Van idealistische partij naar opportunistische banenmachine

De mislukking van het CDA

Het CDA heeft nog een jaar nodig om te herstellen van de vernietigende nederlaag van juni, denkt de nieuwe partijvoorzitter. Dat valt te bezien.

TIJDENS HET CDA-CONGRES van zaterdag viel de grote afwezige - Jan Peter Balkenende, die liever een bijeenkomst van de OESO in Parijs bijwoonde - het hardste applaus ten deel. Wie de recente zelfanalyse van het CDA leest, vraagt zich af waarom. Als het rapport van de commissie-Frissen één ding duidelijk maakt, dan is het wel dat het vorige grote verkiezingsdebacle (dat van 1994) in ieder geval niet tot verandering heeft geleid. De verzwakking is doorgegaan. Er is geen heldere nieuwe ideologie en politieke strategie ontwikkeld, er is (een enkel individueel talent daargelaten) geen krachtige politieke top gekweekt. Frissen schetst een bij vlagen dramatisch beeld van atrofiëring en geklungel, van een gefragmenteerde partij met een opportunistische bovenlaag, die mooie baantjes belangrijker vond dan een serieus debat of een overtuigende koers. En dat alles onder het leiderschap van Balkenende. Dus hoezo applaus?
De vorming van het CDA begon in 1967. Sinds de Tweede Wereldoorlog hadden de drie christen-democratische partijen KVP (katholiek), ARP (gereformeerd) en CHU (hervormd) de helft van de Tweede Kamer bezet. Toen de KVP dat jaar acht van haar vijftig (!) zetels verloor, schoot voorzitter P. Aalberse nog op de verkiezingsavond zijn collega’s aan. Werd het niet eens tijd voor samenwerking? Vervolgens belandden de drie partijen in een lange reeks, soms felle, soms ragfijne ideologische debatten waarvan nu vrijwel niemand meer het gevoelige karakter kan begrijpen. Na vijf jaar lagen er dan toch een eerste gezamenlijke verklaring en een naam, maar het duurde nog eens vijf jaar, tot 1977, voor het drietal met één lijsttrekker de verkiezingen in ging. Zelfs na de officiële fusie van 11 oktober 1980 woedde het debat tussen de bloedgroepen door, de Tweede-Kamerfractie kampte tot 1984 met een groep dissidenten, die vonden dat het jonge CDA te veel naar rechts schoof.
Het resultaat van deze langgerekte ontstaansgeschiedenis was tweeledig. De partijen hadden hun jargon ontdaan van al te religieus getinte termen, geseculariseerd als het ware. Bovendien was een gezamenlijk ideologisch fundament ontstaan, opgebouwd rond partijnota’s als ‘Van verzorgingsstaat naar verzorgingsmaatschappij’ en 'Publieke gerechtigheid’. Een deel van de CDA-kernbegrippen - met name het bekende viertal gerechtigheid, gespreide verantwoordelijkheid, solidariteit en rentmeesterschap - had zijn wortels in de geschiedenis van de drie bloedgroepen. Maar daarnaast waren nieuwe, puur politieke principes geïntroduceerd, die aansloten bij het opkomende neoliberale denken, zoals het streven naar een 'terugtredende overheid’ en naar een 'zorgzame samenleving’ waarin burgers en maatschappelijke organisaties weer hun eigen verantwoordelijkheid zouden nemen, en waarin meer ruimte was voor de krachten van de vrije markt.
Het CDA was met deze ideologische vernieuwing in de jaren tachtig een voortrekker, en vormde zelfs een stimulans voor de PVDA, die haar antikapitalisme begon in te ruilen voor een meer 'marktsocialistische’ benadering.

DE JONGE fusiepartij was ook een electoraal succes. De eerste lijsttrekker, Dries van Agt, verrichtte een huzarenstukje door bij de verkiezingen van 1977 de grotere PVDA van Joop den Uyl van het pluche te stoten via een één-tweetje met VVD-leider Hans Wiegel. De wispelturige Van Agt was echter niet geschikt om het land door moeilijke tijden te loodsen, zo bleek toen in 1980 een recessie uitbrak. Zijn tweede kabinet, met de PVDA en D66, bleef maar acht maanden overeind. Hoewel de economische problemen zich opstapelden en het overheidstekort omhoog schoot, wist de populaire Van Agt een teruggang van het CDA bij de verkiezingen van september 1982 niet te voorkomen maar wel te beperken. Toen hield hij het voor gezien.
