Verdwaald in Erdogans rookgordijn

‘De moderniteit ligt in het verleden’

Op 24 juni kiest Turkije haar parlement en president. Behaalt Erdogan in één keer een absolute meerderheid, dan krijgt hij ongekende bevoegdheden. Het land ligt ondertussen wakker van openstaande schulden en ongelijkheid.

Medium gettyimages 618783034
Rize, een stad aan de Zwarte Zee en Erdogans geboorteplaats © Chris McGrath / Getty Images

Een dikke mist hangt over het Turkse provinciestadje Findikli. De natte lucht zit gevangen tussen de bergen en de Zwarte Zee. Rondom de Recep Tayyip Erdogan Universiteit staan de geraamtes van leegstaande bouwprojecten. In de theevelden verderop werken seizoensarbeiders lange dagen in de benauwende hitte. Even breekt een brandende zon door.

‘Iedereen is weg’, zegt Altay Ustabas, terwijl hij op een groepje lege huizen wijst. ‘Daar woonden vroeger grote families. Ik kende ze, maar ze zijn allemaal vertrokken. Sommigen naar Duitsland, de meesten naar Istanbul. Dit hele dorp loopt leeg. Als het zo doorgaat blijft er niets meer over.’

Ustabas vertrok zelf ook naar Istanbul. In een arbeiderswijk aan de randen van de megastad werkte hij als basisschoolleraar met Koerdische kinderen die Turks moesten leren. Nog altijd spreekt hij met de blaffende stem van een strenge schoolmeester. Twee van zijn dochters bleven achter in Istanbul, een derde vertrok naar Amerika. Maar de inmiddels gepensioneerde Ustabas keerde terug. Sinds vijf jaar woont hij samen met zijn vrouw weer in zijn geboortedorp.

‘Ik zou willen dat mijn kinderen konden zien hoe het hier vroeger was’, zegt Ustabas terwijl hij door de theevelden sjokt. ‘Iedereen in dit dorp had een eigen winkeltje. We leefden van onze eigen arbeid, hielden onze rug recht en bewaarden onze eer. Maar inmiddels worden onze banen gepikt door de Georgiërs en staan er in het dorp alleen nog maar grote supermarkten.’

De oorzaak is volgens Ustabas glashelder: zestien jaar bestuur door de akp van Recep Tayyip Erdogan. Tevergeefs probeert de schoolmeester dat aan zijn omgeving uit te leggen, want in deze regio stemt in sommige dorpen wel tachtig procent van de inwoners op de akp. ‘Dat komt doordat Erdogan zich voordoet als de man van het volk’, briest Ustabas. ‘Van buitenaf lijkt het net alsof hij onze dorpen helpt, maar in werkelijkheid lijden de mensen hier honger. Dat lost hij dan weer op door ze twee pakken pasta en een pak rijst te geven. Het is de makkelijkste manier om stemmen te krijgen: maak mensen afhankelijk en geef ze vervolgens iets heel kleins.’

De winnaars, aldus Ustabas, dat zijn de zakenmannen rondom de akp. ‘Vroeger was hier een grote coöperatie die onze hazelnoten voor een goede prijs opkocht en exporteerde’, vertelt hij. ‘De akp heeft dat vervangen door een nieuw bedrijf dat vooral seizoenswerkers inhuurt, de hazelnoten voor vrijwel niets opkoopt en de winst in eigen zak steekt.’ Ook het Westen is medeplichtig, vindt de dorpsbewoner. ‘Van wie denk je dat al deze bedrijven zijn?’ zegt hij schamper. ‘Erdogan verkoopt onze banken, bedrijven, mijnen en olievelden juist aan jullie. Het Westen is niet zijn tegenstander, maar zijn handlanger.’

ALTAY USTaBAS ZIET een Turkije waar weinig naar wordt gekeken. Een land dat niet zozeer wakker ligt van de cultuurstrijd tussen ‘moslims’ en ‘seculieren’, als wel van openstaande schulden en ongelijkheid. Waarin de Turkse democratie niet alleen bedreigd wordt door Erdogan, maar in de eerste plaats door een specifiek economisch model. Zoals zoveel populisten over de hele wereld weet Erdogan de gevolgen van dit economisch beleid behendig af te schermen met een spektakel van identitaire polarisering rondom zijn eigen persoon. De Turkse oppositie verdwaalde jarenlang in dat rookgordijn.

