W.F. Hermans solitaire engagement

De moed tot het absurde

Was Willem Frederik Hermans een lichtend voorbeeld of een loden last? Afgelopen zondag bogen enkele schrijvers in De Balie te Amsterdam zich over deze vraag. Graa Boomsma bewondert vooral Hermans’ solitaire engagement

In 1986 verklaarde de Amsterdamse maffia van politiek correcte regenten Willem Frederik Hermans tot persona non grata van zijn geboortestad. Had die non-conformist maar niet naar Zuid-Afrika moeten gaan. Voor de zoveelste keer won de binnendijkse morele-gidsmentaliteit het van een kosmopolitische kijk op levens kunst en literatuur. Toen Hermans begin 1987 toch naar de hoofdstad kwam om in De Balie te spreken over beginzinnen in zijn ro mans, moest hij door een bommelding zijn lezing onderbeken. Een anonieme held had een daad gesteld omdat die actievoerder achter de telefoon natuurlijk heel goed wist wat goed en kwaad was, en zo liet blijken niets te begrijpen van romans als De tranen der acacia’s en De donkere kamer van Damocles. Immers, Hermans’ litera tuur en de Hollandse doorsneemoraal verhouden zich als water en vuur. «Als ik schrijf doe ik mijn best iets te beweren dat nog niet eer der is beweerd, of tenminste weg te laten wat bij honderd anderen ook te vinden is.» Dat is de Hermans die mij bevalt: niemand naar de mond praten, ter sprake brengen wat de massa verzwijgt of verdringt.
De straf die de verspreider van het bommengerucht in De Balie alsnog moet krijgen, is deze: het lezen van een van de meest tedere maar minst bestudeerde boeken van Hermans: De laatste resten tropisch Nederland (1969).
In dit bescheiden, bewogen, geëngageerde, polemische reisboek — waaruit ik zojuist citeerde — weet Hermans een genuanceerd beeld te geven van Hollands kolonies in de West. Maar er is veel meer. Wie De laatste resten tropisch Nederland zorgvuldig leest vindt de proto-Hermans. Natuurlijk is dat ook de polemicus die «de theoretici van rassenstrijd en ontwikkelingshulp» ridiculiseert, die de salon-marxisten en Cuba-vereerders op de korrel neemt. Maar Hermans is in dit reisboek meer dan de provocateur van de politiek correcte terreur. Hij is bovenal een nieuwsgierig registrerende schrijver die scherp luistert naar mensen en nergens betweterig oreert maar wel tussen neus en lippen door steekhoudende, visionaire opmerkingen over ontwikkelingshulp maakt. Hermans is niet links of rechts, Hermans is Hermans, de historische waarheid blijft ook in dit reisboek een hersenschim.
Wat blijft intrigeren, is de paradoxale zoektocht van de schrijver (denk aan oplichter Weinreb) en van personages als Osewoudt naar diezelfde historische waarheid. Niet toevallig is het aan het einde van De donkere kamer van Damocles een SS'er die zegt waar het op staat: de mens die zijn sterfelijkheid beseft kan geen absolute moraal meer koesteren, voor hem zijn goedheid en barmhartigheid maskerades van angst. De mens blijft berekenend.
En toch. Bescheidenheid en compassie, zo is Hermans’ houding in De laatste resten tropisch Nederland het beste te omschrijven. In dit reisboek is hij een kwetsbare schrijver die oog heeft voor een kleurrijke samenleving vol corruptie en armoede. Hij stelt zich zelfs dienstbaar op als stakende Surinaamse onderwijzers hem vragen om een solidariteitsactie.