De eer om opnieuw een CDA-VVD-kabinet te vormen viel toe aan de 43-jarige Ruud Lubbers, die minister van Economische Zaken was geweest in het kabinet-Den Uyl (1973-1977) en daarna CDA-fractieleider in de Tweede Kamer. Die keuze was een gouden greep. Via het Akkoord van Wassenaar preste de jonge premier de vakbonden en organisaties van werkgevers tot loonmatiging en herverdeling van banen (via deeltijdwerk en arbeidstijdverkorting). Zijn no nonsense-bezuinigingsbeleid riep weerstand op, met als hoogtepunt de stakingen tegen de verlaging van de ambtenarensalarissen, najaar 1983. Maar de CDA-ministersploeg - met de kalme, openhartige Jan de Koning op Sociale Zaken, de stijve maar populaire Onno Ruding op Financiën, good looking Hans van den Broek op Buitenlandse Zaken en de jonge Elco 'knopen doorhakken’ Brinkman op WVC - beschikte over veel overtuigingskracht.
De beste communicator bleek Lubbers zelf. Hij ruilde zijn eerdere, wollige taalgebruik nu in voor krachtige aansporingen om 'de schouders eronder’ te zetten. Zijn politieke sleutelmoment was 27 oktober 1985. Er was een voorzichtig economisch herstel op gang gekomen, de werkloosheid nam niet meer toe, het financieringstekort daalde, de bevolking kreeg weer vertrouwen. Restte aan het eind van die kabinetsperiode nog één belangrijke kwestie, het voornemen tot plaatsing van Amerikaanse nucleaire middellangeafstandsraketten op Nederlandse bodem, als tegenzet tegen Sovjet-Russische SS20-raketten in Oost-Europa. Na enkele massademonstraties had het 'Komité Kruisraketten Nee’ liefst 3,75 miljoen handtekeningen verzameld. Lubbers verklaarde zich bereid die tijdens een manifestatie in de Houtrusthallen te Den Haag in ontvangst te nemen. Zijn speech werd direct verstoord door een fanfareorkest en een fluitconcert. Op het podium keerden actievoerders hem de rug toe, gevolgd door het grootste deel van het publiek. Maar Lubbers bleef onverstoorbaar, en legde uit dat hij met de plaatsing wilde bijdragen aan het einde van de Koude Oorlog. Geleidelijk werd het stil en het beeld dat televisiekijkend Nederland bijbleef was dat van een man die stond voor zijn overtuiging, niet bang was zich in het hol van de leeuw te wagen, en zijn waardigheid wist te behouden - wat van zijn tegenstanders met hun beledigende gebaar niet kon worden gezegd. Lubbers sprak 25 minuten, maar die leverden hem vele jaren van respect op.
Zeven maanden later won hij de verkiezingen met een landslide victory. De kiezers stroomden toe van links én rechts, uit kerkelijke en niet-kerkelijke hoek, zelfs jongeren zagen de partij wel zitten. Drie jaar had het CDA in de peilingen op verlies gestaan, nu steeg de partij dankzij het 'Lubbers-effect’ van 45 naar 54 zetels. Van Agt had de neergang gestuit, Lubbers had hem gekeerd. Nu moest het mogelijk zijn de partij uit te bouwen tot een brede middenpartij.
Die doorbraak slaagde niet. In 1989, na het vervroegde einde van zijn tweede kabinet, herhaalde Lubbers zijn kunstje. Het CDA haalde weer 54 zetels. De VVD, die flink was teruggezakt, maakte plaats voor de intussen aardig 'marktsocialistische’ PVDA met haar nieuwe leider Wim Kok. In 1990 vierde de partij een uitbundig jubileum. Een ontroerde Piet Steenkamp, die de drijvende kracht achter de fusie was geweest, citeerde trots de kranten: 'Het wonder van het CDA’, 'Het CDA is niet meer weg te denken’.
