De moeder

Schrijverschap en moederschap, het een hoeft het ander niet uit te sluiten zoals lang is beweerd. Zelfs door vrouwelijke denkers en schrijvers.

Charlotte Mutsaers, Piëta, 1984 © Charlotte Mutsaers / Literatuurmuseum Den Haag

‘Kankerhoer!’
‘Penis!’

Mijn jongere mannelijke collega’s wisselen babyfilmpjes uit op hun telefoons. De een heeft een dochter die ‘kangoeroe’ probeert te zeggen, de ander oefent haar stemhebbende en stemloze vocalen op ‘pinguïn’. Ik ben blij dat mijn jongere mannelijke collega’s goedlachs zijn en er goed uitzien, altijd, ook als pril vaderschap zijn tol eist, met slapeloze nachten, immer op de loer liggende bacillen, verminderde weerstand. Hun overhemd is steevast smetteloos, hun schoenen zijn gepoetst, ze hebben haar en gezichtsbegroeiing waarover elke dag wordt nagedacht voor de spiegel, de pet gaat op en de pet gaat af, straks hebben ze het weer gewoon over Brexit en over geïnstitutionaliseerd racisme, over Europa en democratie, en dat een beter klimaat toch echt niet bij jezelf begint, dat dat veel te simpel gedacht is. Ik heb clementie als ze later aanschuiven aan de redactietafel omdat er een kind jarig is, of ziek, of omdat het afscheid nemen op de crèche die ochtend lastiger was dan normaal. Er is geen normaal als je kinderen hebt, ik weet het uit eigen ervaring.

Ik ben niet bitter, niet zuur, ik ben verbaasd. Ik zie om in verwondering om met Annie Romein-Verschoor te spreken, van wie ik vroeger een affiche met de beeltenis van haar jonge én oude gezicht op mijn studentenkamer had hangen, naast de in zwart-wit gestolde bedachtzame profielen van Virginia Woolf en Simone de Beauvoir, en het uitzinnig opgemaakte hoofd van Mathilde Willink. Omzien in verwondering dus, en vooruit, misschien toch ook wel in lichte ontzetting. Ik verwijt het hoogstens mezelf dat ik destijds, toen mijn eigen kinderen klein waren en geen dag ‘normaal’ was, onder een normaliteitsjuk gebukt ging, dat ik vond dat het op geen enkele manier zicht- of merkbaar mocht zijn dat ik kinderen had. Sterker nog: dat ik er eer in schepte dat niemand enig idee had van de dag die ik er al had opzitten voor ik op de redactie aanschoof, en dat me dat iets makkelijker werd gemaakt omdat ik in een andere stad woonde dan werkte. ’s Ochtends parkeerde ik mijn fiets met kinderzitje voor en achter bij het station, om uit de stalling bij het andere station mijn vrije fiets te pakken, het heerlijk onpraktische opoegeval, in paars en goud geschilderd. Tegen de wind in zwoegend schreeuwde ik het moederdier eruit.



‘Vagina!’

‘Luldebehanger!’

Voor de vrouw met een dubbelleven is elke dag een circusnummer.

Maar er was nog iets destijds, een doemgedachte die zich dieper inboorde dan het juk van de rituele dans rond de primaire verzorging van het nageslacht: het besef dat ik gebaard had, en de vraag welk desastreus effect dat had op mijn verdere bestaan. Goed, laat ik de hamvraag durven stellen, de brandende kwestie articuleren die zich bij voorkeur door mij ironisch laat benaderen omdat ik de volle implicatie van het een en ander niet goed aankan, omdat het iets is waarover ik denk ik, dénk ik, niet echt een spijkerharde opvatting heb, omdat mijn mening nog wel eens wil fluctueren, al naar gelang het boek dat ik lees, de persoon tegenover me, de stand van de maan, omdat ik ook maar een mens ben, een vrouw, een moeder, een kind van mijn tijd dat zich niet almaar wil verschuilen achter zijn tijd om te verklaren dat…

