De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

De moed van een dorp

Tijdens de coronapandemie verschijnen klassiekers als De pest van Albert Camus weer boven aan de bestsellerlijsten. De Algerijnse stad Oran speelt in het verhaal een prominente rol, maar had evengoed Bergamo of New York kunnen heten.

Een van de onverwachte neveneffecten van de corona-uitbraak is de herontdekking van literaire werken uit het verleden. De pest bijvoorbeeld, van Albert Camus, uit 1947, een roman die een verbluffende gelijkenis vertoont met de verslagen van de pandemie zoals die ons dagelijks via de televisie bereiken.

Camus voert een anonieme verteller op die in zijn rol van ‘reporter’ zelf grotendeels buiten beeld blijft om ‘op locatie’ van dag tot dag verslag te doen van het leven en het sterven in een stad die na de uitbraak van een pestepidemie in quarantaine is gegaan. De stad in kwestie heet Oran, maar had evengoed Bergamo of New York kunnen heten. Net als in de huidige reportages over het coronavirus ligt de nadruk bij Camus op de lotgevallen van de bewoners van Oran als collectief, waarbij slechts zo nu en dan het persoonlijk drama van een – meestal naamloze – enkeling wordt uitgelicht.

Met een haast filmisch gevoel voor detail beschrijft Camus in korte, kale zinnen alle stadia die de stad en haar bewoners doormaken vanaf het moment waarop de verteller de eerste dode rat in zijn trapportaal vindt. De huisbewaarder houdt het aanvankelijk op een ongepaste grap. Maar na een eerste fase van ontkenning slaat bij de bevolking van de stad de angst toe, al klampen de bewoners zich, tegen beter weten in, nog altijd vast aan de hoop dat er sprake is van een vergissing, van een tijdelijke dreiging, die bij het aanbreken van de eerste warme dagen als sneeuw voor de zon zal verdwijnen.

Ook het verdere verloop van de epidemie is in het licht van de huidige crisis verrassend herkenbaar. In eerste instantie valt er bij de autoriteiten vooral aarzeling te bespeuren om het P-woord uit te spreken en drastische maatregelen te nemen. Vervolgens constateert men een gebrek aan serum, dat bovendien van overzee moet komen en waarvan onduidelijk is of het wel zal werken. De ziekenhuizen kunnen de toestroom van patiënten niet langer verwerken. Mogelijke dragers van de pestbacil worden goedschiks of kwaadschiks afgevoerd naar het plaatselijke stadion, waar ze min of meer aan hun lot worden overgelaten. De kranten houden nauwgezet de scores bij van het aantal zieken en overledenen.

Wanneer na de ziekenhuizen ook de begraafplaatsen en mortuaria de grens van hun capaciteit bereiken, neemt het stadsbestuur zijn toevlucht tot een onorthodoxe maatregel die het naargeestige beeld oproept van de kolonnes legertrucks en koelwagens die tijdens de huidige crisis op verschillende plaatsen in de wereld voor hetzelfde doel werden en worden ingezet: ‘Zo waren de hele nazomer en ook tijdens de herfstregens in het holst van elke nacht langs de kustweg vreemde tramstellen zonder passagiers te zien, die hobbelend hoog boven de zee reden […], beladen met bloemen en doden.’

Het traject van deze spooktram eindigt even buiten de stad, waar de doden, ongekist, ter aarde worden besteld in inderhaast gedolven massagraven, die vervolgens worden afgedekt met een laag ongebluste kalk.

Het naoorlogse publiek las het boek in 1947 in de eerste plaats als een moderne allegorie over Frankrijk tijdens de Duitse bezetting, waarbij de pest symbool stond voor het nazisme (de bruine pest). In deze interpretatie lag de nadruk dus niet zozeer op het lijden van de stad als collectief, maar op het lot van vier van haar bewoners, die in de loop van het verhaal uit de anonimiteit naar voren komen om gezamenlijk de strijd aan te binden met de epidemie. Hun welbewuste keuze voor het ‘verzet’ in overdrachtelijke zin herinnerde het lezerspubliek aan soortgelijke dilemma’s uit de oorlogsjaren. Daarbij sloot het naadloos aan bij het gedachtegoed van het existentialisme dat, met de nadruk die het legde op persoonlijke verantwoordelijkheid en solidariteit, juist in deze tijd mateloos populair was.