De Turkse verkiezingen van komende zondag lijken de laatste kans om helder te zien. Op 24 juni kiest Turkije haar parlement en president. Behaalt Erdogan in één keer een absolute meerderheid, dan krijgt hij ongekende bevoegdheden binnen een nieuw presidentieel systeem dat vorig jaar per referendum is aangenomen. Gebeurt dat niet, dan gaan de twee kandidaten met de meeste stemmen door naar een tweede ronde op 8 juli.

Erdogan is niet zeker van zijn zaak. Dat is precies de reden dat hij de voor 2019 geplande verkiezingen zo ver naar voren haalde. De Turkse president beseft dat de economische zorgen van Ustabas en miljoenen andere Turken niet snel kleiner zullen worden. Dat is zijn achilleshiel. Bij deze verkiezingen lijkt de Turkse oppositie dat eindelijk in te zien. Na jarenlange dwalingen in uitzichtloze identiteitspolitiek legt Turkije’s grootste oppositiepartij, de chp (Republikeinse Volkspartij), de nadruk op gedeelde economische onvrede. Maar waarom heeft die overduidelijk succesvolle strategie zo lang op zich laten wachten? En is het nu niet al te laat?

Na zestien jaar akp twijfelt professor Ziya Önis nog altijd waar Turkije precies mee te maken heeft. Vanuit zijn kantoor aan de prestigieuze Koç Universiteit in Istanbul weegt de hoogleraar politieke economie voorzichtig zijn woorden. Niet alleen omdat zijn collega’s werden ontslagen na kritiek op de regering, maar vooral ook omdat de zacht sprekende academicus het niet zo heeft op platitudes. Dat is nu juist het probleem, zegt hij: wie de akp simpelweg afdoet als ‘islamistisch’ of ‘erdoganistisch’ verliest minder zichtbare maar veel fundamentelere drijfveren van de akp uit het oog.‘Sociaal neoliberalisme’, kiest Önis uiteindelijk als definitie. ‘In tegenstelling tot eerdere islamisten omarmde de akp het wereldwijde neoliberale model’, verklaart hij. ‘De partij voerde een ongekende privatisering door, perkte arbeidsrechten in en verzwakte de vakbonden. Tegelijkertijd investeerde de partij in sociale zekerheid, maar dan telkens op dezelfde neoliberale wijze: echt goede zorg wordt geleverd door privé-ziekenhuizen, echt goed onderwijs is onbetaalbaar. Sociaal neoliberalisme is gebaseerd op “hulpverlening” aan de laagste inkomens enerzijds, gepaard met enorme zakenvoordelen voor bedrijven die de regering steunen anderzijds. Daardoor blijven beide kanten afhankelijk van de akp.’

Volgens Önis vloeit Turkije’s autoritaire koers in de eerste plaats voort uit dit politiek-economische model. Door jarenlang nepotisme zijn vrijwel alle grote bedrijven verstrikt geraakt in het spinnenweb van de regering. Zo wordt een kritische krant niet alleen bedreigd door een politiebezoek, maar ook doordat het vrijwel onmogelijk is financieel te overleven zonder de juiste zakenrelaties binnen de akp. Ook Erdogans nationalistische en religieuze retoriek hangen volgens Önis nauw samen met economische ontwikkelingen. Waar de akp in haar beginjaren kiezers won vanwege snelle economische groei leunt de partij inmiddels steeds meer op identiteitspolitiek. ‘Nationalisme en agressief buitenlands beleid zijn een welbekende populistische tactiek om binnenlandse economische onvrede te verhullen’, aldus Önis. ‘In dat opzicht is Erdogan te vergelijken met Modi in India, Orbán in Hongarije of Trump in de Verenigde Staten.’

Het economische succesverhaal van de akp lijkt ten einde. Hoewel grote bouwprojecten de groeicijfers kunstmatig blijven aanwakkeren, zien de lage en middeninkomens vooral andere cijfers. De Turkse lira keldert al jaren in waarde, de werkloosheid ligt tegen de elf procent en ruim de helft van de Turken heeft uitstaande leningen op hun creditcard. Maar het meest maakt Önis zich zorgen om de schrijnende verschillen tussen arm en rijk. ‘Al sinds 2010 wordt de economische groei steeds minder gedeeld. Turkije spant wereldwijd de kroon op het gebied van welvaartsongelijkheid, samen met Rusland en Brazilië.’ Waar de rijkste één procent van Turkije in 2000 nog zo’n 38 procent van de welvaart in handen had, was dit in 2014 al ruim 54 procent.

