Het betrof een ingewikkelde erfpachtkwestie, waarin de zoon van De Miranda - en dus De Miranda zelf - betrokken was. Althans volgens De Telegraaf van die dagen, die de woeste campagne tegen de wethouder (jood en socialist) startte welke hem uiteindelijk de kop zou kosten. Terwijl de man volkomen onschuldig was. Maar wie kon het wat schelen, in zowel het kamp van vriend als vijand? De Miranda was behalve jood en socialist ook lastig, bekwaam, autoritair, bevlogen en tactloos, zodat iedereen hem liet vallen, inclusief de mensen van zijn eigen partij. ‘Hoe onpeilbaar diep het leed is, dat men mij heeft aangedaan, ik voel daarbij toch het onuitsprekelijk geluk, ieder fier en vrij in de oogen te kunnen zien’, verdedigde hij zich. Het hielp allemaal niets. De Miranda belandde eerst, nogal in de war, in de Geneeskundige Bad-inrichting en Kuuroord Laag-Soeren en vervolgens in het concentratiekamp Amersfoort, waar hij in 1942 is vermoord.
De Arbeiderspers had begin 1940 geweigerd zijn verweerschrift Pro Domo te publiceren, waarna het manuscript in de archieven verdween. Totdat Borrie het een centrale plaats in de biografie gaf. Sedertdien geldt De Miranda als gerehabiliteerd. Maar nog niet gerehabiliteerd genoeg, vond een eigentijdse actiegroep (Gilles Borrie, Geert Mak, Elma Verhey, Frans Heddema, Eberhard van der Laan, Hedda van Gennep) en stapte met het geschrevene (een Hema-blocnote van honderd vel) naar voornoemde Arbeiderspers. Dit keer zei de uitgever ja.
Het boek is gepubliceerd met financiële steun de Vara en de Partij van de Arbeid. De FNV deed niet mee, want die meende, schrijft Mak niet zonder sarcasme, ‘dat De Miranda niets met de voormalige vakbeweging had uit te staan, alsof de Algemeen Nederlandse Diamantbewerkersbond, waarin De Miranda zijn loopbaan begon, niet de bakermat is van de hele moderne Nederlandse vakbeweging’. Het initiatief kwam van Van der Laan, de voorzitter van de huidige PvdA-fractie in de Amsterdamse gemeenteraad. Hij las De Miranda’s levensverhaal ‘met toenemende verbijstering’ en bedacht dat het een daad van eenvoudige rechtvaardigheid zou zijn het verweerschrift alsnog onder het publiek te brengen. Ik heb in de loop der jaren veel kwaad over de hoofdstedelijke partijgenoten gesproken en zal dat in de toekomst zeker niet laten, maar ik moet zeggen, in sommige opzichten is die club zo kwaad nog niet.