Het afscheiden van België in 1830 was een kapitale vergissing

De misstap der Belgen

Het opheffen van het verbond tussen België en Nederland was een van de meest kapitale vergissingen van de negentiende eeuw. Misschien had de Belgische Opstand van 1830 voorkomen kunnen worden. Met alle gevolgen van dien.

Bezoekers uit België krijgen gratis toegang tot de expositie Broedertwist in het Noordbrabants Museum in Den Bosch. «Om het weer goed te maken, 175 jaar na onze Broedertwist», staat er in de folder. Hier breekt mijn Hollandse klomp! Wie heeft hier iets goed te maken? Wie zijn de stommeriken die veroorzaakt hebben dat het Verenigd Koninkrijk uit elkaar viel?

De vereniging van de Lage Landen in de zestiende eeuw was weliswaar onder vreemde heerschappij geweest, maar er was een zekere saamhorigheid door ontstaan. De Tachtig jarige Oorlog maakte daar een einde aan. Gescheiden gingen ze huns weegs: de Noor delijke Nederlanden als republiek, de Zuidelijke Nederlanden onder wisselende heersers met Spaanse, Franse of Oostenrijkse banden. Tot de heerschappij van Napoleon kwam. Na zijn val had Engeland de beslissende stem: tussen Frankrijk en de oversteek naar Engeland moest een stevige buffer komen. De Verenigde Nederlanden zouden die kunnen vormen. De grote mogendheden waren het daarover eens; ook de zoon van de overleden laatste stad houder, die gedurende de hele Franse tijd plannen had gesmeed om naar Nederland terug te keren, had daar oren naar. Hij reisde schielijk naar Londen om zijn positie veilig te stellen. Hij kreeg de troon mét gebiedsuitbreiding in de schoot geworpen, kroonde zich tot Willem I, maar het presentje bleek een Paard van Troje. Na zeventien jaar maakten de Zuidelijke Nederlanden zich los van Nederland.

Weg de droom van één grote natie, van één groot taalgebied, herenigd op historische gronden. En nu zouden wij, 175 jaar later, iets goed te maken hebben? Terwijl het opheffen van dat eigenlijk zo natuurlijke verbond tussen België en Nederland toch een van de meest kapitale vergissingen van de negentiende eeuw is geweest? Ik betaal mijn kaartje voor de tentoonstelling mokkend. Er is overigens geen Belg te bekennen onder de toeschouwers.

Luidkeels klinken door de eerste zaal de stemmen van een tenor en een bariton. De klanken zijn tegelijk martiaal en zoetvloeiend. «Amour sacré de la patrie», zingen ze, «rends-nous l’audace et la fierté, A mon pays je dois la vie, Il me devra sa liberté.» «Gewijde liefde voor het vaderland, geef ons de vermetelheid en de trots terug, mijn leven geef ik voor mijn land, aan mij zal het zijn vrijheid danken.» Zinnen zoals geen Nederlander of Belg ze ooit meer zal uitspreken zonder in lachen uit te barsten.

Volgens de legende brak na het klinken van deze woorden de Belgische Opstand uit. Het was 25 augustus 1830. In de Muntschouwburg van Brussel werd ter gelegenheid van de verjaardag van koning Willem I de opera La Muette de Portici opgevoerd van de Franse componist Daniel-François-Esprit Auber. Al enige weken eerder had deze opera, waarin het Napolitaanse volk in opstand komt tegen het Spaanse bewind, rumoer onder het publiek veroorzaakt. Het niet al te goed geschoolde volk zag een parallel tussen de verdrukte Napolitanen en de verdrukte Belgen. Tijdens de aria van de heilige vaderlandsliefde schijnt al geroepen te zijn: «Weg met de koning» en: «Vive la France». Er bleken in de opera agenten in burger aanwezig te zijn, die werden herkend en weggejaagd. Nog voor het einde van de opera gingen de toeschouwers de straat op. «A bas les Hollandais» klonk er door de nachtelijke straten. Buiten sloten zich bij het opera publiek, dat voor een deel uit revolutionaire politieke idealisten bestond, ook dronken kroegbezoekers aan en hongerige paupers. Er werd naar een doelwit gezocht. Huizen van regeringsgezinden werden in brand gestoken of geplunderd. Het kantoor van de regeringsgezinde krant Le National werd geplunderd. Het huis van de gehate minister van Justitie, Van Maanen, brandde totaal af. Er werd geschoten en er vielen enkele doden. Er was nauwelijks politie of militie aanwezig, en waar er wel agenten waren, hielden ze zich afzijdig. Ze hadden geen bevel tot ingrijpen gekregen. De marechaussee had geweigerd om te komen, en de brandweer lag al in bed toen de politiecommissaris de mannen kwam waarschuwen.