De vraag is: waarom stemmen de economische verliezers van het akp-beleid telkens weer op Erdogan? Volgens Michael Wutrich, politicoloog aan de Universiteit van Kansas, schuilt het antwoord bovenal in het gebrek aan alternatieven. ‘Het probleem is niet dat Turken gek zijn geworden, maar dat ze het gevoel hebben dat de oppositie niet naar hen luistert. Kiezers willen aandacht voor hun concrete zorgen, maar in plaats daarvan luistert de oppositie alleen maar naar Erdogan.’

Wutrich verdween jarenlang in de archieven in Ankara om de campagnes en uitslagen van alle Turkse verkiezingen door te pluizen. Hij schreef daarover het boek National Elections in Turkey: People, Politics and the Party System (2016), dat het nodige stof deed opwaaien onder de fijnproevers. De Amerikaanse onderzoeker maakt korte metten met een aantal romantische tegenstellingen waar menige Turkije-kenner graag mee strooit: de verdeling tussen Oost en West, het platteland en de stad, de islam en het secularisme, traditie en moderniteit, ga zo maar door. Verkiezingsresultaten vertellen een ander verhaal, zo laat Wutrich zien. Niet grote culturele tegenstellingen, maar juist heel lokale en economische overwegingen zijn doorslaggevend in de stembus.

Volgens Wutrich heeft Turkije’s grootste oppositiepartij, de chp, precies die onderwerpen jarenlang verwaarloosd. Toen Erdogan in 2002 aan de macht kwam met pragmatische beloftes voor economische groei schreeuwde de chp moord en brand over de islamitische bedreiging tegen de seculiere Turkse Republiek. ‘De paradox is dat de chp het aanvankelijk meer over religie had dan de akp’, aldus Wutrich. ‘De cultuurstrijd leek bijna een vorm van zelftroost voor de chp. Iedere keer dat Erdogan een verkiezing won, reageerde de chp met dat zij kennelijk te goed waren voor het onopgeleide volk. Door dat elitaire zelfmedelijden hoefde de partij zich niet te wagen aan zelfkritiek.’

DE TURKSE SOCIAAL-DEMOCRATIE is in deze hooghartigheid gedoopt. Vanaf haar oprichting in 1923 is de chp onlosmakelijk verbonden met Mustafa Kemal Atatürk, stichter van de Turkse Republiek en naamgever van het ‘kemalisme’. Deze losjes geformuleerde maar hard doorgevoerde ideologie had tot doel de overblijfselen van het Ottomaanse Rijk zo snel mogelijk om te smeden tot een moderne en seculiere staat. Het volk moest verheven worden, maar liever niet door zichzelf. Religieuze praktijken werden verbannen. Van vrije verkiezingen was tot 1950 geen sprake.

Pas in de jaren zestig waagde de chp zich aan iets wat leek op sociaal-democratie. Onder Bülent Ecevit omarmde de partij voor het eerst een expliciet linkse koers, werkte nauw samen met de vakbonden en behaalde de grootste verkiezingsoverwinningen ooit. Na de staatsgreep van 1980 werd de partij echter verboden. Toen de chp uit haar coma ontwaakte, had de partij het contact met de straat verloren. Terwijl de islamisten langs de deuren gingen in arme stadswijken verklaarde chp-leider Deniz Baykal dat kiezers hem beter een fax konden sturen als ze iets te melden hadden. Onder Baykals leiderschap zocht de chp haar progressiviteit vooral in nostalgie naar Atatürk, het liefst onder het genot van een glaasje raki.

