Slechts in naam democratisch

De mislukte Ruslandproef

Jeltsin laat een politiek systeem achter dat slechts in naam democratisch is. Grote kans dat het Russische experiment ook onder Poetin zal falen.

VOORMALIG PRESIDENT Boris Jeltsin laat met zijn aftreden op oudjaar een autoritaire
erfenis aan Rusland na. De man die door de Amerikaanse president Clinton wordt geprezen
als sloper van het communisme en bouwer van een nieuw bestel laat een systeem na dat
alleen uiterlijk lijkt op een democratie. Politicologe Lilia Sjevtsova meent dat dit
systeem in wezen autocratisch is: ‘De essentie van dit systeem is de almacht van de
president tegelijk met de totale afwezigheid van een plicht om zich te verantwoorden.’ De
grondwet (die Jeltsin na een militaire aanval op het parlement in 1993 heeft weten door te
drukken) geeft de president vrijwel onbegrensde bevoegdheden. Hij kan politieke
tegenstanders volledig negeren. Hij bewijst hun een gunst indien hij naar hen luistert.

Door middel van de grondwet heeft Jeltsin het parlement politiek overbodig gemaakt. Een
prominente Jeltsin-getrouwe afgevaardigde, Vladimir Ryzjkov, stelt dat het parlement zich
aan de periferie van de politiek bevindt: 'Wat we hier zien is niet de ontwikkeling van
een meerpartijenstelsel, maar zijn vernedering. Partijen zijn samengedreven in een
reservaat dat Doema heet.’ De president kan de onmachtige Doema-leden naar wens bevelen.
Zij nemen in de regel vrijwel al zijn kandidaat-premiers aan, evenals zijn begrotingen en
wetsvoorstellen. Hoewel er soms oprispingen van ongehoorzaamheid zijn, wint het
eigenbelang het in het parlement veelal van de politieke stellingname. Uiteindelijk tellen
voor de afgevaardigden de onschendbaarheid en de privileges zwaarder dan de eigen
standpunten die door de president genegeerd kunnen worden. Derhalve heeft het parlement de
president nimmer durven afzetten en is het slechts eenmaal dicht bij het blokkeren van een
door Jeltsin gewenste premier gekomen.

Ook de regering had onder Jeltsin niet veel eigen speelruimte. Afgevaardigde Ryzjkov wees
talloze aanbiedingen van ministersposten af. 'Het is momenteel zinloos om in de regering
te werken. Men kan daar absoluut niets tot stand brengen. Mensen stappen nu vaak in de
regering om aan het begrotingsgeld te kunnen zitten. De politieke klasse is helaas erg
inhalig.’ Met het aantreden van Jeltsins uitverkoren Vladimir Poetin als premier, augustus
vorig jaar, degradeerde de president de regering tot presidentieel aanhangsel. Jeltsin
verklaarde bij die gelegenheid dat zijn staf en die van de regering nauw zouden
samenwerken: 'Toen we verdeeldheid hadden in het verleden heeft dit nooit tot iets goeds
geleid. Uiteindelijk verloor de premier altijd. En dat is natuurlijk.’ De president liet
daarop volgen: 'We moeten de soort discipline instellen die de mogelijkheid uitsluit dat
iemand in de regering in staat zou zijn een beslissing van de president te vertragen.
Mensen die vertragen, moeten onmiddellijk van hun posities
worden verwijderd.’ Natuurlijk haastte Jeltsin zich tevens te verklaren dat de regering
volledig onafhankelijk zou zijn.

Zoals het er nu naar uitziet blijkt Jeltsin aan het einde van zijn ambtstermijn zelfs
machtig genoeg om zijn eigen opvolging in de persoon van Poetin te regelen. Daarmee zou
hem iets lukken wat geen leider van de communistische staat vóór hem ooit
lukte. Tevens is hem met zijn familie door Poetin immuniteit geschonken met 'wettige,
sociale en andere garanties’ tegen eventuele aanklachten in de toekomst. Deze immuniteit
is van des te groter belang omdat Jeltsin als president niet alleen formeel maar ook
informeel kon doen en laten wat hij wilde. Hij stelde zelf zijn team van medewerkers samen
en schroomde daarbij niet zijn dochter als spin in het web aan te stellen. Om hen heen
bevond zich een familie van wisselende samenstelling. Deze familie stond onder steeds
heviger verdenking van corruptie, witwaspraktijken, het doorsluizen van IMF-gelden en het
uitdelen van belastinggeld en staatsbedrijven. Om zich aan de verdenkingen te onttrekken
werd geen middel geschuwd. Het Kremlin bediende zich van dreigementen en
laster, van propaganda en het oprichten van nieuwe politieke partijen. Voor zijn
aftreden zei nog slechts twee procent van de Russen vertrouwen te hebben in Jeltsin.