Als de zang minder indrukwekkend was geweest, als er geen verklikkende agenten in de zaal hadden gezeten, als de militie beter toegerust zou zijn geweest voor relletjes en als de brandweer niet geslapen had, zou de opstand dan voorkomen zijn? De vereniging van Noord en Zuid was in veel opzichten op een verkeerd moment gekomen. Er was een groot verschil tussen het burgerlijke Noord-Nederland en het veel dynastischer Zuid-Nederland. De burgerij in Noord-Nederland was vrij goed ontwikkeld, ze was gericht op individuele ontwikkeling en was tamelijk onafhankelijk in haar geloofsbeleving. In de Zuidelijke Nederlanden was er geen stabiele burgerij. Er waren paupers, die sterk onder de invloed van de katholieke clerus stonden, er was een hooggeschoolde en vermogende elite die Frans sprak en vrij liberaal was, en er was een aanzienlijke adel.

Het was een heidens karwei om deze twee culturen bij elkaar te brengen. In de eerste jaren van zijn regering leek koning Willem I toch winst te boeken. Hij had een strenge lijn uit gezet van gelijkberechtiging, waarbij hij rekening hield met de geringere scholing in België en de mindere kapitaalkracht in Nederland. De godsdienstkwestie probeerde hij op te lossen door pastoors en predikanten op één lijn te brengen. Er kwam een Ministerie voor Eeredienst dat de godsdienstoefening en vooral de opleiding van de geestelijke stand moest controleren. Die moest op nationaal niveau geregeld worden. Vooral dat laatste stuitte op groot verzet in België. Ook andere maatregelen werden de koning kwalijk genomen. Weliswaar pompte hij geld in de bevordering van de industrie in het zuiden, maar hij verhoogde ook de belastingdruk, wetend dat er in België geld te halen viel onder de industriëlen. Zijn taalbevorderingsbeleid, waarbij het Vlaams de voorrang kreeg, was onder de Franssprekende elite een voorwerp van kritiek. Vanuit radicale intellectuelen kwam de roep om meer carrière mogelijkheden, want vooral Noord-Nederlanders kregen de baantjes. Opstandige journalisten werden gevangen genomen of naar Frankrijk verbannen, en dit versterkte het verzet alleen maar. Met name de Brugse journalist Louis de Potter, die tot anderhalf jaar cel veroordeeld was en daarna naar Parijs vertrok, had een grote aanhang door zijn vermogen progressief en conservatief bij elkaar te brengen. En dan was er ook nog een beweging van Waalse politici, die aansluiting bij Frankrijk zochten.

In augustus 1830 stapelden zich op de algemene onvrede extra aanleidingen tot verzet. In Frankrijk had in juli een oproer tegen Charles X geleid tot zijn vlucht en het aantreden van de burgerkoning Louis-Philippe. Dat moet een voorbeeldfunctie hebben gehad. Verder waren de graanprijzen sterk gestegen. België was na Engeland het vroegst geïndustrialiseerd, maar de introductie van stoommachines leidde tot werkloosheid en het aantal paupers nam met de dag toe. Bovendien hadden de journalisten zich geërgerd aan de dure feesten ter gelegenheid van de verjaardag van de koning, die niet eens daarbij aanwezig was. In de vroege ochtend na de eerste opstandsdag togen de overgebleven rebellen naar de fabrieken en vernielden daar de machines. Duidelijker bewijs van waar het eigenlijk om ging, is er niet. Het paleis van de koning werd niet bestormd. Rijke liberalen en revolutionaire journalisten vonden elkaar en richtten een burgerwacht op, zoals enige jaren daarvoor de rijke liberalen en de katholieke elite elkaar al gevonden hadden.

Wat zou het beste scenario zijn geweest om de protesten in banen te leiden? In elk geval had koning Willem meteen de ernst van de opstand in moeten zien. Hij stuurde zijn zonen naar België, maar hij had zelf moeten komen, en niet moeten vertrekken vóór hij de verschillende partijen tegen elkaar uitgespeeld had. Hij had dit kunnen doen door zijn taalbeleid te laten varen: daarmee had hij de flaminganten, die hij beschermde, tegen de Franstalige elite ingezet. Hij had zijn godsdienstpolitiek kunnen modi ficeren: daarmee zou hij het katholieke verzet gebroken hebben en de roomse clerus opnieuw van de liberalen vervreemd hebben. Hij zou subsidie op de graanprijzen hebben kunnen geven, waardoor hij het volk gunstig gestemd zou hebben, dat zijn haat dan weer had kunnen richten op de fabrikanten en de stoommachines. Hij had kunnen instemmen met een meer zelfstandige bestuursvorm in de zuidelijke Nederlanden en dus de lokale politici wat meer macht kunnen geven.