Ik neem bij nader inzien nog even een afslag via een paar schrijvers, vrouwen die ik in mijn ontvankelijke uren las en ernstig nam, aan wie ik me spiegelde, allereerst Elfriede Jelinek, het orakel uit Oostenrijk, schepster van een huiveringwekkend oeuvre met als hoogtepunt de roman De pianiste (1983), over een masochistische pianolerares en de verhouding met haar sadistische moeder. In 1987 kwam het boek op de Nederlandse markt, en we lazen het allemaal, dit onderdehuidkruipende verhaal over een bloeddorstig moedermonster dat haar eigen gefnuikte ambities botviert op haar dochter, met fatale gevolgen. De schrijfster zelf was de eerste om haar roman nog in een scherper licht te zetten door in interviews te verklaren dat zij geen belangrijke kunstenaressen kende met kinderen. ‘Heel af en toe schrijft een vrouw een oeuvre, iets groots, iets gevaarlijks, maar meestal blijft het bij een paar mooie kleine dingetjes’, aldus Jelinek, die overigens zelf nog bij haar moeder thuis bleek te wonen en haar minnaar alleen in het geniep in hotels kon ontmoeten. Andere frontschrijfster, Doris Lessing, moeder, jawel, zij het dat ze de twee kinderen uit haar eerste huwelijk achterliet bij hun vader in Zuid-Afrika toen ze van daaruit naar Londen emigreerde, ervan overtuigd dat ze uit pure verveling anders alcoholist was geworden, en een derde kind tot op meer dan volwassen leeftijd in het huis naast haar ongeveer dood voederde. Tot haar grote ergernis werd haar werk, zoals The Golden Notebook dat in 1962 verscheen maar pas eind jaren zeventig een groot feministisch succes werd, steeds gelezen in het licht van man-vrouwrelaties. ‘It’s about fragmentation’, riep de schrijfster tegen de klippen op; bij een personage dat het bestaan ervaart als gefragmenteerd, hoorde een gefragmenteerde vorm. Het was Lessings tragiek, voorzover je een schrijfster die uiteindelijk de Nobelprijs voor literatuur zou krijgen, net als Jelinek overigens, tragisch kunt noemen, dat er in de receptie van haar werk niet zo veel aandacht was voor de literaire vorm. Men kon er vooral niet over uit dat zo extensief, zo niet-terughoudend, over het leven en de emoties van een moeder geschreven kon worden, en dat deze figuur zowel beschermer als kwelgeest kon zijn. Bij ons was het Renate Dorrestein die in haar romans verknipte en vernietigende moeders neerzette; zelf liet ze zich als twintiger steriliseren, overtuigd als ze ervan was dat de vrouw als moeder in deze maatschappij verloren zou zijn. ‘Het hele bestaan draaide toch godverdomme maar om één ding’, schrijft ze in haar indringendste roman Het perpetuum mobile van de liefde (1988), ‘onze capitulatie’. Dorresteins vrouwen zijn zich voortdurend bewust van het grote gevaar, hijgend in hun nek, het onontkoombare ‘moederinstinct’, zoals Dorrestein het in haar roman Ontaarde moeders (1992) typeert: ‘iets ouds, iets wat vrouwen sinds de dageraad der mensheid tot gevangenen heeft gemaakt, hoe kan ik niet van je houden, hoe kan ik anders dan hulpeloos mijn armen uitstrekken als je huilt, hoe kan ik je ooit aan je lot overlaten? Jij komt op de eerste plaats.’

Waar het me om gaat is dat ‘moederschap’, zoals ook neerlandicus Saskia Pieterse schrijft in haar essay over Dorrestein in de onlangs verschenen De Nieuwe Feministische Leeslijst, voor een hele generatie vrouwen, opgevoed door fulltime moeders, beladen terrein was: gevaarlijke moerasgrond en verleidelijk vruchtbare bodem ineen. Tijdens mijn eigen zwangerschapsverlof, mei 1990, werd er bij mij aangebeld door de postbode die ‘de blije doos’ kwam bezorgen, gevuld met doekjes, prulletjes, speentjes, blaadjes, dingetjes waarvan ik het bestaan niet eens wilde vermoeden, en die mij erin bevestigden dat ik de drempel overstak naar een ander land. Uit puur masochisme las ik de laatste week voor de uitgerekende datum The Handmaid’s Tale (1985) van Margaret Atwood; de grimmige dystopie waarin vrouwen zijn gereduceerd tot broedmachines ten dienste van een totalitair regime. Het was het perfecte verhaal om de angst en het beven te voeden waarmee ik mijn lichaam groter en mijn beweegruimte kleiner zag worden.

