Interview Michael Chabon

‘De misdaad verbindt het verleden met het heden’

Michael Chabon, joods, Amerikaans en schrijver, roept met zijn nieuwe roman, De Jiddische politiebond, weer eens de vraag op of hij nu een joods-Amerikaanse schrijver is of toch niet. ‘Strange times to be a Jew.’

_Achter op de Nederlandse vertaling van zijn laatste boek, De Jiddische politiebond, staat een wat onwennige foto van de schrijver. Ondanks een baardje ziet Michael Chabon er op de zilverkleurige afbeelding bijna androgyn uit, alle rimpels en oneffenheden zijn weggephotoshopt, zijn lange haar is gestileerd opzij gekamd. In persoon doet Chabon eerder denken aan Grady Tripp, de bewierookte schrijver uit zijn tweede roman Wonderboys (1995), die het hele boek, half geschoren en met een dikke bos grijs haar, zijn eigen populariteit probeert onschadelijk te maken.

Michael Chabon (Washington D.C., 1963) heeft kleine handen en een zachte stem. Hij praat op een verontschuldigende toon, alsof hij zijn ideeën over zijn eigen roman absoluut niet aan je wil opdringen. Dat wil niet zeggen dat die roman niet doordacht is. Het is een complex werk waarin verschillende ideeën over judaïsme, altijd een gevoelig onderwerp, het licht zien.

The Yiddish Policemen’s Union is op drie manieren te lezen. Wat betreft de vorm is het boek een overduidelijke ode aan Raymond Chandler en andere Amerikaanse schrijvers die in de jaren dertig en veertig het detectivegenre hebben heruitgevonden. De crime noir zoals verfilmd in zwart-wit met Humphrey Bogart als private dick. De hoofdpersoon hier is Meyer Landsman, een rokende, drinkende, cynische detective die een tragische familiegeschiedenis met zich mee zeult, en in zijn eigen verleden moet graven om een moord op te lossen. Het slachtoffer leek over bovenmenselijke gaven te beschikken en zou wel eens de joodse Messias kunnen zijn geweest.

Daarnaast speelt taal een grote rol. Chabon vond ooit het handwoordenboekje How to say it in Yiddish? en raakte erdoor gefascineerd. Waar zou de gebruiker het mee naartoe moeten nemen? De personages spreken Engels en Jiddisch. Dit resulteert erin dat ze om de haverklap Jiddische uitdrukkingen gebruiken, of en passant met Jiddische woorden strooien. Een mobiele telefoon is een ‘sjofar’ (Jiddisch voor hoorn) en beginnende smerissen heten ‘latkes’ (zachte aardappelkoekjes). De lezer krijgt geen woordenlijst achter in het boek; hij moet het zelf uitzoeken.

Tot slot is de roman een what if-scenario, vergelijkbaar met Philip Roth’s The Plot against America. In Chabons roman zijn de joden in 1948 Palestina uitgegooid door een unie van Arabische landen en hebben ze heil gevonden in Sitka, Alaska, een stuk grond dat de Amerikaanse overheid ze heeft aangeboden.

In elk opzicht is Sitka vergane glorie. Het district beleefde waarschijnlijk zijn hoogtepunt in 1977, toen het gastheer was van de wereldtentoonstelling, maar ergens daarna moet het bergafwaarts zijn gegaan. De stad is overbevolkt, waardoor het klimaat verandert, de sneeuw op de voorheen zo idyllische bergtoppen is gesmolten. Georganiseerde misdaad begint een steeds grotere vinger in de pap te krijgen. Daarnaast nadert de ‘Reversion’ – de zestigjarige lease die de joden op het land hebben gekregen, is bijna verlopen. Moeten de joden weg, worden ze weer veroordeeld tot een diaspora, of mogen ze blijven onder Amerikaans gezag? ‘Strange times to be a Jew’, mijmert menig personage.

Michael Chabon: ‘Sitka was de premisse van mijn boek. Jiddisch is een taal zonder land, dus ik wilde het op me nemen dat land te verzinnen. Zo vergezocht is het niet; vlak voordat de Verenigde Staten betrokken raakten bij de Tweede Wereldoorlog kwam er een voorstel van een van de ministers van Roosevelt om het gebied rond Sitka, Alaska, beschikbaar te stellen voor joodse vluchtelingen. Het idee werd indertijd direct weggestemd in de Senaat, maar toen ik erover hoorde sprak het me aan. Sitka was ooit de hoofdstad van Russisch Alaska. Alle straten, bergen, rivieren hebben Russische namen – dat gaf het een joods gevoel, het sloot perfect aan bij de gebieden in Europa waaruit ze verdreven waren.

Als kind was ik fan van de boeken van Tolkien; ik vond het geweldig dat je aan de hand van de wereldkaart van Midden-Aarde de reis van zijn personages kon volgen. Mijn uitgangspunt voor Sitka was dan ook een plattegrond die ik uitgetekend heb van de stad en de regio. Dat was leuk. Te leuk. Leuker dan het schrijven zelf.

Met die fictieve wereld, plus de mengeling van Engels en Jiddisch, wist ik dat ik het de lezer – én mezelf – niet makkelijk maakte. Daarom wilde ik een heel heldere narratieve structuur hebben en de detective is narratief gezien het ultieme middel. Je begint met een lijk en stuurt vervolgens iemand op pad om uit te zoeken hoe dat daar gekomen is. De misdaad verbindt het verleden met het heden.’