NIET ALLEEN HET politieke systeem is slechts in naam democratisch. Ook de pers is verre
van vrij. De aandacht van de politiek voor de media begon mogelijk met de eerste oorlog in
Tsjetsjenië. Door de kritische verslaggeving over de zinloze gruwelen verloor Jeltsin
veel van zijn populariteit. Om zijn herverkiezing tot president in 1996 desondanks te
verzekeren, werd door Jeltsins campagneleiders op grote schaal waar mogelijk propaganda
bedreven en waar nodig advertentieruimte gekocht. Het binnengestroomde geld maakte de
media tot aan de economische crisis van 1998 in een klap zelfstandig. Echter, toen met de
crisis in augustus de inkomsten uit advertenties op grote schaal wegvielen, verkochten
veel bladen en stations zich aan politieke sponsors. De openbare zenders kwamen eveneens
volledig onder politieke controle. Deze trend voltrok zich niet alleen landelijk maar
eveneens op plaatselijk niveau. Ook de regionale media werden een voor een ingekapseld in
de machtsapparaten van plaatselijke politieke bonzen. Igor Javonenko, secretaris-generaal van de Journalisten Unie, schat dat de helft van alle
inkomsten van media uit sponsoring komt en bijna een kwart uit politieke advertenties.
'Media-uitingen die nieuws brengen en objectieve informatie over gebeurtenissen of passend
commentaar daarop, zijn afwezig.’

In de parlementsverkiezingen van vorig jaar waren de media speelbal van een aantal
rivaliserende groepen. Met name gooiden de speeltjes van de tycoons Goesinski en
Berezovski met modder, het liefst naar elkaar. Vrijwel zonder pauze volgden uitzendingen
vol zogenaamde onthullingen elkaar op. Maar ook de officiële politiek liet zich niet
onbetuigd. Vorig jaar juni zag een nieuw ministerie het leven, het ministerie voor Pers,
Televisie, Radio en Massacommunicatie. De toenmalige premier Stepasjin legde de functie
uit: 'Het federaal orgaan zal worden ingesteld om de propagandafuncties van de staat te
consolideren en informatie te verspreiden aan Rusland en de GOS-landen.’ Aan het hoofd van
het ministerie kwam Michail Lesin te staan, een van de bedenkers van Jeltsins
propagandacampagne in 1996.

Na het ministerie volgden nog vele nieuwe organen, bureaus en instanties, alle bedoeld om
de informatiestromen te reguleren en al te hevige aanvallen op het Kremlin af te weren.
Met name de nieuwe oorlog in Tsjetsjenië en de verkiezingen dienden als nuttige
voorwendsels om de vrijheid van meningsuiting aan banden te leggen. In november klaagde de
krant Izvestija over de gevolgen van de scherpe verkiezingswet: 'Recente ontwikkelingen
geven grond om te verklaren dat de wet de rechten schendt van burgers, inclusief die van
journalisten.’ Minister Lesin meldde daarover bezorgd te zijn, maar hij verdedigde het
beleid tegelijk: 'We roepen onder geen omstandigheden op tot censuur. Maar we zijn nu wel
de verkiezingsfase ingegaan.’



VOOR ZOWEL DE politiek als de pers geldt dat er geen democratische alternatieven zijn
voor het huidige bestel. De uitdagers van Poetin zijn kleine Jeltsins die evenals hij
mediarijken beheren, geldschieters om zich heen verzamelen en propaganda verspreiden. Het
blok van de Moskouse burgemeester Loezjkov en voormalig premier Primakov, dat in de
parlementsverkiezingen als derde eindigde na de communisten en de nieuwe pro-Jeltsin en
pro-Poetin-partij Eenheid, beklaagde zich in een open brief aan Jeltsin: 'De autoriteiten
oefenen openlijk druk uit op nieuwsmedia, zowel de commerciële als de publieke. Na
acht jaren van hervorming is de vrijheid van meningsuiting, die u altijd hebt gezegd te
behartigen, in reëel gevaar. Er zijn steeds meer tekenen dat politieke censuur wordt
uitgeoefend door uw ondergeschikten uit uw naam.’ Maar Loezjkov liet in zijn eigen Moskou
de brandweer de door Berezovski overgenomen krant Kommersant sluiten voor inspectie.

Premier Poetin moest eraan te pas komen om de krant weer te laten verschijnen. Algemeen directeur van Kommersant Leonid Miloslavski reageerde woedend: 'Als
alleen een premier in staat is een krant te verdedigen tegen brandweerinspecties, dan
leven we nog onder een sovjetmacht.’

Ook andere presidentiële kanshebbers als communistenleider Zjoeganov, populist
Zjirinovski en generaal Lebed strooien met verdachtmakingen, halve waarheden en leugens.
De barse generaal bromde zelfs dat de Tsjetsjeense rebellenleider Sjamil Basajev een
voormalig KGB-agent is en het op een akkoord heeft gegooid met het Kremlin. Het doel zou
zijn een algehele terreur te veroorzaken om een excuus te hebben voor het instellen van
een Russische dictatuur. Econoom Javlinski, die door een deel van de kiezers wordt gezien
als de enige fatsoenlijke politicus, komt eveneens met onbewezen verhalen over corrupte
ministers en ambtenaren. Ook zijn vermeende vriendschap met mediatycoon Goesinski maakt
hem geen geloofwaardige democraat. Wel is hij een van de weinigen die zich tegen de harde
oorlog in Tsjetsjenië uitspreekt. Hij heeft daarbij bijval gekregen van het blok van
Primakov en Loezjkov, waarschijnlijk uit tactische overwegingen omdat een groot deel van
Poetins huidige populariteit steunt op zijn Tsjetsjenië-campagne.

