De moed om de vuurproef te doen

Binnenkort o.m. te zien in Rotterdam (10 t/m 13 maart en ½ april), Alkmaar (16 maart), Drachten (17 maart), Amstelveen (22 maart), Enschede (23 maart), Deventer (24 maart), Groningen (25/26 maart) en Amsterdam (29 t/m 31 maart).
De Amerikaanse schrijver Arthur Miller reisde in 1952 naar het stadje Salem, Massachusetts, om materiaal te verzamelen voor zijn toneelstuk De vuurproef (over de heksenprocessen van 1692 in dat stadje). Op de terugreis ging hij langs bij zijn vriend, de filmregisseur Elia Kazan. Die was recentelijk door de McCarthy-commissie verhoord. Kazan was ‘doorgeslagen’; hij had twaalf namen van collega’s genoemd. Het werd een wandeling met veel stiltes. En zonder verwijten. Arthur Miller vroeg zich vooral af hoe sterk een mens onder zware druk eigenlijk kan blijven.

Voor regisseur Peter de Baan was dat de startvraag voor zijn regie bij het Ro-theater van Millers De vuurproef. Door de recensent van het Algemeen Dagblad werd De Baan om die keuze streng gekapitteld: sedert de val van het communisme is de dubbele bodem onder Millers stuk weggevallen, aldus de criticus. Sinds ideologieen in hun voegen kraken, kunnen kunstenaars het klaarblijkelijk niet meer over individuele dilemma’s hebben. Een opmerkelijk standpunt voor iemand die kunst aan een kritisch oordeel onderwerpt.
Het stuk De vuurproef snijdt met een fileermes door nogal wat ideologische hysterie. De aanleiding is simpel. Een paar meisjes hebben ’s nachts gedanst rond een vuur, aangemoedigd door een zwarte slavin. Ze worden betrapt. Om te ontsnappen aan de beschuldiging van hekserij, gaan ze anderen daarvan betichten. Een van de meisjes is Abigail, de vroegere dienstmaagd en minnares van de boer John Proctor. Door diens vrouw Elisabeth is ze het huis uit gestuurd. Via de heksenhysterie neemt Abigail wraak op de Proctors. Ze sleept daarin haar opvolgster, het naieve dienstmeisje Mary Warren mee. En de hele gemeenschap van Salem. Resultaat: negentien doodvonnissen.
De vuurproef is een meedogenloos en meeslepend stuk. Meedogenloos in zijn analyse van massahysterie. En meeslepend door de wendingen, de momenten waarop de toeschouwer zich de vraag moet stellen: wat gaat het personage dat onder druk staat nu doen? Mary Warren bijvoorbeeld, vindt aanvankelijk haar gezonde verstand terug. Ze gaat weer meedoen aan de hysterie wanneer de haar omringende krachten sterker blijken dan zijzelf. Elisabeth Proctor denkt haar man te beschermen door op een verkeerd moment zijn overspel te ontkennen. En John Proctor heeft vrijwel alles in de gaten. Maar hij doorziet het mechanisme van de hysterie te laat. En erkent uiteindelijk dat hij liever rechtop wil sterven dan op zijn knieen te leven.
De produktie van het Ro-theater was voor mij een adembenemende gebeurtenis. Ik vind het sowieso getuigen van grote moed om in deze cynische tijd een voorstelling te maken over de vraag hoe iemand onder massieve maatschappelijke druk zijn rug kan rechten tegen nonsens waar de rest van de wereld voor in het stof bijt. Ik heb op de Nederlandse planken lang geen voorstelling meer gezien waarin het hele produktieteam (vormgeving, regie, acteurs, bewerking, vertaling) zo intens loyaal zijn aan de scherpe keuzes van een schrijver. Om ons vervolgens een heldere, bloedstollende en spannende toneelavond te bezorgen.
Vrijwel alles speelt zich af op het voortoneel, tegen een achterwand vol kieren, met zicht op een immense ruimte, een geestelijke ruimte die de benauwenis van Salem haar bewoners nooit meer zal bieden. Het acteren is effectief, trouw aan de fabel en het thrillermechanisme van het stuk. De energiek getoonde hysterie van Abigail (Camilla Siegertsz) en de wanhoop van Mary Warren (Tamar van den Dop) worden op een bijzondere wijze hard afgezet tegen de griezelige nuchterheid van het echtpaar Proctor (Jos Verbist en Marieke van Leeuwen), met tussen hen de scherpe bemiddelaar Danforth (Krijn ter Braak). Zij (en alle anderen) bieden grootse, want trefzekere creaties. Hun werk dwingt tot meedenken. Als John Proctor tijdens een vooronderzoek wordt gedwongen de tien geboden op te zeggen, raak ik zeer gecharmeerd door zijn gestuntel (ik zou ze ook niet weten). Tegelijk ben ik geroerd door het gebod dat hij ‘vergeet’: Gij zult niet doden. Een auteur heeft zo'n vondst als verspreking achter zijn schrijftafel bedacht. Een goed acteur pepert hem je tijdens een voorstelling keihard in. Dat gebeurt hier.
De produktie is grof weggeschreven. Ieder toneellandschap krijgt de kritiek die ze verdient, heb ik begrepen. Welaan: theater van deze intensiteit verdient meer dan critici met modder in ogen en oren. Ik roep het maar weer eens tegen de wind in: negeer uw kranten.