‘Waarom zouden wij ons bemoeien met iemands religie? Een partij die neerkijkt op de islam kan niet succesvol zijn in Turkije’

‘Linkse politiek is een lifestyle geworden’, zucht Mehmet Bekaroglu vanuit zijn krappe kantoor in het Turkse parlement in Ankara. De kale man met grijze borstelsnor bewandelt een eenzaam pad in de Turkse politiek. Hij begon zijn politieke bestaan in islamistische kringen, maar weigerde mee te doen aan het economische project van de akp. In 2010 probeerde Bekaroglu een links-islamitische partij op te richten, maar toen deze na interne ruzies uiteenviel sloot hij zich in 2014 aan bij de chp. ‘Ik wil deze partij van binnenuit hervormen’, grijnst hij, niet zonder zelfspot.

Het is een ondankbare taak. Sommige partijgenoten fluisteren Bekaroglu nog altijd na wanneer hij zich excuseert voor het vrijdagmiddaggebed. ‘Turkije’s probleem ligt niet alleen bij de akp’, weet hij. ‘De chp is intern niet democratisch genoeg. Deze partij zit vast in een hard nationalisme en een te strikte interpretatie van het secularisme, terwijl de sociaal-democratie juist pluralistisch moet zijn. Waarom luisteren we niet beter naar de wensen van de Koerden? Waarom zouden wij ons bemoeien met iemands religie? Ik weet één ding: een partij die neerkijkt op de islam kan niet succesvol zijn in Turkije.’

Met die overtuiging voert de gelovige chp’er campagne in de conservatieve streken langs de Zwarte Zee. Bekaroglu kent het gebied goed, want net als schoolmeester Altay Ustabas komt hij uit het provinciestadje Findikli. Bovendien komt hij vanwege zijn achtergrond op plaatsen waar partijgenoten niet snel worden uitgenodigd, vertelt hij, zoals religieuze scholen, moskeeën of conservatieve zakengroeperingen. Maar wanneer Bekaroglu zichzelf introduceert als chp’er gaat het mis. ‘De kritiek is genadeloos’, vertelt Bekaroglu. ‘Iedereen wil weten of de chp soms weer van plan is religieus onderwijs af te schaffen of hoofddoekjes op de universiteiten te verbieden.’

Toch is de parlementariër er heilig van overtuigd dat Turkije’s identitaire kloof te overbruggen valt. ‘Overal in de samenleving zie ik een constante zoektocht naar rechtvaardigheid en economische gelijkheid. Die noties zijn net zo goed aanwezig in de islam of in religieuze kiezers. Maar de chp heeft te lang identiteitspolitiek bedreven en Erdogan doet er inmiddels alles aan om dat aan te wakkeren. Hij leeft van die polarisatie. Maar geloof mij: op het moment dat wij als chp daar niet meer intrappen en ons richten op de economische zorgen die Turken verbinden, heeft Erdogan een groot probleem.’

Medium img 5058
Campagne­bijeenkomst van CHP-presidentskandidaat Muharrem Ince in Rize © Melvyn Ingleby

BIJ DEZE VERKIEZINGEN lijkt de chp dat te begrijpen. Het partijprogramma staat vol met beloftes over armoedebestrijding en sociale zekerheid, gevolgd door verzoenende teksten over ‘een secularisme dat gelovigen respecteert’. Ook wist de chp voor de parlementaire verkiezingen een coalitie te sluiten met de nationalistische iyi (Goede) partij van Meral Aksener en zelfs de oude islamisten van de Saadet Partij (de Koerdische hdp werd uitgesloten op aandringen van Aksener). Maar de grootste vernieuwing lijkt uit te gaan van de man die Erdogan zegt te kunnen verslaan: Muharrem Ince.

Tijdens zijn nominatie als presidentskandidaat van de chp trok Ince demonstratief zijn partijspeldje af. ‘Ik word de president van alle Turken!’ bulderde hij, terwijl hij een Turkse vlag op zijn borst plantte. Sindsdien reist de voormalige natuurkundeleraar onvermoeibaar door het hele land. Zelfs in het conservatieve Anatolische binnenland trekt hij volle pleinen. Waar Erdogan zichzelf altijd neerzette als een normale ‘zwarte Turk’ die het opnam tegen de elitaire ‘witte Turken’ van de chp draait Ince de rollen juist om. Hij is wijs genoeg om Erdogan niet te bespotten als een onwetende moslim, zoals chp’ers jarenlang deden, maar als een elitaire alleenheerser. ‘Wisten jullie dat Erdogan in zijn paleis witte thee van wel 4500 lira per kilo drinkt?’ riep Ince tijdens een rally. ‘Ik drink gewoon nog zwarte thee. De echte zwarte Turk, dat ben ik!’

