Stiller van Max Frisch

De moed om onzeker te zijn

Max Frisch is een van de grote vier van de ­naoorlogse Duitse ­literatuur. Het opnieuw uitgegeven Stiller uit 1954 gaat, als bijna al zijn werk, in de eerste plaats over identiteitsproblematiek. ‘Je kunt alles vertellen, ­alleen niet je werkelijke leven.’

Max Frisch, Stiller, € 19,90
Duitse editie, € 11,50

Medium 777 1359129170

Zoals je over de grote drie in de Nederlandse literatuur na 1945 kunt spreken – Hermans, Reve, Mulisch – zo zou je ook over de grote drie of vier binnen de Duitse literatuur kunnen spreken. De twee Nobelprijswinnaars Günter Grass en Elias Canetti behoren vanzelfsprekend hiertoe, maar ook Max Frisch en Thomas Bernhard horen in het rijtje thuis. Max Frisch (1911-1991) is de modernste van het viertal, en tevens de grootste psycholoog. Een gigantisch oeuvre, verdeeld over bijna alle genres, heeft de Zwitser op zijn naam staan. Schitterende romans als Stiller, Homo Faber en Mein Name sei Gantenbein, twee bijna onuitputtelijke dagboekdelen – waarvan het Tagebuch 1946-1949 door velen als de kern van zijn werk wordt beschouwd – een populaire liefdesnovelle als Montauk of korte late werken waarin de angst voor de dood en lichamelijk verval een grote rol spelen: Der Mensch erscheint im Holozän en Blaubart. En verder heeft Frisch een groot toneeloeuvre geschreven waarvan sommige titels, Andorra of Biographie: Ein Spiel, honderden ensceneringen hebben beleefd en nog steeds een uitdaging vormen voor ambitieuze regisseurs.

Het is moeilijk om een schifting of persoonlijke voorkeur binnen Frisch’ oeuvre aan te brengen, maar zeker is wel dat Stiller – waarmee Frisch in 1954 definitief doorbrak – en Mein Name sei Gantenbein (1964) zijn beroemdste en meest ambitieuze prozawerken vormen. Onlangs is Stiller heruitgegeven in een al ruim dertig jaar oude maar nog opvallend frisse en levendige vertaling van Margot Klaarhamer.

De Zwitserse beeldhouwer Ludwig Anatol Stiller heeft radicaal met zijn verleden gebroken. Hij is naar Amerika uitgeweken en heeft daar onder de naam White een nieuwe identiteit aangenomen. Op doortocht in zijn land van herkomst wordt hij gearresteerd. Stiller/White wordt ervan verdacht identiek te zijn aan de zeven jaar eerder spoorloos verdwenen beeldhouwer, die in een mysterieuze spionageaffaire verwikkeld was. De arrestant blijft echter hardnekkig ontkennen iets met de verdwenen kunstenaar van doen te hebben, hoewel de confrontaties met zijn vrouw Julika en diverse bekenden geen twijfel overlaten. ‘Ik ben Stiller niet’, luidt de beroemde openingszin, die later wordt afgezwakt in: ‘Ik ben niet júllie Stiller.’

Vanuit de gevangenis, waar hij in voorarrest zit, krijgt Stiller de gelegenheid zijn verleden op schrift te stellen, en aldus ontstaat voor de lezer het beeld van een uiterst problematische persoonlijkheid wiens huwelijk en andere relaties schipbreuk leden en die ook als kunstenaar of als vrijwilliger in de Spaanse burgeroorlog volledig heeft gefaald – althans, naar eigen waarneming. Stiller week uit naar Amerika en hoopte daar een nieuw leven te beginnen. Dat lukte aanvankelijk maar ten dele, de ommekeer kwam pas twee jaar voor zijn arrestatie, na een mislukte zelfmoordpoging: ‘Ik had een leven dat nooit een leven was geweest weggegooid.’

Stiller is in de eerste plaats een roman over een identiteitsproblematiek, die steeds groteskere vormen aanneemt. Schitterend is bijvoorbeeld de scène waarin de beeldhouwer in zijn cel geconfronteerd wordt met echtgenote Julika en zich van de domme houdt. Maar je zou net zo goed van een kunstenaars-, een huwelijks- of zelfs een schelmenroman kunnen spreken: ‘Zijn plezier in uilespiegelstreken heeft Stiller nooit verlaten. Hij had een zekere mate van veinzerij nodig om zich onder de mensen goed te voelen.’