Door wat toe te geven her en der, door meer aanwezig te zijn, door de linkse journalisten te raadplegen in plaats van ze te verbannen zou hij verdere escalatie voorkomen hebben. Het zou hem sympathie in Nederland gekost hebben, maar daar kon hij wel een potje breken. De Oranjes waren zo verstrengeld met de Noord-Nederlandse geschiedenis dat het ondenkbaar is dat daar revolutie uitgebroken zou zijn. Tenslotte had Nederland in 1815 de mooiste Republiek ter wereld opgegeven voor een koning die nog nooit geregeerd had en wiens voornaamste verdienste zijn afkomst was.

Willem liet zich in Den Haag echter niet door mij adviseren. Terwijl in de ene na de andere zuidelijke stad rellen uitbraken, bleef hij onbewogen. Brusselse en Luikse delegaties die kwamen pleiten voor een bestuurlijke scheiding hoorde hij aan zonder enige toezegging. Ze moesten maar wachten op de Staten-Generaal, en die kon pas op 13 september bij elkaar komen. Wel stuurde hij zijn twee zonen, prins Willem en prins Frederik, naar het zuiden. Die verergerden de boel alleen maar. De koning besloot een aanval op Brussel in te zetten. Op 23 september waren er negenduizend soldaten onder leiding van prins Frederik verzameld. Zij legden het af tegen een zooitje ongeregelde Belgische vrijwilligers. De prins blies de aftocht. Aan Belgische zijde vielen driehonderd doden, van de soldaten stierven er honderd. Zelfs als de aanval ge slaagd was, betwijfel ik of deze tot breking van de opstand had geleid. De tijd van overleg was verstreken. De partijen hadden el kaar gevonden in een nieuw nationalisme, onaf hankelijk van Nederland en Frankrijk. De geur van natievorming was in hun neusgaten gekropen.

Maar stel nu eens dat Willem besluitvaardiger en coulanter was geweest en de rellen had kunnen sussen? Wat zou dat betekend hebben? Stel dat hij erin geslaagd zou zijn de partijen te verzoenen en tot een bestuursvorm te komen waarin de Belgen zich voldoende serieus genomen voelden om de negentiende eeuw met al haar onafhankelijkheidsbewegingen door te komen? Wanneer België en Nederland verenigd door die eeuw waren gekomen, zou de twintigste eeuw weinig problemen meer opgeleverd hebben: die smeekte om politieke samenwerking en schaalvergroting. Elk klein land was in het nadeel ten opzichte van de machtige Europese staten. Dat geldt evenzeer voor de 21ste eeuw: wie al een klein gebied heeft en dan nog streeft naar verdere afscheiding zet de klok achteruit.

Hoe zouden de Nederlanden die dan sinds 1813 verenigd waren er nu uitgezien hebben? Was er wel een voedingsbodem voor verdere samenwerking in een Verenigd Koninkrijk? De politiek van Willem was sterk op natievorming gericht. Niet alleen ter wille van het eenheidsgevoel tussen noord en zuid, maar ook vanwege het gewestelijk denken. Friezen en Zeeuwen voelden zich anders dan Noord-Hollanders. Alles wat de vaderlandsliefde bevorderde kon op ruime staatstoelagen rekenen. Dat gold met name het cultureel gebied. De koning subsidieerde de aanschaf van oude Nederlandstalige handschriften, hij gaf geld voor vertalingen van Nederlandse literatuur in het Frans en hij bevorderde historisch onderzoek. In de goede jaren was er wel degelijk samenwerking tussen intellectuelen. Everhardus Potgieter, die in 1837 De Gids zou oprichten, verbleef tot de Revolutie in Antwerpen, waar hij bevriend was met de taalkundige Jan Frans Willems. Er was een levendige uitwisseling van geleerden tussen universiteiten. Men kan zich voorstellen dat het intellectueel verkeer, dat geblokkeerd werd na 1830, had welgevaren als die uitwisseling gebleven was. Op het gebied van de taal en de literatuur zou er ongelooflijk veel gewonnen zijn. Veel van wat op lexicografisch en letterkundig gebied gezamenlijk gedaan had kunnen worden werd nu in gescheiden projecten verwerkt. Het heeft invloed tot in onze tijd: literatuur geschiedenissen worden in Noord-Nederland bijna stelselmatig geschreven met verwaar lozing van de Vlaamse inbreng. Hetzelfde gebeurt in België, waar dan ook nog de Waalse literatuur veronachtzaamd wordt. Pas in het nieuwe project van de Taalunie voor een alomvat tende literatuurgeschiedenis, waarvan bin nen kort het eerste deel verschijnt, zijn Vlamingen en Nederlanders gelijkwaardig betrokken.