Het laatste bastion van de democratie na de politiek en de media zouden de mondige burgers
kunnen zijn. Uit onderzoeken blijkt dat veertig procent van de Russen bereid is onbetaald
bij te dragen aan de opbouw van een civil society. Maar het wantrouwen jegens instituties
als politieke partijen, overheidsorganen en ook de kerk is volgens enquêtes
buitengewoon groot. Daarom zegt maar ongeveer zes procent zich te willen inspannen voor
het algemeen belang onder begeleiding van bijvoorbeeld een overheidsorgaan. De krant
Izvestija concludeert dat zo de 'impulsen van miljoenen verloren gaan’.

Tegelijk neemt
onder de bevolking de nostalgie naar het verleden steeds grotere vormen aan. Op de vraag
of het niet beter zou zijn als het land zich in de situatie van voor de perestrojka zou
bevinden, antwoordde 44 procent van de ondervraagden in 1994 met ja. In 1999 was dat 58
procent. Tevens keren steeds meer Russen zich af van de democratische grondrechten. In
1994 verklaarde eenderde een meerpartijenstelsel slecht te vinden. In 1999 verwierp de helft dat stelsel. Persvrijheid en vrijheid van meningsuiting
werden in 1994 door 23 procent van de Russen afgekeurd. Vorig jaar deed 32 procent dat.
Op de plaats van de democratische waarden komt voor velen een Russisch patriottisme.
Terwijl in 1989 29 procent van de ondervraagde Russen zei trots te zijn sovjetmens te zijn,
laat in 1999 43 procent van de Russen weten trots te zijn om Rus te zijn. Van bovenaf
wordt het nationalisme aangewakkerd door de oorlog van Poetin en door een nieuw ministerie
dat zich bezighoudt met de problemen van etnische Russen in Rusland.

In de intelligentsia
wordt een discussie aangezwengeld of men als democraat niet ontworteld is als men niet ook
past in de Russische tradities. Commentatrice Joelia Berezovskaja vatte in de Izvestija
naar aanleiding van de Kosovo-oorlog de verwarring binnen de intelligentsia samen: 'Het
gordijn dat Rusland scheidt van het sociale en intellectuele leven in het Westen heeft
bewezen duurzamer te zijn en langduriger dan de Berlijnse Muur. Door een mythologische
agressor te stigmatiseren heeft onze elite haar diepe provincialisme getoond. De
Balkanoorlog heeft een verschrikkelijke waarheid aan het licht gebracht, niet over de Navo, maar over Rusland waar de zogenaamde mensenrechten
nooit een fundamentele waarde zijn geworden.’



DE VERWACHTINGEN die na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie gangbaar waren, blijken na
het bewind van Jeltsin niet uitgekomen. Democratie, rijkdom en sociale rust leken in 1991
binnen handbereik. De president verontschuldigde zich dan ook in zijn afscheidsrede 'omdat
veel van onze hoop niet is uitgekomen, omdat wat we dachten dat eenvoudig zou zijn,
gebleken is pijnlijk moeilijk te zijn. Ik vraag vergiffenis voor het niet vervullen van
sommige wensen van hen die geloofden dat we in staat zouden zijn in een keer te springen
van het grijze, totalitaire verleden in een lichtende, rijke en beschaafde toekomst.’

Het grote probleem van Rusland is volgens mensenrechtenactivist Boris Altsjoeler dat er
geen controlerende instanties bestaan die mensen verantwoordelijk kunnen houden voor hun
gedrag. 'In een notendop hebben we ze nodig zodat zíj, de bazen en bureaucraten,
bang zullen zijn dat hun daden onthuld worden.’ Nu heeft men van almachtige president tot
kinderjuf vrij spel. Jeltsin heeft nimmer werkelijke institutionele waakhonden ingesteld.
En het is zeer de vraag of Poetin, die als waarnemend president zijn gehechtheid aan de
democratie benadrukt, dit wel zal doen. De immuniteit die Poetin aan Jeltsin heeft
verleend, wijst in ieder geval niet in deze richting. Evenmin wijst zijn oorlog met
Tsjetsjenië daarop. In zijn eerste presidentiële tekst wees Poetin bovendien op
het unieke karakter van zijn land: 'Rusland zal nooit een nieuw Verenigde Staten of
Engeland worden, waar liberale waarden diepe historische wortels hebben.’ Behoudens een
klein wonder is de democratie in Rusland als experiment mislukt.