VIER JAAR LATER lag de droom in duigen. Bij de verkiezingen van 3 mei 1994 ging het gehele 'Lubbers-effect’ in één klap teloor en meer dan dat: het CDA zakte terug naar een schamele 34 zetels, ruim een derde verlies. Onder het succes bleek de erosie zich te hebben hervat. Mede door de bezuinigingen van de jaren tachtig had de partij haar trouwe achterban in het 'maatschappelijk middenveld’ van onderwijs, landbouw en gezondheidszorg en ook de ouderenbonden van zich vervreemd. Dat proces was versterkt door voorzitter Wim van Velzen. Die had de partij sinds zijn aantreden in 1987 bestuurd als een moderne manager, allerlei succesvolle lieden uit wetenschap, overheid en bedrijfsleven in zijn 'klankbordgroepen’ gehaald, en een 'personeelsbeleid’ voor Kamerleden geïntroduceerd met selectieprocedures, functioneringsgesprekken en outplacement bij ongeschiktheid. Veel oude getrouwen voelden zich in zo'n geoliede, yuppieachtige partijmachine niet langer thuis.
Daar kwam nog bij: het ideologische fundament bleek toch niet zo stevig. Tijdens Lubbers II en Lubbers III was regelmatig tweespalt ontstaan tussen rechtse, neoliberale CDA'ers als Ruding, Brinkman en Ad Kaland (voorzitter van de Eerste-Kamerfractie), en linkse partijkrachten als de keynesiaanse econoom dr. Bert de Vries (eerst fractieleider, toen minister van Sociale Zaken) of directeur Arie Oostlander van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA. De pragmaticus Lubbers had zich hier nauwelijks mee bemoeid, zodat die ideologische tegenstellingen bij nadering van de verkiezingen van 1994 ongehinderd hadden kunnen voortwoeden. Wat ook niet had geholpen, was dat Lubbers III nogal had geworsteld met tegenvallers en stroperige besluitvorming. Nieuwe economische tegenwind als gevolg van de Eerste Golfoorlog (1991) had spanningen veroorzaakt tussen de CDA- en PVDA-ministers, in de coalitiefracties waren klachten gerezen klachten over Lubbers’ al te superieure politieke stijl vol 'bilateraaltjes’ en 'achterkamertjesoverleg’, en na een bijna-kabinetscrisis had vrijwel het hele jaar 1993 in het teken gestaan van moeizame discussies over hervormingen in de sociale zekerheid.
De meeste schade was echter aangericht door een openlijk conflict tussen Ruud Lubbers en Elco Brinkman, die hem moest opvolgen als minister-president. Brinkmans kandidatuur was min of meer uit nood geboren. In 1989, bij de wisseling van Lubbers II naar III, hadden de premier en zijn hoofdadviseurs - oud-premier Norbert Schmelzer en Lubbers’ trouwe politieke metgezel Jan de Koning - zich gebogen over zijn opvolging. De drie kandidaten, Ruding, Van den Broek en Brinkman, moesten zich eerst maar eens verbreden op andere posten, had Schmelzer geopperd. Maar Ruding, die regelmatig met Lubbers in conflict was geweest, had de politiek de rug toegekeerd, terwijl Van den Broek had geweigerd om Buitenlandse Zaken te verlaten. Alleen Brinkman had ingestemd, die was leider van de Tweede-Kamerfractie geworden.
Eind '89 had Ruud Lubbers publiekelijk laten doorschemeren dat hij Elco Brinkman wel een geschikte kandidaat vond. Voorjaar '92 had hij dat nog eens uitdrukkelijk bevestigd voor de camera van KRO Reporter. Het probleem was: de kroonprins was zich vooruitlopend op zijn toekomstige status alvast als uitverkorene gaan gedragen, en had meer aandacht besteed aan zijn imago dan aan zijn fractie of het politieke handwerk. Zijn kritiek op het kabinet was steeds scherper van toon geworden, maar op cruciale momenten - zoals tijdens de WAO-crisis van januari '93 - had hij vaak bakzeil moeten halen. Zijn rechts-populistische toon had meer en meer ergernis opgeroepen bij de linkervleugel van het CDA, waar soms openlijk werd getwijfeld aan zijn geschiktheid als toekomstig leider. Die ergernis had een dieptepunt bereikt in de zomer van 1993. Onder regie van Brinkman was een verkiezingsprogram verschenen met onverhuld rechtse trekken, dat door Lubbers en de CDA-bewindslieden als ronduit schofferend was ervaren, en dat bovendien van het Centraal Planbureau een dikke min had gekregen voor zijn werkgelegenheidseffecten. In het najaar van 1993 - zes maanden voor de verkiezingen - had Brinkman Lubbers’ vertrouwen helemaal verspeeld door een van diens uitgekookte politieke manoeuvres nogal lomp te verstoren.