Waarom schrijven? Het is een vraag waarop een beetje schrijver van alles weet te verzinnen. Waarom vol compassie je personages volgen als zoiets als waarheid louter handelswaar is? In De laatste resten tropisch Nederland komt Hermans met een verrassend antwoord: «Er wil me maar één antwoord te binnen schieten dat voor mijn gevoel de vrager niet met een kluitje in het riet zou sturen: de microfoon door de zaal keilen, het podium in elkaar trappen, de hele spreekinstallatie afbreken. Duidelijk antwoord, nietwaar: hij schrijft omdat hij niet wil spreken.»
Schrijven als levenshouding, als wraakoefening in een wereld vol bedriegers en bedrogenen, als een asociale activiteit wars van kleinburgerlijk moralisme. De misdaad van de mens — noem het een optelsom van moedwil en misverstand — wordt nooit opgelost. Waarom schrijft u? Hermans geeft in De laatste resten tropisch Nederland zijn meest onthullende antwoord: «Wel, ik las wel eens detectiveromans en het viel me altijd op dat, tot de laatste pagina, eigenlijk niemand wist hoe de vork in de steel zat, behalve de detective. Als nu eens de detective halverwege het boek zou worden doodgeschoten of onder een auto kwam, dan zou de misdaad nooit tot klaarheid kunnen worden gebracht.» Schrijven tegen de stroom in, de oude vormen en gedachten afbrekend. Dat solitaire engagement van Hermans staat me aan.
Hermans over Suriname en de Antillen, Camus over Algerije. Is er een verband
In 1947 schreef Hermans als een der eersten in Nederland bewonderend over Albert Camus, die hier toen vooral woede en weerstand opriep. «De moed tot het absurde» heette zijn artikel. Wij schrijvers hebben alleen maar de kunst om niet aan de waarheid te sterven, citeerde hij Nietzsche, Camus’ lievelingsfilosoof. Om eraan toe te voegen: «Het is goed dat daar nu aan herinnerd wordt, het is het enige (maar een zeer belangrijk) recht dat de kunstenaar zich verwerven kan: dat der absurditeit. Dit is de proloog op Hermans’ sadistische universum. Wat schreef Camus in De mythe van Sisyphus?: «in een universum dat plotseling ontdaan is van illusies en lichtpunten, voelt de mens zich een vreemdeling. Hij bevindt zich in ballingschap zonder uitweg, omdat er geen herinnering bestaat aan een verloren vaderland of hoop op een beloofd land. Die breuk tussen de mens en zijn leven, de acteur en zijn decor, dat is de wezenlijke ervaring van de absurditeit.»
Die woorden van de onafhankelijke denker en schrijver Camus moeten voor Hermans al vroeg een schok der herkenning zijn geweest. De opstandige mens en de revolterende schrijver die Hermans werd, schreef niet uit idealisme maar als een bedrogene. Schrijven alsof je leven ervan afhangt, als confrontatie met de zwijgende kosmos. Die hermansiaanse inzet heeft mijn honger gewekt, een niet te stillen honger.
W.F. Hermans (II)
Op het Hermans-festival, afgelopen weekeinde in cultureel centrum De Balie in Amsterdam, werd onder meer Als twee druppels water vertoond, de verfilming van De donkere kamer van Damocles. De belangstelling was groot, al weken waren de drie voorstellingen (vrijdag, zaterdag en zondag) uitverkocht. Vrijwel iedereen die had gereserveerd, kwam zijn kaartje afhalen, waardoor ook hoog op de wachtlijst genoteerden teleurgesteld de hoofdstedelijke cultuurtempel moesten verlaten.
Boven een hoofd of vijftig snorde Rademakers’ juweeltje op een bescheiden doek. Afgezien van wat oubollig Hollands (Elly briest «hé zeg» als Osewoudt haar ietwat onzedig betast; oom Frans maakt zijn neef uit voor «vlerk») deed de film verrassend ongedateerd aan. Evenals in het boek wordt heel prachtig in het midden gelaten of Dorbeck nu wel of niet aan de fantasie van Osewoudt ontsproten is, waarmee het thema van de-immer-door-onzekerheid-geteisterde-mens elegant intact blijft. In een van de laatste scènes — Osewoudt is druk bezig een fotorolletje te ontwikkelen waar ten behoeve van zijn onschuld Dorbeck wel op móet staan — verschijnt ineens de tronie van niemand minder dan schuimkoning Freddy Heineken, de rol van een der assistent-rechercheurs vervullend. Heineken, die zijn leven lang al cultuur opkoopt om zo zijn eigen eendimensionaliteit te verhullen, had de acht ton die de film destijds kostte voor zijn rekening genomen en wilde daar kennelijk op Hitchcock-achtige wijze voor bedankt worden.
Op het moment van première, 1963, had Heineken een stormachtige affaire met stewardess annex fotomodel Nan Los. Rademakers had de oogstrelende brunette gevraagd de rol van Marianne op zich te nemen, wat zij — alle filmbezoekers van afgelopen weekeinde zullen dat beamen — met verve doet. In Cannes maakte Nederland de blits met de lowbudget film noir, een Engelse versie was in omloop en in Amerika ontving Als twee druppels water positieve kritieken. Heineken was op dat moment zo van Los in de ban dat hij zich reeds aan het losweken was van zijn vrouw. Plotseling biechtte Los op eigenlijk verliefd te zijn op autocoureur Gerard van Lennep. Als zijnde rechthebbende kondigde de ziedende Heineken aan dat de film nooit meer publiek vertoond zou worden, zo Los’ veelbelovende carrière in de knop brekend.
De 21ste eeuw is aangebroken en nog altijd houdt Heineken voet bij stuk. Wie de film wil vertonen, moet een beleefde brief sturen. Dan bepaalt de biermagnaat of de film bij het Filmmuseum uit de kluis gehaald mag worden. Gelukkig voor de organisatie van het Hermans-festival beschikte Heineken positief. Dank u wel, cultuurminnende meneer Heineken! (Joris van Casteren)