Mark Twain, Het leven op de Mississippi

De Mississippi, moordrivier

In ‹Het leven op de Mississippi› doet Mark Twain verslag van de ontdekking van en de allereerste reizen over die «majestueuze, magnifieke» rivier. Daarbij toont de roman de grote negentiende-eeuwse veranderingen in de Amerikaanse maatschappij, met als scharnierpunt de Burgeroorlog tussen het Noorden en het Zuiden.

Om de verschijning van de paperbackeditie én de audioversie van De kleine vriend op te luisteren deed Donna Tartt begin september heel even Nederland aan. In een openbaar interview met Bas Heijne ging ze in op de invloed die de oude Grieken op haar werk hebben gehad. Sophocles’ overtuiging dat kwaad tot een eindeloze kettingreactie van kwaad leidt, vormt niet alleen de basis van The Secret History, een gewelddadig bacchanaal onder studenten. Het manmoedige meisje Harriet, wreekster van haar vermoorde broertje, staat in De kleine vriend aan de wieg van een geweldsuitbarsting als zij onvermoeibaar jacht maakt op de vermeende moordenaar. Zij is een typische Amerikaanse heldin. De Zuidelijke staat Mississippi noemde Tartt «een soort Japan: beschaafd aan de oppervlakte en daaronder fundamenteel geweld dadig». Op de autonummerborden prijkt dan wel de bijnaam «The Hospitality State», de traditie van het Diepe Zuiden wil dat als je er niet helemaal bijhoort je de kans loopt «achter een schuurtje afgemaakt te worden». Hostility in plaats van hospitality. Wie William Faulkner (Sanctuary) heeft gelezen, zal deze uitspraak van Tartt niet meteen overdreven in de oren klinken.

Maar de kritiek op het slavenhandel verslaafde en haatdragende Diepe Zuiden klonk al veel eerder. De Britse kapitein-ter-zee Marryat — auteur van zeeverhalen en toonbeeld van het zogenaamde beschaafde Europa — schreef al in 1837 onverbloemd dat er nooit in de historie van de mensheid «een eeuw geweest [is] van zo’n onophoudelijke en doortrapte misdadigheid als we vinden in de geschiedenis van de turbulente en bloed bevlekte Mississippi. Het uiterlijk van de rivier zelf lijkt toepasselijk voor de daden die hier zijn begaan.» Voor hem is de Mississippi een woeste stroom, een troosteloze stortvloed beladen met slib, een groot gemeenschappelijk riool. Zijn woorden zijn bewaard gebleven omdat Mark Twain, die van 1857 tot 1861 als loods op Mississippi-raderboten werkte, hem een kwart eeuw later zonder veel tegenspraak citeerde in Het leven op de Mississippi (1882-1883), een meeslepend literair-historisch verslag vol sterke verhalen en levens ervaring rond een van de langste en veranderlijkste rivieren ter wereld. Veranderlijk omdat de rivier haar eigen kronkelige loop voortdurend weet in te korten door afsnijdingen. «De rivier was toen ontzaglijk verlaten. En voor het grootste deel van haar loop is zij dat nog steeds.» Deze «majestueuze, magnifieke» Mississippi stroomt van boven de Twin Cities in het Noorden (Minneapolis/St. Paul) tot voorbij New Orleans en braakt niet alleen haar modder maar ook vele lijken uit in de Golf van Mexico.

Mark Twain (1835-1910; geboren in het gehucht Hannibal, Missouri, aan de Missisippi) pendelde zijn leven lang tussen het Noorden en Zuiden. Niet alleen als loods, journalist of als welbespraakt spreker in het openbaar, maar ook als beweeglijke en sceptische denker die handelde in vele waarheden en nog meer sterke verhalen. De slavernij en de religie waren voor hem de twee grootste stenen des aanstoots. Toen hij in 1882 voor Het leven op de Mississippi in het Zuiden terugkwam en terugkeek op zijn kortstondige bestaan als loods was de slavernij weliswaar afgeschaft en de helft van het Zuiden vrij, maar «de blanke helft schijnt nog net zo ver van emancipatie verwijderd te zijn als altijd».

In een magistraal en cynisch fragment over de mentaliteit van het Diepe Zuiden beschrijft Twain een vooroordeel: «In het Noorden denkt men dat het Zuiden een groot, bloederig moord- en doodslagtoneel is, dat iedereen wapens draagt en dat iedereen vroeg of laat wel eens een naaste van het leven berooft. Het tegendeel is waar: verreweg de meeste Zuiderlingen dragen geen wapens en maken geen ruzie.» Maar toch, zo vervolgt hij, kan één heethoofd, één «kleine middenstander in schurkenstreken» à la Jesse James, een Zuidelijk stadje terroriseren. Bovendien is er een hardnekkige traditie van eigen rechtertje spelen (Donna Tartts De kleine vriend) als men gerechtelijke dwalingen meent te bespeuren en jury’s door intimidatie in gebreke blijven. Dan heersen volkswoede, massahysterie en lynchpartijen. Ziet u wel, schrijft Mark Twain dan spottend en bijtend, die Zuiderlingen zijn tegen moord en moordenaars. Ze voeren hun zogenaamde daden van openbare gerechtigheid echter wel vaak gemaskerd uit. Het gezag zal hen achteraf niet echt lastigvallen «en ze weten dat de gemeenschap hun daad zal toejuichen. Toch vermommen ze zich.»