Voor de literatuur zelf zou de voortzetting van de vereniging een zegen zijn geweest. Als er niet pas na de Tweede Wereldoorlog wederzijdse beïnvloeding was geweest, zou de Nederlandstalige literatuur al in een eerdere periode diverser, virtuozer, rijker in woordenschat en registers zijn geworden. Wanneer de Vlaamse literatuur ook in Nederland gelezen zou zijn en andersom, zou de Beweging van Tachtig er heel anders uit hebben gezien. Er zou een stevige samenwerking geweest zijn met de jonge schrijvers die zich in 1893 verenigden in het tijdschrift Van Nu en Straks. Gezelle zou zich minder Vlaams-nationalistisch opgesteld hebben en wellicht eerder met zijn baanbrekende lyriek naar buiten zijn gekomen. Vooral het Symbo lisme zou zich anders hebben ont wikkeld. De eenlingen in Nederland, zoals J.H. Leopold en P.C. Boutens, zouden zich hebben kunnen koesteren in een warm bed van aandacht bij August Vermeylen, Cyriel Buysse en Karel van de Woestijne. De Belgen zouden minder Hendrik Conscience gelezen hebben, en wellicht wat meer historische romans van een hoger niveau, zoals die van Geertruide Bosboom-Toussaint. Economisch gezien zou het voor de literatuur ook zoveel beter zijn geweest: samenwerkende uitgeverijen en samenwerkende tijdschriften zouden een veel groter aantal lezers hebben kunnen bereiken. Wellicht was het ook niet zo ver gekomen met de voortdurende spellingsontregelingen als Vlaanderen een sterkere stem gehad had. Daar wordt nog steeds in naamvallen gesproken – misschien waren die gehandhaafd gebleven, en dat zou een zegen zijn geweest voor de plooibaarheid en muzikaliteit van het Nederlands.

Een vereniging zou ook grote gevolgen hebben gehad voor de regionale positie van Brabant en Limburg, de roomse stiefkinderen onder de provincies. Na 1830 werd hun isolement versterkt, en de achterstand die er was op het gebied van de infrastructuur, de scholing en de economie bleef. De katholieke emancipatie zou niet begonnen zijn in Amsterdam, met figuren als de letterkundige ondernemer Joseph Alberdingk Thijm en de uit Roermond afkomstige architect Pierre Cuypers, maar wellicht vanuit Den Bosch, Breda of Antwerpen. De achterdocht tegen de roomsen en de achterstelling die sinds de stichting van de Republiek manifest aanwezig was in de Noordelijke provincies, zou niet getolereerd zijn. Rooms en hervormd zouden alleen al kwantitatief gelijk zijn geweest.

En nog een cruciale vraag: zou Wallonië beter af zijn geweest als het niet de helft van België was geweest, maar een kwart van de Nederlanden? Het is moeilijk in te schatten. Veel slechter dan het er nu voorstaat zou toch niet kunnen. Het had zich door de officiële bescherming van het Frans wellicht aardig kunnen handhaven. Misschien was het na de Eerste of Tweede Wereldoorlog bij een of ander verdrag overgedragen aan Frankrijk in ruil voor een stukje Nederlandstalig Frankrijk in de buurt van Lille – en daar zou dan niemand rouwig om geweest zijn.

De prachtig vormgegeven tentoonstelling in Den Bosch is vooral gericht op de beeld vorming van de broedertwist. Geen dagboekjes van soldaten of tekeningen van studenten die vrijwillig meetrokken zijn er te zien, geen spotprenten of krantenverslagen, weinig van de vele brallende gedichten die er geschreven werden, maar vooral de latere – partijdige – verwerking in beelden en schilderijen. Op de vloer ligt een groot tapijt waarop het Verenigd Koninkrijk in al zijn uitgestrektheid betreden kan worden. Door een anatomisch tekenaar is na de dood van Van Speyk een nauwkeurige afbeelding gemaakt van diens uiteengerukte bovenlichaam. Ernaast liggen wat restjes stof en knopen van zijn uniform.

Wat opvalt is het ontbreken van lofzangen op de Vereniging in 1813. De kunstenaars juichen niet over het herstel van de oude grootheid, maar over de terugkeer van het Oranjehuis. Er is slechts één uitzondering, in de vorm van een allegorisch schilderij waarop Rubens en Rembrandt naast elkaar afgebeeld staan. Na het uiteenvallen ontstaan de mythen. Elk land doet alsof het overwinnaar is en ontwikkelt zijn eigen vaderlandse geschiedenis, met na druk op andere helden. Rubens komt tegenover Rembrandt te staan, Willem van Oranje tegenover Jacob van Artevelde.

Vanaf februari zal de tentoonstelling te zien zijn in België, in de Predikherenkerk van Leuven. Zouden de Nederlanders die daarheen gaan ook een gratis kaartje krijgen, om het weer goed te maken?

T

Broedertwist: België en Nederland en de erfenis van 1830

Noordbrabants Museum, ’s Hertogenbosch

tot 8 januari 2006; van 3 februari tot 30 april in de Predikherenkerk te Leuven