Hoe kun je moeder worden en niet wegzinken in een poel van passiviteit, lichamelijkheid, gezorg en getob, snot en spuug?

Hoe kun je moeder worden en niet wegzinken in een poel van passiviteit, lichamelijkheid, gezorg en getob, snot en spuug?

Hoe kun je kinderen krijgen en ook nog eh… boeken schrijven?

Daar ligt-ie dan toch, de moeder aller vragen, zoals Rebecca Solnit ’m noemt. In haar gelijknamige essaybundel, The Mother of All Questions (2017), beschrijft ze in het titelverhaal hoe ze bij lezingen tot vervelens en beledigends toe wordt doorgezaagd over het feit dat ze geen kinderen heeft. Toen ze een lezing had gehouden over Virginia Woolf rees vanuit het publiek de vraag of Woolf kinderen had moeten krijgen. Misschien, antwoordde Solnit haar toehoorders, wilde Woolf vooral schrijfster zijn en haar leven volledig wijden aan de kunst, wat ze met groot succes heeft gedaan.

‘Kut!’

‘Balzak!’

Literatuur is een kwestie van het doorbreken van verwachtingspatronen.

Goed, ik moet Solnit iets meer recht doen. Als ze die vraag krijgt uit het publiek waarom Virginia Woolf nooit moeder is geworden, begint ze aanvankelijk vrij rustig met uit te leggen dat Woolf volgens de overlevering in het begin van haar huwelijk overwoog om kinderen te nemen. Ze zag van nabij hoezeer haar zus, Vanessa Bell, genoot van de hare. Maar dat ze later begon te twijfelen, misschien omdat ze zich bewust werd van de risico’s van haar geestelijke instabiliteit. Maar dan komt die laatste verklaring dus van Solnit, dat Woolf een leven leidde dat was toegewijd aan de kunst. Sterker nog: met nauw bedwongen trots verklaart ze dat heel veel mensen baby’s maken, maar dat maar één iemand To the Lighthouse heeft geschreven, en Three Guineas.

Op zo’n moment hoor ik in mijn achterhoofd een roestig brommertje aanslaan met veel gehoest en gepruttel, daar komt hij aan, de stadscowboy, de schrijver als rockster, helmpje losjes op het gegroefde hoofd. ‘Als ik moet kiezen tussen een boek en een kind’, verklaarde Peter Buwalda bij verschijnen van zijn nieuwe roman, ‘dan denk ik: er is maar één American Pastoral.’

De dominante opvatting van wat een schrijver is, is de man die zich heeft teruggetrokken in de bossen, letterlijk of figuurlijk. Die niet gehinderd wordt door de dagelijkse ketenen van het bestaan, en die vrouwen of andere verzorgers om zich heen heeft om hem fysiek en mentaal toegerust te doen zijn voor de creatieve arbeid. De ideeën over wat echte literatuur is, en waarlijk schrijverschap, hebben hun wortels in de negentiende-eeuwse Romantiek, en zijn taai, ze zijn kennelijk aantrekkelijk en mystiek genoeg om ook nu nog opgeld te doen. Om van de schrijver een exceptionele figuur te maken, iemand die de waarheid blootlegt, het kleed van de mysticus of de onheilsprofeet aantrekt. Het verwarrende is dat vrouwelijke schrijvers en denkers niet minder bevattelijk zijn voor het idee van de schrijver als een bijna autistische zonderling, ‘a solitary man’, degene die gelegitimeerd narcistisch en egocentrisch kan zijn, belangrijker zaken aan zijn hoofd heeft dan voor nageslacht te zorgen. Een echte schrijver staat naast of boven het leven, niet echt erin, en kan daardoor zowel rücksichtslos als meedogenloos zijn, een houding die zijn weerslag zal vinden in zijn werk.