Veranderlijkheid en vermomming zijn de twee kernwoorden waar Het leven op de Mississippi om draait. In de negentiende eeuw van stoomboot en trein trad een nieuw wezen de Amerikaanse literatuur binnen: de reiziger. Hij liet zijn vertrouwde omgeving achter zich en trok anoniem door de wereld op weg naar nieuwe oorden en nieuwe grenzen. Onderweg veranderde hij, of hij deed zich als iemand anders voor. De Amerikanen vonden voor die kosmopoliet vol gedaanteveranderingen zelfs een dubbelzinnige term uit: confidence man, letterlijk te vertalen als «vertrouwensman». Als zo’n rondtrekkende man met zijn sterke verhalen eenmaal jouw vertrouwen had gewonnen en je gevoel voor naastenliefde aangesproken, ontpopte hij zich als con man: oplichter, leugenaar, afzetter. De con man maskeerde zijn ware identiteit (maar had hij die wel?) achter een scherm van mooie en warme woorden. Hij was een entertainer en vormde in zijn eentje een hele amusements industrie. Hij was de nieuwe Amerikaan die zijn oude Europese identiteit van zich af wist te praten om te kunnen overleven. Herman Melville schreef een schitterende roman over die nieuwe reiziger en handelaar in identiteiten (The Confidence-Man, 1857), die zich afspeelt rond de eerste april op raderboot Fidèle (schip vol narren) op de Mississippi.

Het zou onjuist zijn om te zeggen dat Mark Twain, liefhebber van de literaire hyperbool, op Melville voortborduurt. Want hoewel Het leven op de Mississippi boordevol sterke verhalen zit — een surrealistische ballonvaart; een indianenverhaal over een hoofd dat nooit doodging; een gothic story over moord en schijndood; loodsen die hun goedgelovige leerlingen voor de gek houden — blijft Twains meesterwerk in wezen een uit gebreide geschiedenis van de Mississippi waar de schrijver zijn persoonlijke loodsrelaas doorheen strooit. De opbouw is die van de improvisatie, van de hak op de tak, naar bevind van zaken, ogenschijnlijk willekeurig. Mark Twain — de beroemde auteur van The Adventures of Tom Sawyer (1876) en nog worstelend met Huckleberry Finns vervolg avonturen op de Mississippi — reist in 1882 op comfortabele wijze en deels incognito over zijn oude vertrouwde rivier en doet verslag van de ontdekking van de Mississippi en de allereerste reizen over de rivier. Met weemoed kijkt hij terug op een verdwenen tijd waarin de loods zo’n machtspositie innam dat hij dankzij de categorale vakbond van loodsen heel veel verdiende, door zijn cruciale rivierkennis boven de kapitein stond en over leven en dood beschikte.

De Burgeroorlog en de opkomst van de trein maakten een einde aan de oppermacht van de raderboot. Dat alles krijgt de lezer gedocumenteerd en verhalenderwijs opgedist. Zo krijgt hij niet alleen een schat van informatie over opkomst en ondergang van de raderboot tussen 1820 en 1860 maar tegelijkertijd tussen de regels door een fragmentarisch verslag tussen feit en fictie van de grote negentiende-eeuwse veranderingen in de Amerikaanse maatschappij. Met als scharnierpunt de Burgeroorlog tussen het Noorden, dat zijn eigenbelang voorbeeldig in het oog hield, en het Zuiden, een gevecht dat over veel meer ging dan de slavernij. Er woedde ook een mentaliteitsstrijd, vaak vermomd als godsdienstoorlog. Twain blijft fulmineren tegen de hypocriete religieuze moraal die de ene mens boven de andere stelt en die jongleert met het begrip Voorzienigheid. «Men klaagt dat de planters sinds de oorlog onvriendelijk zijn gebleven tegenover de vroegere slaven.» In die zin zit Twains aanklacht verborgen tegen het verdwijnen van onafhankelijk denken in het Zuiden.

Wie Het leven op de Mississippi aandachtig leest, merkt dat het boek gaat over de botsing tussen beschaving en barbarij, over het verlangen naar onbegrensde vrijheid (de avonturenzucht van Huck Finn!) en de grenzen van de maatschappelijke moraal. Jammer dat we niet uit het leven kunnen ontsnappen als we jong zijn, verzuchtte Mark Twain eens. Het was een verlangen dat hij projecteerde in Huck Finn, dat hij tijdelijk bevredigd zag in het vorstelijke en vrije beroep van rivierloods. Maar niemand kan een jonge hond blijven en ongebonden van hot naar her reizen en zwerven. Vlak voor zijn huwelijk schrijft hij aan zijn toekomstige vrouw: «Jij zult mijn hele ongeregelde leventje opruimen als we getrouwd zijn & me beschaven…, toch?»

De meest pregnante literaire beelden in Het leven op de Mississippi zijn voor mij die van Don Quichot en Ivanhoe. Sir Walter Scott dient als kop van jut als Twain beweert dat die sentimentele en romantische Brit het volkskarakter van het Zuiden negatief heeft beïnvloed. Cervantes’ creatie is hem veel liever. Want Don Quichot maakte met één klap een einde aan alle middeleeuws-ridderlijke flauwekul. Helaas bracht Scott die weer terug: «Wat het Zuiden betreft is het goede werk van Cervantes vrijwel helemaal tenietgedaan, zo grondig heeft Scotts schadelijke werk het ondermijnd.»

Ziehier de invloed van de literatuur, door de ogen van Mark Twain dan, hartstochtelijk schrijver en liefhebber van de overdrijving die vaak een kern van waarheid bevat.

Mark Twain

Het leven op de Mississippi

Vertaald door Johan Hos

Uitg. Contact, 456 blz., € 24,90