Een vraag die echter zelden is gesteld, is waarom Camus nu juist Oran als plaats van handeling koos voor De pest. Want naast haar bewoners speelt ook de stad zelf een belangrijke rol in het verhaal. Met het boek in de hand kun je vandaag de dag nog gemakkelijk veel van de straten en wijken terugvinden die de arts-verteller in De pest doorkruist op weg naar zijn patiënten, zij het dat de meeste van naam veranderden toen Algerije in 1962 onafhankelijk werd. Dat geldt zowel voor het Place d’Armes, het centrale plein dat meermalen voorkomt in De pest, als voor de Rue Faidherbe, waar twee van de belangrijkste personages wonen. Het eerste werd herdoopt in ‘plein van de eerste november 1954’, de tweede in ‘straat van de vijfde juli’, ter herinnering aan twee sleutelmomenten uit de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd: de datum waarop de Algerijnen massaal in opstand kwamen tegen het Franse koloniale bewind en de vijfde juli 1962, waarop Frankrijk officieel afstand deed van haar belangrijkste kolonie.

Door de precisie waarmee Camus de topografie van Oran in de jaren dertig van de vorige eeuw heeft weergegeven, verschaft hij ons ook impliciet een indicatie van het gesegregeerde karakter van deze koloniale stad in Noord-Afrika. Behalve een enkele verwijzing naar het bestaan van een inheemse wijk – het overbevolkte village nègre dat zich om gezondheidsredenen buiten de stadsmuren bevond, maar dat in de roman merkwaardigerwijs voor de pest gespaard blijft – wijst immers niets op de aanwezigheid van moslims. Tijdens de epidemie bidden de inwoners tot de Heilige Rochus, de schutspatroon van de pestlijders. In de etalages van sommige winkels liggen kerstartikelen uitgestald en op de terrassen wordt geen muntthee maar anisette (25 procent alcohol) geschonken.

Het onheil wordt niet beschreven als een gevaar van buitenaf, zoals een invasie door vreemden – het kwaad zit ín de stad

Wat echter vooral nieuwsgierig maakt naar Oran als plaats van handeling zijn de passages in de tekst die het endogene karakter van de pest onderstrepen. Het onheil wordt niet beschreven als een gevaar dat de bewoners van buitenaf bedreigt, zoals een invasie door een vreemde mogendheid – het kwaad zit ín de stad: ‘Onze stadsgenoten troffen de ratten tot hun stomme verbazing aan op de drukste plekken van de stad […] Het leek alsof de aarde zelf waarop onze huizen stonden, zich van al zijn sappen ontdeed, alsof steenpuisten en bloedige etter die tot nog toe onderhuids aanwezig waren naar buiten kwamen.’

Dit betekent dat het afgrendelen van de stad van de buitenwereld haar inwoners geen veiligheid biedt, maar hen juist overlevert aan het kwaad. In de tweede helft van de jaren dertig had Camus naast De pest nog twee andere projecten op stapel staan waarin het thema van de stad-als-gevangenis eveneens nadrukkelijk aanwezig is. In Le Minotaure ou halte à Oran (1939), een korte schets, figureert Oran niet als een ommuurde stad maar als een labyrint, de woonplaats van de Minotaurus, waar om iedere straathoek een onbestemd gevaar loert. Camus beschrijft dit oord als een steenwoestijn zonder water of groen, de straten uitgestorven, zoals op de schilderijen van Giorgio de Chirico. De hoge muren van de gebouwen – ‘een verzameling massieve en roerloze kubussen’ – bieden geen bescherming tegen de onzichtbare vijand, maar houden je gevangen onder een loden hemel, als onder een stolp. Een stad waar je stikt.

Het meest expliciet vinden we het thema van de stad-als-gevangenis uitgewerkt in een toneelstuk, L’état de siège. Hoewel het stuk pas na afloop van de Tweede Wereldoorlog in Parijs in première ging, maakte Camus er al een eerste opzet voor toen hij in de jaren tussen 1938 en 1941 in Oran verbleef. L’état de siège speelt in de Spaanse havenstad Cádiz, geografisch maar ook gevoelsmatig de Europese zusterstad van Oran. Er komt een dictator aan de macht, Pest genaamd, die een voor een de poorten van de stad laat sluiten, alvorens opdracht te geven tot de systematische uitroeiing van de inwoners: ‘Nu zitten we als ratten in de val in deze benauwde stad, zonder bomen, zonder water, hermetisch afgesloten van de buitenwereld door hoge, gladde poorten die geen enkel houvast bieden, aan alle kanten ingesloten door een menigte die het uitschreeuwt van angst. Cádiz tenslotte, als een arena in rood en zwart waar rituele moorden zullen worden voltrokken.’