‘Ik ben geen starre kinderweigeraar’, schrijft Solnit. ‘Onder bepaalde omstandigheden had ik ze best kunnen hebben en gelukkig kunnen zijn – net zoals ik dat nu ben. Maar ik wilde beslist boeken schrijven, wat in mijn ervaring ondertussen een nogal veeleisende roeping is.’

Let op dat ‘in mijn ervaring’ en ‘een nogal veeleisende roeping’. Vergelijkbare termen gebruikt Connie Palmen als ze tot een afwijzing van het moederschap in combinatie met het schrijverschap komt: ‘Schrijven is een mannenberoep’, laat ze Marie Deniet opmerken in haar debuutroman De wetten (1991). In een interview lichtte Palmen toe dat alleen mannen de tijd hebben om te schrijven. ‘Godzijdank hebben vrouwen de vrijheid de natuurwet te schenden, hun baarmoeder te negeren en hun zin te zoeken in het gebied van de cultuur. In mijn geval krijg je dan geen kinderen. Ik kan niet sjoemelen. Het is het een of het ander, niet allebei.’

Met nauw bedwongen trots verklaart ze dat heel veel mensen baby’s maken, maar dat maar één iemand To the Lighthouse heeft geschreven

In haar pas verschenen roman Nachtouders geeft Saskia De Coster gesprekken weer tussen de geliefden Juli en Saskia; Juli wil een kind, Saskia aarzelt. ‘Ik zal altijd willen schrijven, dat is mijn domein, en daar zal alles en iedereen aan moeten gehoorzamen, ik zal geen duimbreed wijken.’ Haar angsten voor het ouderschap lijken in het eerste levensjaar van hun zoontje volkomen bewaarheid te worden: Juli en Saskia zijn tot ploegwerkers gereduceerd. Ze zijn overgenomen door een buitenaardse kracht, een alien, die hun hoofden en handen bestuurt. Ze zijn bezet. Ondertussen breekt De Coster in haar roman met een taboe, namelijk de dreigende fuik van het moederschap tot onderwerp van haar literaire roman te maken.

Ik ben wel eens bang dat ik alles altijd veel te ernstig heb genomen. De boeken die ik las, de levenslessen van mijn ouders. Zowel de vermaningen van mijn vader, over het werk wat ik deed en wat ik koste wat kost volgens hem moest zien blijven te doen, als die van mijn moeder. Naar mij moet je niet kijken, daar begon het mee. Kies je eigen pad. Maar wat zei mijn moeder toen ik haar vertelde dat ik in verwachting was? Kind, waar begin je aan. En even later zei ze: ik zie je al lopen. Nog weer later: alles zwelt op, álles.

Alles wat mijn moeder zei sloot aan bij mijn diepste angsten over wat het was om zwanger te zijn en om moeder te worden.

Ik had geen kwaadaardige moeder, verre van. Maar ik denk achteraf wel dat ik een moeder had voor wie het moederschap geen natuurlijke, vreugdevolle zaak was. Ze had zelf een gewelddadige moeder, om maar wat te zeggen. Een ongelukkige, dominante vrouw, voor wie ook weer allerlei verzachtende omstandigheden te bedenken zijn. Ik vind het een wonder dat mijn moeder hier zo goed is uitgekomen. Dat ze zo weinig giftig is geworden. In De tweede sekse beschrijft Simone de Beauvoir tamelijk huiveringwekkend een ketting van pijn die wordt doorgegeven, dankzij de noodlottige greep waarin ongelukkige, gefrustreerde moeders hun dochters gevangen kunnen houden.