Altay Ustabas is vroeg opgestaan om Ince te horen spreken. Vanuit Findikli reist hij af naar Rize, waar de presidentskandidaat later die dag een verkiezingsbijeenkomst houdt. ‘Wij moeten gewoon ons eigen vervoer regelen’, merkt de schoolmeester cynisch op. ‘Voor een akp-rally zijn er gratis busjes, maar in dit geval betaal ik de benzine graag.’

In Rize, de geboorteplaats van Erdogan, loopt Ince de moskee uit. Het leek hem een goed idee vlak voor zijn rally even het vrijdagmiddaggebed aan te doen. Breed glimlachend wandelt de lange politicus met het kleine bierbuikje tussen de gebedsgangers en draaiende camera’s door, op weg naar zijn toespraak. Mehmet Bekaroglu loopt triomfantelijk aan zijn zijde: de hervorming lijkt geslaagd. Op het plein voor het stadshuis wachten enkele duizenden Turken in spanning op hun kandidaat.

Ince doet een sjaaltje van de lokale voetbalclub om voordat hij het podium op stormt. De chp’er weet wat lokaal campagne voeren is. ‘Ik spreek tot de moeders van de akp!’ dondert hij. ‘Het is wat mij betreft geen probleem als jullie je kinderen naar een (religieuze) imam hatip school willen sturen, zolang ze maar een baan vinden!’ Als een ware volksmenner loopt Ince zijn beloftes af, van betere lonen voor theeplukkers tot gratis onderwijs. ‘Hoe we dat gaan betalen?’ vraagt hij met een grijns. ‘Ik denk dat we al een heel eind komen als we lampen in Erdogans paleis uit doen.’

Altay Ustabas staat tevreden tussen de mensenmassa. Voor de gelegenheid heeft hij zijn nette pak aangetrokken. ‘Ik was benieuwd hoe Ince het in een stad als Rize zou doen’, vertelt hij. ‘Ik had zo mijn twijfels, maar die zijn nu wel weg. Ince is een echte sociaal-democraat. Hij weet hoe je een grote groep stemmers kunt aantrekken.’ Wanneer Ustabas naar zijn auto loopt, begint hij opnieuw over de benzine. ‘Als je naar de prijzen kijkt, zou je toch denken dat mensen op een dag niet meer naar de akp luisteren’, grapt hij. ‘Laten we hopen dat Ince wint, dan kunnen we onze schulden snel afbetalen en zijn deze donkere tijden eindelijk voorbij.’

ZO MAKKELIJK GAAT DAT NIET, waarschuwt Mike Wutrich. De man die de resultaten van alle Turkse verkiezingen kan dromen blijft sceptisch. Ince’s tactiek is uitstekend, aldus de academicus, maar komt te laat. De chp mag nog zo’n goede nationale campagne voeren, het lokale niveau heeft de partij te lang laten liggen. ‘De gemeentepolitiek is bepalend voor landelijke verkiezingen’, aldus Wutrich. ‘Uiteindelijk vragen kiezers zich ook af wie in hun eigen gemeente het beste bestuur levert en het vuilnis ophaalt. Op dat gebied heeft de chp historisch gezien een waardeloze reputatie.’

Het tegenovergestelde geldt voor de akp. Als oud-burgemeester van Istanbul weet Erdogan al decennia dat effectief gemeentebestuur de sleutel tot landelijk succes is. De akp pompt miljarden aan staatsgelden naar de gemeenten, het liefst wanneer deze in handen zijn van de eigen partij. Erdogan rekent dus niet alleen op voortdurende propaganda in de media, maar ook op een gigantische partijmachine die op iedere straathoek inzetbaar is.