Het gebruik van de pest als metafoor voor de opkomst en overwinning van de caudillo, Francisco Franco, en daarmee het fascisme, is hier overduidelijk. Als geëngageerde intellectueel en journalist van de linkse krant Alger Républicain volgde Camus het verloop van de Spaanse burgeroorlog op de voet. Zijn sympathie ging daarbij vanzelfsprekend uit naar de republikeinse factie die vocht voor het behoud van de democratie. Vanuit Algerije gezien waren de ontwikkelingen in Spanje in de jaren dertig aanzienlijk dichter bij huis dan die in nazi-Duitsland of zelfs Italië.

Dat gold in het bijzonder voor Oran, waar een ruime meerderheid van de bevolking geen Franse maar Spaanse wortels had en waar je, getuige een gedegen demografische studie uit 1938, op straat meer Spaans hoorde spreken dan Arabisch of Frans. Ook Camus’ familie van moederskant was oorspronkelijk afkomstig uit Spanje.

Camus, de man uit Algiers, voelde zich in Oran sowieso een buitenstaander. Of zijn afkeer van de tweede stad van de kolonie, net als bij de verteller van De pest, deels voortkwam uit esthetische overwegingen – ‘een stad die de zee haar rug toekeert’, zoals hij bij herhaling schrijft – is zeer wel mogelijk. Maar het was toch vooral het alom aanwezige, rabiate racisme dat hem tegenstond, en dat zijn giftige pijlen enerzijds richtte op de Arabische bevolking uit de bidonvilles aan de rand van de stad, anderzijds op de geassimileerde joodse gemeenschap uit de betere wijken.

Camus bezocht Oran voor het eerst in 1937. Hij maakte deel uit van het theatergezelschap van de radio-omroep van Algiers, dat in Oran een stuk van Molière zou opvoeren met de 24-jarige Camus, die er in die tijd alles aan deed om op Humphrey Bogart te lijken, in de rol van jeune premier. Korte tijd later raakte hij verliefd op een knappe wiskundelerares uit Oran, Francine Faure. Nadat hij haar ten huwelijk had gevraagd, toonde zij haar familie een pasfotootje van haar kersverse verloofde met de woorden: ‘Hij heeft me opgedragen om jullie te zeggen dat hij ziek is, geen geld heeft en geen beroep, dat hij nog in scheiding ligt en zijn vrijheid lief heeft.’

Oran, Algerije © Patrick Zachmann / Magnum / HH

Wat de reactie van Francines moeder en zusters was op deze introductie – haar vader was, net als die van Camus, gesneuveld tijdens de Eerste Wereldoorlog – is onbekend. Maar ze trouwden niet lang daarna en namen hun intrek in een appartement, gelegen aan een van de mooiste straten van de Europese wijk, de Rue d’Arzew. Tegenwoordig draagt deze straat de naam van een verzetsstrijder die een hoofdrol vervulde in de slag om Algiers (1957) en vervolgens ‘verdween’ in een Franse gevangenis: Larbi Ben M’hidi.

Camus moet hebben vermoed dat het dorp waar hij verbleef stil in opstand kwam tegen de ideologie die in Oran luid was omarmd

Sinds 1870 genoot de joodse bevolking van Algerije dezelfde rechten als de Franse kolonisten. Deze statusverbetering droeg in belangrijke mate bij tot hun emancipatie, maar vergrootte tegelijkertijd de kloof met de twee andere inheemse bevolkingsgroepen van het land, die de inferieure status van gekoloniseerden (sujets coloniaux) behielden: de Arabieren en de Berbers. Een derde groep die deze ontwikkeling met lede ogen aanzag, was die van de arbeidsmigranten uit Spanje, van wie het grootste deel geconcentreerd was in de armoedige wijken rond de haven van Oran. Deze arme blanken voelden zich achtergesteld ten opzichte van de Franstalige bewoners van het hoger gelegen, moderne stadscentrum, waartoe ook de joden behoorden. Anders dan deze laatsten hadden de Spaanstaligen geen enkele affiniteit met Frankrijk.

