Fotografie: Berenice Abbott

De moderne wereld

Berenice Abbott, Self Portrait – Distortion, circa 1930. 16,8 × 13,7 cm. Kopie uit 1945-1950 © Berenice Abbott / Courtesy Howard Greenberg Gallery / Getty Images

Bulletje en Bonestaak vonden Amerika één groot avontuur, net als Kuifje en Pietje Bell, maar Johan Huizinga werd er in 1926 nogal confuus van. De meeste steden vond hij ‘beledigend lelijk’. In de wandeling door de stad New York ervoer hij ‘een zeldzaam contrast van geweldig en imponerend, soms heel mooi, de skyscrapers, en vaak afstotend lelijk en oninteressant maar niets van het mooie van Londen. Er was in het geheel geen atmosfeer. Als je ’s avonds over Broadway komt, waar al die veelkleurige lichtreclames zijn, weet je eigenlijk niet of je zult gaan lachen of huilen, en of je zeggen zult: heel lelijk of toch eigenlijk heel mooi.’

Op een gegeven moment zijn wij dat lelijk-grootstedelijke kennelijk mooi gaan vinden. De hoogleraar moderne kunst Estrella de Diego van de Universiteit van Madrid wijst de Amerikaanse fotografe Berenice Abbott (1898-1991) aan als de kunstenaar die deze verandering bewerkstelligde. Volgens De Diego transformeerde zij met haar fotografisch werk de moderne stad tot ‘een levend wezen, een opmerkelijk personage dat de bezoekers van vandaag kunnen traceren als ze door de drukke straten lopen en bewonderend opzien naar de moderne schoonheid van de wolkenkrabbers’.

Abbott leerde het vak in Parijs, in 1923, bij Man Ray; Peggy Guggenheim maakte het mogelijk dat zij haar eigen portretstudio opende. Haar kunstenaarschap komt tot bloei als ze terugkeert naar de Verenigde Staten en begint aan een grote fotoreportage, Changing New York. Huis Marseille toont er een ruim overzicht van.

Abbott fotografeerde zonder een ‘schilderkunstige’ impuls, dat wil zeggen dat haar lens niet zocht naar een traditionele compositie of een echo van de schoonheid van de ‘oude wereld’, maar wel naar de nuchtere, ‘moderne’ werkelijkheid van winkels, huizen, wolkenkrabbers, havens, stadsspoorlijnen hoog boven de straat, en een Texaco-benzinestation in de Bronx. In de begeleidende teksten wordt erop gehamerd dat Abbott als eerste de moderne stad in zijn dynamiek en leven zou hebben ‘ontdekt’, maar ik zag dat toch anders: de foto’s zijn zeker prachtig, maar ze zijn koel. De beweeglijkheid van mensen, autoverkeer of het weer speelt een absolute bijrol; dit is niet de tomeloze ‘Sinfonie der Großstadt’ die Huizinga zo overdonderde. Vrijwel niemand kijkt in de lens, elke anekdote ontbreekt. Abbott pakt de patronen: het stalen staketsel van Rockefeller Center in aanbouw, de belettering van een restaurant of de uitstalling van een ijzerwinkel.

Daarin is zij nieuw; de serie is een catalogus van alledaagse stadse zaken, die door haar neutrale fotografie worden opgewaardeerd tot materiaal met een artistieke zeggingskracht – iets wat later door kunstenaars als Saul Leiter, Edward Hopper en Jasper Johns dankbaar zou worden doorontwikkeld. Professor De Diego noemt Abbott in haar ronkende teksten hardnekkig de pionier van dat alles, maar dat was zij duidelijk niet: Abbott had in Parijs Eugène Atget leren kennen, de meester van het stadslandschap. Een zaaltje met een kleine selectie van zijn foto’s, die Abbott in 1956 zelf heeft afgedrukt van de originele negatieven, maakt duidelijk van wie ze had leren kijken.


Berenice Abbott. Portretten van het moderne leven, Huis Marseille, Amsterdam, t/m 1 december