HET CDA HEEFT geen jota van het verkiezingsdebacle van 1994 geleerd, zo valt in het rapport-Frissen te lezen. Onder de sociaal/liberale kabinetten van Wim Kok (1994-2002) gaf Nederland zich over aan ongeremd economisch optimisme en 'individuele ontplooiing’ (zo ziet Frissen het, althans). Al feestend lieten de 'paarse’ coalities een aantal belangrijke maatschappelijke vraagstukken, zoals die rond de gezondheidszorg en de integratie van allochtonen, liggen. Het verzwakte en verdwaasde CDA had daar geen ideologische antwoorden op, ook het Wetenschappelijk Instituut niet, waar Jan Peter Balkenende toen als stafmedewerker aan verbonden was. De kritiek op 'Paars’ werd volledig gemonopoliseerd door de columnist en pamflettist Pim Fortuyn, die zich met scherpe tong en populistische pen beklaagde over de technocratische, 'verweesde’ samenleving en de 'islamisering van onze cultuur’. In 1998 zakte het CDA nog verder weg, naar 29 zetels. Weer volgde geen serieuze herbezinning. In plaats daarvan dook de partij (in 2001) in een machtsstrijd tussen fractieleider Jaap de Hoop Scheffer en partijvoorzitter Marnix van Rij.
De 'jaren in de woestijn’ noemt men in het CDA de moeizame jaren negentig. Het einde van die barre periode diende zich aan in 2002. De onverwachte winnaar van de strijd om de politieke leiding, de 46-jarige jurist en historicus Jan Peter Balkenende, had maar enkele jaren parlementaire ervaring. De rol van lijsttrekker lag hem wel. Hij ontpopte zich als 'een fris gezicht’, schrijft Frissen, met zijn 'positieve politieke agenda’ rond normen en waarden en zijn simpele, opgewekte slogan 'Anders en beter’.
Niettemin, het is de vraag of hij zonder de moord op Fortuyn premier was geworden. Die moord, enkele dagen voor de verkiezingen, sloeg vooral terug op de PVDA, die werd gehalveerd. In alle ontreddering van die dagen zagen veel kiezers het CDA als het enige stabiele reddingsvlot. Het zeteltal steeg van 29 naar 43. Hoewel nog niet lang op krachten, werd de partij, door de hand van de moordenaar van Fortuyn, terug in het centrum van de macht geschoven.
Dit ontijdige geschenk is eerder een vloek dan een zegen geweest. Terug op het pluche raakte het CDA in een katatone verlamming. De partijtop schoof de broodnodige interne discussie over de politieke strategie op de lange baan, uit angst dat zo'n exercitie tot verdeeldheid en nieuw electoraal verlies zou leiden. Er was geen aandacht meer voor het opkweken van nieuw politiek/bestuurlijk talent. De selectiecriteria voor Kamerleden hadden hooguit symbolische waarde, in de praktijk hadden de provinciale afdelingen voorrang bij de samenstelling van de kandidatenlijsten. Meer en meer ontwikkelde de partij zich tot een banenmachine. Balkenende gaf zelf het voorbeeld. Bij de vorming van Balkenende IV in 2006 promoveerde de premier een groot deel van de partijtop naar het kabinet: partijvoorzitter Marja van Bijsterveldt, penningmeester Jan Kees de Jager, de directeur van het Wetenschappelijk Instituut Ab Klink, campagneleider Jack de Vries, fractieleider Maxime Verhagen, en de CDA-leider in het Europees Parlement, Camiel Eurlings.
Intussen bleven de partij en de fractie verzwakt achter, met een voorzitter (Van Heeswijk) die niet bestand was tegen het machtsblok in het kabinet en een fractieleider (Van Geel) zonder parlementaire ervaring. Veel plezier beleefde Balkenende overigens niet aan die kannibalisering. Zijn vierde kabinet was toch al een 'argwanend verstandshuwelijk’ (Frissen) tussen CDA en PVDA (en ChristenUnie). Maar ook zijn 'vriendenclub’, het CDA-smaldeel, hing als los zand aan elkaar en was regelmatig het toneel van onenigheid. Fractieleider Van Geel heeft kennelijk zijn uiterste best gedaan om potentiële conflicten in de coalitie en in eigen gelederen te blussen. Het enige wat nog verrassend goed ging, was de reactie op de bankencrisis.