Aan het einde van de negentiende eeuw laaide in Frankrijk een virulent antisemitisme op dat vervolgens oversloeg naar de koloniën in Noord-Afrika. Extreem-rechtse burgemeesters zoals dr. Molle maakten handig gebruik van de frustratie die er leefde bij de Spaanse immigranten door hen op te zetten tegen de joden, die werden gezien als een verlengstuk van het centrale gezag in Parijs. De opvolger van Molle was de charismatische priester Gabriel Lambert. Deze politicus cum zielenherder, die zijn soutane bij voorkeur completeerde met een tropenhelm, ging nog verder. Daar hij zijn populariteit deels te danken had aan zijn succes als wichelroedeloper maakte hij handig gebruik van de alom bestaande vrees bij de bewoners van de stad dat er als gevolg van de snelle toename van het aantal inwoners in deze periode een tekort aan schoon drinkwater zou ontstaan. Tijdens zijn turbulente verkiezingscampagnes scandeerden de aanhangers van Lambert antisemitische leuzen, waarin de noodzaak van een etnische zuivering in het belang van de volksgezondheid breed werd uitgemeten.

Omdat extreem-rechts in de jaren dertig regelmatig door het centrum van Oran defileerde, moet het gebrul van deze volksmassa’s ook vast en zeker zijn doorgedrongen tot het appartement aan de Rue d’Arzew, waar Camus vanaf 1938 werkte aan een eerste opzet voor De pest. De weerslag daarvan is te vinden in een passage die hij uiteindelijk schrapte, mogelijk omdat deze te zeer afbreuk zou doen aan het allegorische karakter van de roman: ‘Wat betreft de koorts en de geruchten die zich door de stad verspreidden, daarover bestond bij dit gezelschap niet de minste twijfel. Alles werd veroorzaakt door het vuil en het vuil kwam van de joden, de Arabieren en de vreemdelingen die talrijk waren in onze stad.’

Camus was er direct getuige van hoe het politieke klimaat in Oran steeds meer vergiftigd raakte. Nadat de Spaanse burgeroorlog in 1939 in het voordeel van de Falange was beslecht ijverde burgemeester Lambert openlijk voor de annexatie van Oran door Spanje. In 1940 schaarde de tweede stad van Algerije zich zonder aarzelen achter het collaborerende regime van maarschalk Pétain; de joodse inwoners van Oran raakten van de ene dag op de andere hun Franse staatsburgerschap kwijt en daarmee het recht om een publieke functie te vervullen. Deze maatregel kwam in de kennissenkring van Albert en Francine Camus hard aan, omdat de meesten van hen, net als zijzelf, werkzaam waren in het onderwijs. In hetzelfde jaar verloor Camus zijn baan bij de Alger républicain toen de krant een publicatieverbod kreeg opgelegd. De meest gelezen krant van Oran, de Oran-Matin, met een oplage van vijftigduizend exemplaren, voerde al vanaf begin jaren dertig een hakenkruis als logo.

Dat Camus het leven in Oran steeds zwaarder viel, had echter ook een andere reden. Hij leed sinds zijn achttiende aan tbc. Aan het begin van de jaren veertig was zijn gezondheid zo zeer verslechterd dat zijn arts hem een verblijf in de bergen voorschreef. In de zomer van 1942 maakte hij de oversteek naar Frankrijk. Daar nam hij zijn intrek in Le Panelier, een klein familiehotel bij Le Chambon-sur-Lignon, een hooggelegen dorp, zo’n veertig kilometer ten zuiden van Saint-Étienne. Volgens plan zou Camus er twee maanden blijven, maar nadat de Duitsers in november 1942 ook het zuiden van Frankrijk hadden bezet, was terugkeer naar Algerije uitgesloten. Uiteindelijk bleef Camus veertien maanden in Le Panelier en keerde hij pas in 1948 voor het eerst weer terug naar zijn geboorteland. De achtereenvolgende successen van De vreemdeling (1942) en De pest (1947) hadden hem in de tussenliggende periode van een onbekende debutant uit de periferie tot de meest succesvolle Franse schrijver van zijn generatie gemaakt.