Cynthia Oznick, de bekende joods-Amerikaanse schrijfster, zei ooit over Chabon dat hij joods is, Amerikaans en een schrijver, maar dat hij geen joods-Amerikaanse schrijver is. Een korte – onvolledige – opsomming van zijn werk lijkt dat tegen te spreken. Chabons vorige publicatie was de grimmig getitelde novelle The Final Solution (2004), waarin een bejaarde Sherlock Holmes een papegaai opspoort van een joods jongetje dat de holocaust heeft overleefd. The Amazing Adventures of Kavalier & Clay (2000), waar Chabon de Pulitzerprijs voor kreeg, gaat over twee neven van wie er één uit nazi-Duitsland is ontsnapt. Het al eerder genoemde Wonderboys, verfilmd door Curtis Hanson, met Michael Douglas in de hoofdrol, lijkt gespeend van joodse elementen. Op één scène na, waarin hoofdpersoon Grady Tripp op Pasen zijn ex-schoonfamilie bezoekt. Het is meteen de warmste scène uit het boek. De broers en zussen zijn genadeloos aan het bekvechten, maar tegelijk voeren ze plechtig de rituelen uit die bij Pasen horen. In een boek waarin alles uit elkaar valt – huwelijken, carrières, ambities – is het geloof een bindende factor.

De reden voor Oznicks opmerking ligt in het gegeven dat Chabon, in vergelijking met kanonnen als Roth en Bellow, opvallend speels is. Hij behandelt typisch joodse thema’s wel – de holocaust, survivor’s guilt, de jood in de moderne metropool – maar presenteert ze lichtvoetiger. Voorop staat voor hem dat een schrijver nooit mag vergeten dat hij zijn lezer moet zien te entertainen. Hij werkt graag in genres, zijn tekst is vlot, grappig, doorspekt met vergezochte metaforen en verwijzingen naar andere literatuur. The Yiddish Policemen’s Union is geen uitzondering, maar hier is het judaïsme zo prominent dat Chabon zich ineens meer dan ooit in het eerder genoemde rijtje joodse schrijvers lijkt te plaatsen.

Veel recensenten hebben erop gewezen dat je boek politiek is te interpreteren. Heeft het feit dat de gangsters in het boek chassidisch, orthodoxe joden, zijn, diepere betekenis?

Michael Chabon: ‘Alle bad guys in het boek zijn joods, dat kan niet anders, want het speelt zich af in een land met alleen maar joden. Wat dat betreft, alle good guys zijn ook joods. Het idee kwam toen een groepje chassidische joden me tegemoet kwam lopen op straat. Ze hadden zwarte hoeden, donkere baarden. Hun lange zwarte jassen wapperden in de wind; het deed me denken aan de openingsscène uit Reservoir Dogs, waarin de gangsters, met Little Green Bag op de soundtrack van jullie George Baker, recht op de camera af lopen. Ik zag ze meteen voor me als de “gunslingers” in het verhaal.’

Alaska is bepaald niet het beloofde land. De joden in Sitka hebben weinig met elkaar gemeen, behalve een onzekere toekomst. In het boek wordt gesuggereerd dat ze hun eigen Messias – hun kans op verlossing – om zeep helpen. Is dat niet grimmig?

‘Nee. I don’t do grim. Ik zie juist het tegenovergestelde. De ideeën waar dit boek op berust – wat de verlossing van de Messias kan zijn, wat ballingschap betekent, het thuiskomen en het heropbouwen van een gemeenschap – zijn krachtige thema’s, die sterk vervlochten zijn met het judaïsme. Je moet de opmerkingen van de cynische hoofdpersoon niet verwarren met het idee van het boek, of met die van de schrijver.

Meer dan wat ook wilde ik een boek schrijven over ballingschap. Meyer Landsman zit in een zelfverkozen ballingschap, hij heeft zichzelf veroordeeld tot het sjofele Hotel Zamenhof nadat hij zijn huwelijk heeft stuk laten gaan. “Strange times to be a Jew” echoot het door het boek; in feite zit de hele gemeenschap daar in Alaska als balling.

De terugkeer uit ballingschap, de terugkeer naar Jeruzalem, is een essentieel onderdeel van het joodse geloof. Op seideravond, de afsluiting van Pasen, sluit je af met de toost L’shanah haba’ah b’Yerushalayim, “Volgend jaar in Jeruzalem”. Mijn familie was casual observant; we aten niet koosjer maar hielden ons wel aan bepaalde tradities, zoals de toost op Jeruzalem. We hadden geen enkele ambitie om naar Jeruzalem te gaan, maar het illustreert de verbondenheid met de stad. Doordat de joden in Sitka geen enkele kans op een terugkeer naar Jeruzalem hebben, worden bepaalde groepen wanhopig en gaan ze over tot extreme maatregelen.’

De geschiedenis, het gebruik van taal, de locatie zijn allemaal erg fictioneel – die extreme maatregelen in het boek lijken beangstigend niet-fictioneel.

‘Terwijl wij nu spreken zijn er mensen actief bezig de terugkeer van de Messias voor te bereiden. In de Oude Stad van Jeruzalem staat een instituut waar ze alle zilveren werktuigen en gewaden voor de priesters bewaren, zodat ze het voorgeschreven apparatus in werking kunnen stellen als het zo ver is. They’re ready to go. De aanslagen die in het boek dreigen, ik hoop dat die fictie blijven, maar voor mij was het een manier om te illustreren tot welke wanhoop mensen gedreven worden als ze zo fanatiek in iets geloven dat nooit kan gebeuren. Als ik één ding met dit boek heb willen aantonen, dan is het wel hoe gevaarlijk en onzeker het leven is voor joden als er geen Israël is.’

Michael Chabon, De Jiddische politiebond (The Yiddish Policemen’s Union), vertaald door Christien Jonkheer en Gerda Baardman. Anthos, 415 blz., € 19,95. Gerecenseerd in De Groene Amsterdammer van 31 augustus

Lees ook de recensie
_
van De Jiddische politiebond