Ja, daar is ze, de godmother van mijn generatie, schrijfster van de bijbel van de tweede feministische golf, De tweede sekse. Het grote boek werd weliswaar al in 1949 geschreven, maar was een van de invloedrijkste feministische teksten in de jaren tachtig. De Beauvoir was er heel goed in om te zeggen wat je als vrouw allemaal beter níet kon doen – jezelf verliezen in de liefde, trouwen, kinderen krijgen, ouder worden – maar had ook niet echt een ontsnappingsplan gereed. ‘Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt.’ De beroemde kernzin uit De tweede sekse heeft mijn generatie denkende vrouwen gedefinieerd. Het leek een eyeopener, een bevrijdend inzicht, al was het in de praktijk niet zo eenvoudig het bevrijdende aspect ervan onder woorden te brengen.

Een goede poging daartoe werd onlangs gedaan door de Britse cultuurcriticus Jacqueline Rose, in Mothers: An Essay on Love and Cruelty (2018). Ze begint ermee de symboliek waarmee de moederfiguur van oudsher is omhangen tamelijk rigoureus te ontmantelen met behulp van schrijfsters als Adrienne Rich, Susie Orbach en Luise Eichenbaum. De moeder is de vrouw wier seksuele wezen onzichtbaar moest zijn. Zij wordt geacht de wereld haar verlangen te besparen. Waarom zouden moeders, meer dan andere mensen, goed moeten zijn? Er wordt vaak gesproken van verstikkende moederliefde. Degene die het meest risico loopt om verstikt te worden door liefde is in de praktijk echter niet het kind, maar de moeder.

Aan de ene kant lijkt Rose te willen zeggen dat vrouwen die moeder zijn niet meer of minder creatief zijn dan vrouwen die dat níet zijn. Dat het er vooral om gaat die navelstreng tussen moederschap en intrinsieke deugdzaamheid door te knippen. Aan de andere kant lijkt ze toch een deurtje open te houden naar het idee van moederlijke almacht. Dat de wereld beter af zou zijn als moeders het voor het zeggen zouden hebben. Wat moeders geschikt zou maken als wereldleiders is dat ze onder ogen durven zien wat het betekent om sterfelijk te zijn.

Maar kan die wereldleider in spe ook nog een geniale schrijver zijn, dat is wat mij almaar prangender bezighoudt. In dat verband zijn de kanttekeningen die Rose plaatst bij De Beauvoirs sombere schets van moederschap interessant. Als je niet geboren wordt als vrouw, maar er eentje wordt, dan is dat wat je wordt onderhandelbaar. De betekenis van vrouw-zijn is niet in lood gegoten. Onder veranderende omstandigheden kun je haar ook niet-worden, de voorgeschreven rol afschudden en ‘jezelf’ worden, al is dat natuurlijk ook weer zo wat. Moeder worden doet een vrouw in de diepste krochten van haarzelf duiken, wat iets anders is dan dat ze zich fysiek en mentaal onderwerpt aan een indringer zoals De Beauvoir dat ziet, of de alien over wie De Coster het heeft in haar roman Nachtmoeders, pardon, Nachtouders. In feite, schrijft Rose, en daarbij laat ze zich inspireren door Julia Kristeva, is moederschap een oefening in ruimte maken voor de vreemdeling, om degene die aanspoelt op onze kusten te verwelkomen in ons midden.

Tijd voor wat aardse bespiegelingen. Die van Zadie Smith bijvoorbeeld, nooit bang voor een potje de zaken omdraaien, kijk naar Charles Dickens, zegt zij. Die had tien kinderen, maar was niet met ze bezig. Tolstoj, idem. Dat vrouwen wél aan kinderen denken is niet erg. Het maakt het schrijven anders; niet beter, niet minder. Hechtte Virginia Woolf nog aan een genderneutrale startpositie voor de schrijver, Zadie Smith is niet bang een vrouwelijk bewustzijn te omhelzen. ‘Mijn boeken zijn gevuld met kinderen’, zegt ze. ‘De gedachten aan hen, de herinnering aan hen, en de totaalervaring er een geweest te zijn en vervolgens ze zelf te hebben. Voor mij betekent dit een verrijking van literatuur.’

‘Schrijver!’

‘Genie!’

‘Moeder!’

Zij is het, allemaal.


Dit essay zal ten gehore worden gebracht tijdens het Tilt-festival in Tilburg, op zaterdag 30 maart, zie voor het programma tilt.nu/podium/tilt-festival-2019