Toch bekruipt ook Wutrich het gevoel dat het nog geen gelopen race is. Alle peilingen – hoe onbetrouwbaar ook – wijzen erop dat de populariteit van Ince groeit. ‘In Turkije heerst het gevoel dat er een tweede ronde aankomt’, zegt de academicus. ‘Dan gaat het spannend worden. Als het stemmen eerlijk verloopt, denk ik dat Ince een reële kans heeft om Erdogan te verslaan.’Maar daar ligt het laatste, mogelijk onoverkoombare probleem. Verkiezingsfraude hangt in de lucht. Tijdens het grondwettelijk referendum afgelopen jaar werd ook al gesjoemeld met de stemmen, concludeerden internationale waarnemers. Op het laatste moment besloot de hoge kiesraad stembiljetten zonder officieel zegel alsnog mee te tellen. Volgens de Turkse oppositie was dat de reden dat Erdogan zijn nipte (51,4 procent) meerderheid haalde voor het presidentiële systeem, dat na de aankomende verkiezingen zijn intrede zal doen.

Deze keer is de kans op fraude alleen maar groter. De akp-regering voerde in maart dit jaar controversiële veranderingen door in de kieswet. Voortaan mogen stembiljetten zonder zegel gewoon meegeteld worden, ook zonder speciale toestemming van de hoge kiesraad. De voorzitter van het stembureau wordt een door de staat benoemde ambtenaar. De politie mag dichter bij de stemhokjes komen om de goede orde te waarborgen. En de kiesraad kan besluiten de locatie van stemkantoren te veranderen om veiligheidsredenen.

Vooral in het overwegend Koerdische zuidoosten van Turkije opent dit de weg naar intimidatie en fraude. Zoals verwacht besloot de hoge kiesraad dat een kleine honderdvijftigduizend kiezers niet in hun eigen woonplaats kunnen stemmen, maar in nabijgelegen dorpjes. Volgens de regering is daar de dreiging van de pkk (Koerdische Arbeiderspartij) minder groot, maar de kiezers in kwestie zijn zelf eerder bang voor de dorpswachters en de politie op hun nieuwe stemlocatie. Vanwege de nog altijd geldende noodtoestand kunnen zij met het grootste gemak tot arrestaties overgaan.

En dat terwijl juist de Koerdische stem doorslaggevend is. Als de Koerdische hdp niet boven de hoge kiesdrempel van tien procent uitkomt, gaan al hun parlementszetels automatisch naar de akp, omdat die partij overal waar de hdp aan kop gaat op de tweede plaats staat. In dat geval haalt de akp vrijwel zeker de absolute meerderheid in het parlement.

Die kans zal Erdogan zich niet laten ontglippen, vreest Wutrich. ‘Waarom zou hij vlak voor de verkiezingen een nieuwe kieswet doorvoeren als hij daar geen gebruik van wilde maken? Geloof me, ik ben de laatste die wil beweren dat er gefraudeerd gaat worden. Al mijn werk stoelt op de aanname dat de stemgang in Turkije al sinds 1950 over het algemeen eerlijk verloopt. Als dat niet meer klopt, is het resultaat van mijn jarenlange onderzoek voortaan niet meer dan een historisch aandenken.’

MAAR EEN DEMOCRATIE STERFT nooit binnen één verkiezingsdag. In het kleine Findikli blikt Altay Ustabas terug op de afgelopen zestien jaar. Met zijn vrouw en een kennis die voor de chp werkt is hij aangeschoven voor een late maaltijd. Samen bespreekt het gezelschap hoe Turkije tot dit punt heeft kunnen komen. Wanneer Ustabas gevraagd wordt welke lessen de chp hieruit kan trekken, reageert de gepensioneerde schoolmeester gefrustreerd.

‘Geef mij één fout die onze leider Atatürk heeft gemaakt!’ zegt hij fel, terwijl hij een glas raki inschenkt. Langzaam vermengen de zoete anijsdrank en het water zich tot een troebele mist. Ustabas lijkt zijn heldere betoog over de sociaal-democratie eerder die dag volledig te zijn vergeten. Hoe meer hij drinkt, hoe meer zijn machteloosheid tegen Erdogan ontaardt in een onverstoorbare tirade. Tegen die achterlijke islamitische scholen, de Koerdische terroristen en uiteraard het imperialistische Westen, dat Turkije vanaf het begin der tijden kapot probeert te maken.

Verdoofd staart het gezelschap voor zich uit. ‘De moderniteit ligt in het verleden’, prevelt het chp-lid zachtjes. Ustabas knikt instemmend. ‘Atatürk was de grootste democraat die dit land ooit gekend heeft, maar helaas begreep het volk dat niet. Was hij maar strenger geweest voor Turkije, dan was het nooit zo ver gekomen.’