DIT OVERZIEND lijkt de crisis van 2010 veel ernstiger dan die van 1994. De fouten van toen vallen vooral in de categorie 'zwakke regie’. Voorzitter Van Velzen had eigenlijk geen belangstelling meer voor de partij en wilde liefst naar een politiek-bestuurlijke functie (hij ging na het debacle van '94 het Europees Parlement in). Vertrekkend premier Lubbers was oververmoeid en te zeer in beslag genomen door zijn politieke manoeuvres. De enige fundamenteel verkeerde zet, zo men wil, was de keuze van Brinkman als lijsttrekker, een keuze die bovendien te vroeg viel.
De fouten achter de crisis van 2010 vergen zwaarder vocabulaire. Men leze hoe het rapport-Frissen de aanloop naar de verkiezingen van juni beschrijft. Balkenende had zich geleidelijk omringd met een 'ijzeren ring’ van persoonlijke adviseurs (zoals Jack de Vries) en was niet meer toegankelijk voor kritiek. Hoewel hij duidelijk zijn uiterste houdbaarheidsdatum naderde, had partijvoorzitter Van Heeswijk een discussie over zijn opvolging uitgesteld. Toen Balkenende IV van 19 op 20 februari 2010 onverwacht viel, ruim een jaar voor de officiële einddatum, raakte de voorzitter in paniek. Nog die nacht vroeg hij de premier opnieuw lijsttrekker te worden en riep het partijbestuur bijeen om die voordracht te bevestigen. In de haast schoof dat bestuur de volgende ochtend de twijfels over zo'n vierde lijsttrekkerschap én de alternatieven terzijde. Een keus voor Maxime Verhagen durfde het bestuur niet aan, de minister van Buitenlandse Zaken lag op dat moment politiek minder goed in de markt door de discussies over de voortzetting van de militaire missie in Afghanistan. De jonge, populaire Camiel Eurlings had zich eerder afhoudend getoond en voorzover bekend nam niemand op dit cruciale moment de moeite hem de vraag nog eens indringend te stellen.
Amateurisme, gebrek aan professionaliteit, andere woorden zijn hier niet voor, en dat geldt ook voor de manier waarop de CDA-kandidatenlijst en het verkiezingsprogramma tot stand zijn gekomen. 'In een ideaal fractieconcept zitten een kandidaat-voorzitter, markante parlementariërs, pittige woordvoerders, (…) en een impuls van nieuw talent’, schrijft Frissen, om direct te vervolgen: 'zo'n concept ontbrak’. Dat ontbreken, weten we dankzij dit heldere rapport, was het gevolg van een jarenlang verwaarloosde talentontwikkeling, van kannibalisering van de partijtop en van een partijcultuur die zich kenmerkte door opportunisme en baantjesjacht. Weer buitelden de afdelingen over elkaar heen om plaatsen op de lijst te bemachtigen, weer ging het 'vrijwel uitsluitend om regionale spreiding, denominaties [de oude CDA-bloedgroepen], en vrouwen op de lijst’. Omdat een decennium lang nauwelijks over koers en strategie was nagedacht, bleek het nu onmogelijk om in een paar maanden tijd een aansprekend verkiezingsprogramma te schrijven. Ook de premier had kennelijk geen ideeën meer, het enige dat eruit rolde was een bezuinigingsplan.
Het grote verschil tussen 1994 en 2010 is kortom dat het CDA nu behalve met gebrek aan regie en een slechte opvolgingsplanning ook kampt met inhoudelijke leegte, een gebrek aan politiek/bestuurlijke kwaliteit in de top en een gecorrumpeerde organisatiecultuur. Problemen van die aard en omvang zijn niet met een jaartje uitzieken weg te werken, weten we uit het bedrijfsleven. Er zijn slechts twee uitwegen: drastisch ingrijpen of de ondergang. Van de neiging tot het eerste was op het congres van afgelopen zaterdag weinig te bespeuren.

Marcel Metze schreef in 1995 De stranding over het CDA-verkiezingsdebacle van 1994