Van meet af aan stond voor hem vast dat hij weliswaar geen realistische roman wilde schrijven, maar wel een boek dat op de een of andere manier verankerd zou zijn in de geschiedenis van zijn tijd. Dat verklaart tevens waarom de stad Oran in De pest zoveel explicieter aanwezig is dan Algiers als plaats van handeling in De vreemdeling, zijn debuutroman. Wat Camus rond 1938 echter niet had kunnen voorzien was hoe het verloop van diezelfde geschiedenis hem slechts enkele jaren later in contact zou brengen met de bewoners van een dorp dat in ieder opzicht de tegenpool was van het fascistoïde Oran.

De voorouders van de bevolking van Le-Chambon-sur-Lignon en de omliggende dorpen waren protestanten, die in de zeventiende eeuw uit angst voor vervolging om hun geloof naar het onherbergzame midden van Frankrijk waren gevlucht. Ze vormden een hechte boerengemeenschap die, onder leiding van de plaatselijke dominee en geïnspireerd door het geloof, collectief hulp en onderdak bood aan zo’n vijfduizend joden tijdens de Tweede Wereldoorlog, voor het merendeel kinderen. Omgerekend komt dat neer op een onderduiker per inwoner. Ze smokkelden onderduikers over de grens naar Zwitserland en redden zo’n twaalfhonderd kinderen zonder ouders uit het concentratiekamp Gurs, een teken van moed waarmee de recente weigering van de Nederlandse regering om zelfs maar één kind uit de Griekse vluchtelingenkampen op te nemen in schrille tegenstelling staat.

In 1986 maakte regisseur Pierre Sauvage, die zelf als baby in Le Chambon verbleef, een documentaire over deze bijzondere geschiedenis: Les armes de l’esprit. Op de filmbeelden zien we families de sabbat vieren in een koeienstal; het dorpsschooltje dat door de onverwachte toevloed aan leerlingen haast uit zijn voegen barst; een groepje donkerharige kinderen op een boerenerf, dollend met een varkentje dat ze Adolf hebben genoemd.

En Camus? ‘Hij maakte dagelijks een wandeling en schreef aan zijn roman’, aldus Emile Grand, een van de geïnterviewde dorpelingen, over de schrijver die in Le Chambon zijn buurman was. Camus gebruikte diens naam overigens voor een van de hoofdpersonen uit De pest: Joseph Grand. Hoewel Camus pas na zijn vertrek uit Le Chambon actief betrokken raakte bij het Franse verzet, moet hij op zijn minst een vermoeden hebben gehad van de stilzwijgende vanzelfsprekendheid waarmee hier een kleine dorpsgemeenschap in het geweer kwam tegen dezelfde ideologie die in de voorgaande decennia door de inwoners van Oran luidruchtig was omarmd.

Ruim tien jaar na de bevrijding, in januari 1955, ontving Camus een brief van een jonge bewonderaar, de toen nog onbekende Roland Barthes. ‘Heb ik gelijk wanneer ik De pest lees als een roman die “anti-historisch” is?’ vraagt Barthes zich af. Camus antwoordt met een categorisch nee: ‘De pest is in zekere zin meer dan een kroniek over het verzet. Maar stellig niet minder.’ Dit ‘meer’ heeft betrekking op de historische gebeurtenissen waarop Camus zijn roman niet slechts baseerde, maar die hem ook persoonlijk raakten. Tegelijkertijd begreep hij dat een teveel aan niet-verdichte feiten onvermijdelijk afbreuk zou doen aan het allegorische, universele karakter van het boek dat hem voor ogen stond.

Het lijkt me goed om juist in deze tijd even stil te staan bij het deels vergeten verleden dat tussen de regels van De pest verborgen zit. Dat geldt in de eerste plaats voor xenofobie en antisemitisme, die wij misschien in de hand dachten te hebben maar die in de huidige crisis extra venijnig de kop opsteken. Maar het geldt zeker ook voor Camus’ pleidooi voor solidariteit dat juist bij hem, als Algerijn, sterk gevoed werd door de gedachte dat de toekomst van de mediterrane wereld onverbrekelijk verbonden is met die van West- en Midden-Europa. Ten slotte is het juist in Nederland, en juist nu, van belang om de moed in herinnering te brengen van een dorp van vijfduizend zielen dat, nota bene in oorlogstijd, zich het lot aantrok van twaalfhonderd ouderloze vluchtelingenkinderen in een interneringskamp.


Met dank aan Mohamed Daoud (Oran) en Annie Ramel (Lyon)