De indrukwekkendste fragmenten zijn gewijd aan de verhouding tussen Stiller en Julika, respectievelijk tussen de titelfiguur en zijn minnares Sibylle. Stiller is een egocentrische, ietwat levensangstige man van eenvoudige afkomst; permanent heeft hij het gevoel dat hij niet aan de verwachtingen voldoet. Julika, een half-Hongaarse, uit grootburgerlijke kringen afkomstige balletdanseres (ze haalt de cover van een publiekstijdschrift, wat Stiller trots én jaloers maakt), is een fijnzinnige, blijkbaar frigide vrouw die volledig opgaat in haar beroep. Ze heeft slechte ervaringen met mannen opgedaan, is zelfs een beetje bang voor ze. Over het huwelijk tussen deze sensibele mensen luidt het: ‘Ze hadden elkaar nodig op grond van hun angst.’

Magistraal is Frisch als hij de gevoelens van Stiller, Julika en Sibylle beschrijft. Hier is zijn techniek van innerlijke monologen en snelle perspectiefwisselingen uiterst effectief. Frisch kan gedetailleerd beschrijven hoe het aanvoelt om bij een echtpaar op bezoek te gaan dat net een crisis doormaakt: ‘Gezellig als op een mijnenveld.’ Onvergetelijk is het lange fragment, gesitueerd in Stillers atelier, waarin beschreven wordt hoe Sibylle verliefd wordt op de beeldhouwer, die indruk op haar maakt met de beschrijving van een stierengevecht. Later, na haar eerste overspelige nacht, blijkt dat Sibylle, die getrouwd is met de veel oudere Rolf (Stillers vriend en officier van justitie) ernstige schuldgevoelens ontwikkelt als ze haar echtgenoot van het vliegveld afhaalt. Rolf op zijn beurt denkt dat Sibylle’s verwarring veroorzaakt wordt doordat zij hém van een zijsprong verdenkt. Hier, in dit soort situaties, is Frisch onovertreffelijk en soms heel komisch.

‘Je kunt alles vertellen, alleen niet je werkelijke leven’, zegt Stiller en: ‘Ik heb geen taal voor de werkelijkeid.’ Het zijn de filosofische kern­gedachten van de roman, waarop telkens wordt gevarieerd en die illustratief zijn voor de crisis van de verteller. Frisch’ mening dat we geen statische identiteit hebben, en dat we alleen bestaan uit telkens wisselende en vloeibare rollen en maskers, uit de blikken en verhalen van anderen én van onszelf, is ongetwijfeld zijn centrale thema – niet alleen in Stiller.

Frisch’ figuren, of het nu gaat om Stiller, Gantenbein of Jürg Reinhardt (uit het gelijknamige vroege boek), voelen zich beperkt en beknot in vaste rollen en leefpatronen. Ze verafschuwen het om vastgelegd en gefixeerd te worden, vrijheid gaat hen boven alles; de ‘lokroep van het oneindige’ noemde de Zwitserse essayiste Beatrice von Matt dit in haar twee jaar geleden verschenen excellente bundel Mein Name ist Frisch. Vandaar ook de onrust en het vele reizen van Frisch’ personages, die permanent en route lijken te zijn.

Ook en mischien wel vooral in de liefde voelen Frisch’ figuren zich opgesloten en vastgelegd. Stiller, die graag over zichzelf in de derde persoon spreekt, zegt het op zijn eigen radicale wijze: ‘Hij is niet bereid, niet in staat, bemind te worden als degene die hij is en daarom verwaarloost hij onwillekeurig iedere vrouw die oprecht van hem houdt, want als hij haar liefde serieus zou nemen was hij immers gedwongen ook zichzelf te aanvaarden – en dat is verre van hem!’

Sommige biografen hebben op overeenkomsten gewezen tussen Frisch en het existentialisme van Camus en Sartre, die als agnostici eveneens religieuze troost verwierpen en bij wie de identiteitsvraag ook voorkomt – bij Sartre luidt het: ‘De hel, dat zijn de anderen.’ Toch zijn de parallellen met de Franse tijdgenoten niet al te duidelijk, met het absurdisme en pessimisme van Camus of het ‘geworpen zijn’ van Sartre heeft de Zwitser weinig gemeen. Eerder zou je bij Frisch aan overeenkomsten met Rainer Maria Rilke moeten denken, die tot zijn lievelingsschrijvers behoorde. Ook bij Rilke (deels een voorloper van de existentialisten) komt de identiteitskwestie regelmatig ter sprake, bijvoorbeeld in zijn dagboekroman Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge (1910) of in de Duineser Elegien (1923): ‘Was, wenn Verwandlung nicht, ist dein drängender Auftrag?’ luidt het bijna imperatief in de negende. Rilke’s vroege gedicht Archaischer Torso Apollos sluit af met de beroemde woorden: ‘Du mußt dein Leben ändern.’

Rilke en Max Frisch hadden een tijdlang dezelfde lievelingsfilosoof: Sören Kierkegaard (Rilke heeft zelfs Deens geleerd om hem in het origineel te kunnen lezen). De beide motto’s van Stiller stammen uit Kierkegaards hoofdwerk Enten-Eller (Of-Of). Het eerste luidt: ‘Kijk, daarom is het zo moeilijk zichzelf te kiezen, omdat bij die keuze de absolute isolatie identiek is met de diepste continuïteit, omdat door die keuze iedere mogelijkheid om iets anders te worden, of beter gezegd om zichzelf in iets anders om te dichten, onvoorwaardelijk wordt uitgesloten.’

