat kan ik zeggen over de nachten dat de man een krukje greep en erbovenop klom? Dat ik soms vreemde geluiden hoorde: het schraperige van hout op leem bijvoorbeeld? Dat er soms een vaag gevoel van klamme kilte was tegen mijn achterkant. Tegen mijn intieme delen.
Ik vermoed dat de man zich tegen mij aandrukte en misschien zelfs wel zijn 'ding’ deed, maar mijn ogen neigen opzij, en de man maakte de kleppen niet los, zodat het een vermoeden bleef. Eerlijk gezegd ging ik maar af op de geluiden en het lichte beven, het geschuif van zijn voeten op het krukje en een vage, lichte beroering, alsof er iemand met een theelepel in een emmer lauw water roerde, en er alleen het zachte deinen van het water was.
Ik zag hem niet. Zijn hand rustte op mijn hals en hij gaf zachte klopjes op mijn huid. 'Lore’, noemde hij mij. 'Lore.’
Lang geleden vertrouwde mijn moeder mij toe dat zij een man had gedood.
'Wanneer?’ wilde ik weten. Zij draaide haar ogen van mij af, trok haar bovenlip op en begon aan het gras te trekken. 'Ik had het kunnen doen,’ zei ze kalm.
'Het had heel gemakkelijk gekund.’ En zij vertelde over de geweldige kracht die ons ras bezit. Hoe er met een welgemikte trap, met een forse uithaal van de achterbenen verpletterd en gekraakt kan worden 'tot de botten splinteren’.
Maar ik wilde niet verpletteren of kraken.
Ik luisterde weken, misschien maanden lang naar de geluiden in het halfduister en wachtte op zijn naderende voeten. Ik spitste mijn oren en sperde mijn neusgaten wijdopen. Daar wierp hij zijn pet al op de ton. Daar hing hij zijn jas'je aan de haak, en spoedig was er de droge geruststellendheid van zijn hand, van vijf benige pootjes die klopten en aaiden en zeiden: 'Hier eindigje, hier begin je, hier eindig je, hier begin je…, en ik denk dat ik daarom niet trappen wil, om die hand die me voortekent waar mijn contouren liggen. Zolang er een hand is die mijn gedachten, mijn ideeën, mijn gevoelens met een beweging bijeengaart en terugschuift, terug in de afgesloten ruimte die ik ben (ik sluit mijn neus, mijn ogen en oren en luister naar het gewoel en gewemel van binnen) is alles te verdragen. Tot ik mijn ogen open en beelden mijn netvlies raken en geluiden mijn oren binnenwaaien en mijn eigen geluiden naar buiten zwermen en de hele wereld als een komeet op me afvliegt.
Ik had best in de stal willen blijven. Een fluwelen machine willen worden. Maar misschien is er iets in mijn wezen wat uiteindelijk, op de lange duur, niet te verdragen is. Zoals regen die dagen aanhoudt of muisgrijs en brak water, klotsend tegen een kade. Misschien waren er al langer tekens, die ik over het hoofd heb gezien.
Natuurlijk weet ik dat het winkelpand heel lang leeg heeft gestaan. Ik trok er dagelijks mijn vrachtschip langs. Ik heb de bladderende verf op de deur gezien, het verzakte uithangbord, de stoffige, besmeurde ramen en zelfs het bord van de makelaar, zonder er aandacht aan te schenken, want wat betekenis heeft, krijgt dit pas achteraf.
En nu is zij gekomen. De vrouw van de lampenwinkel. Gehuld in een go-gojurkje. Week en zacht als een fondant.
Zij is gekomen met dozen en kisten en tassen. Zij heeft gelachen op een manier dat je er misselijk van werd, maar ik moest zien hoe de man terugglimlachte, zijn hand voor zijn slechte tanden hield en zijn rug ineens zo strak en recht trok alsof hij een stok had ingeslikt.
Zij heeft haar lampen uitgestald. Staande lampen, met kunstig bewerkte poten. Zij heeft franje tot krulletjes gedraaid.
Ik werd beroerd van de manier waarop ze keek, met gele smalle ogen.
'Kom!’ zegt hij nu drie keer per uur (zonder te weten dat ik hem bestudeer), 'het is weer tijd voor een pauze.’ En hij draait zijn sjekkie, en legt het zadel recht zonder zijn ogen van de winkel af te draaien.
Hij heeft er geen idee van dat ik hem zo goed ken. Hij heeft er geen idee van dat ik hem met koets en al over het plein zou kunnen trekken tot de wielen, de stangen en zijn botten kraken. Dat er een groter paard in mij schuilt.
Tegen zessen nog was hij even in de stal, maar het was niet hetzelfde. De confiture en het verse hooi ten spijt.
Ik sta zo opgesteld dat er geen ontkomen aan is. Van deze afstand kijk ik recht in de etalage met de glazen kroonluchters, de lampjes van varkensblazen kapjes, de lampjes van rozerode stof met zwarte franje, de lampjes met goudkleurige cherubijnen, en ik moet zien hoe hij het plein oversteekt. Hoe hij buiten blijft staan voor een praatje, zijn handen vrij en energiek, zijn benen uit elkaar geplant. Hij draagt zijn vlekkerige krijtkostuum en overhandigt haar het verslag van de doodsstrijd van zijn vrouw, alsof hij haar een diamant overhandigt, een die fonkelt en straalt aan alle kanten. Hij doet of hij alles al eens gezien, of hij alles al eens gehoord heeft. 'Jajajaja… exact’, zegt hij en zet de pet recht op zijn hoofd.
Zij zwaait de winkeldeur wijd open en buigt zich in een halo van licht voorover, legt haar arm op zijn schouder.
Het bleke blauw van de lucht heeft zich inmiddels gemengd met het zware grijs van de avond en de toren verliest zijn scherpe lijnen. Deze ochtend werd er een nieuw gesmede klok aan zware koorden naar boven gehesen. Alle studenten liepen naar buiten en zelfs de skateboarders minderden snelheid. De vrouw rende het plein op met snoertjes en stekkertjes in haar handen. Iedereen verzamelde zich in een kring en tuurde eensgezind naar boven. De man zei dat het in één stuk uit het brons gegoten was en noemde een gewicht van duizenden kilo’s. Hij zei dat men in de middeleeuwen misdadigers vastbond in de klok, zodat ze gedood werden door de trillingen van het geluid. 'Arme mensen’, zei de vrouw.
Ik keek naar de koorden, en de kraan die hees en de mannen in hun blauwe overalls, met hun pukkelige gezichten en rode nekken en vroeg me af wat er gebeuren zou als de toren het gewicht niet kon dragen, of hij dan zou barsten of buigen.
Zojuist heb ik het geluid van de klok gehoord. Het klonk donker en zwaar en oud en resoneerde bij mij van binnen. Alle lampen aan de overkant zijn uit. Ik sta in het tochtig portaal van de kerk, met het bit in de mond, de soldaten in mijn borst en heb geen idee wanneer ik hem terug kan verwachten.