Max Frisch behoort tot de grote prozavernieuwers binnen de Duitse literatuur na 1945, in dit opzicht vergelijkbaar met Wolfgang Koeppen, Uwe Johnson of Wolfgang Hildesheimer. Bijna alle genres die het proza te bieden heeft zijn in Stiller vertegenwoordigd: parabels, sprookjes, dagboeknotities, aforismen, prozagedichten en essayistische fragmenten. Frisch vertelt a-chronologisch en wisselt regelmatig van perspectief. Al met al geen gemakkelijke roman, die zeker concentratie verlangt van de lezer. Maar Frisch slaagt er wonderwel in om zijn verhaal levendig, speels en toegankelijk te houden. Hij schrijft een volstrekt helder, elegant, nergens opdringerig of gekunsteld proza. Het predikaat ‘klassiek’ is hier het beste van toepassing.

Nergens heeft Frisch zijn poëtica en voorkeur voor het fragmentarisme beknopter en beter verwoord dan in zijn beroemde Tagebuch 1946-1949. De schetsmatige manier van vertellen, zo schrijft hij daar, is voor hem ‘uitdrukking van een wereldbeeld dat niet meer of nog niet gesloten is’. Zolang een definitief antwoord op de levensvragen ontbreekt, alles provisorisch is, vormt het fragmentarisme ‘het enige gezicht’ dat we ‘met goed fatsoen kunnen opzetten.’

Ook de twee belangrijkste werken die na Stiller verschenen, Montauk en Mein Name sei Gantenbein, zijn uiterst modern en fragmentarisch van compositie. De schitterende, autobiografische novelle Montauk (1975) gaat over de liefde van een al wat oudere schrijver voor een jonge vrouw, maar ook over jaloezie, schuldgevoelens en vergankelijkheid. Misschien nog meer dan in zijn andere werken heeft Frisch hier een heel persoonlijke, welhaast intieme toon gevonden. Soms grenst zijn eerlijkheid bijna aan exhibitionisme, bijvoorbeeld als hij ingaat op zijn impotentie, saaiheid of gebrekkige kennis van het Engels. ‘De moed om onzeker te zijn vormde de eigenlijke soevereiniteit van Max Frisch’, zo schreef Volker Hage in zijn Rowohlt-monografie.

In Mein Name sei Gantenbein (1964), Frisch’ vrolijkste en uitbundigste roman, wordt de experimentele vertelwijze op de spits gedreven. Deze roman ontbeert een klassieke handeling of ‘verhaal’ en bestaat volledig uit een spelletje met fantasieën, mogelijkheden, projecties. Noch de naam, noch de leeftijd of de karaktereigenschappen van de titelfiguur staan vast; de conjunctief ‘sei’ uit de titel geeft aan dat het hier slechts om een mogelijkheid gaat. Toen het boek in 1965 voor het eerst in het Nederlands verscheen, kreeg het de toepasselijke titel Ontwerpen voor een Ik mee, ontleend aan een fragment uit het boek.

‘Ieder mens bedenkt vroeg of laat een verhaal dat hij als zijn leven beschouwt’, zegt Gantenbein, die zich nu eens presenteert als (bedrogen) echtgenoot van een beroemde actrice, geleerde vriend van een pedicure of zelfs als goedmoedige blinde. Gantenbein heeft zichtbaar plezier in zijn rollenspelletjes: ‘Ik probeer verhalen aan als kleren.’ Tussen de bedrijven door schittert de verteller met theoretische bijdragen over verteltechniek, politiek engagement van schrijvers of jaloezie tussen huwelijkspartners.

Het laatste vormt een geliefkoosd thema van Frisch, ook in Stiller komt het regelmatig terug. Daar betreft het niet alleen de titelfiguur maar ook en misschien wel vooral diens vriend Rolf, de echtgenoot van Sibylle. Rolf presenteert zich als een moderne, libertijnse man die zijsprongen binnen een huwelijk ‘bespreekbaar’ vindt. Maar als zijn vrouw hem bekent dat ze een relatie heeft met Stiller breekt de hel los: ‘Plannen van jongensachtige wraakzucht gingen door zijn hoofd.’

De schijnbaar zo tolerante Rolf vertrekt per nachttrein naar Italië, totaal ontredderd, aan de rand van zelfmoord – en wat dan volgt aan dramatiek, avontuur en ironie vormt een van de hoogtepunten binnen de roman. Alleen al voor dit fragment zou je Stiller moeten lezen.

Max frisch

Stiller

Uit het Duits

vertaald door Margot

Klaarhamer,

Van Gennep,

416 blz., € 19,90