Het perpetuum mobile van de liefde, Renate Dorrestein

De moeder de landmijn

Renate Dorrestein uit ongecensureerd haar woede over de schadelijke gevolgen van verstikkende rolpatronen en de achterstelling van vrouwen in de literatuur. Haar inzichten zijn nog onverminderd van waarde.

2000 © Friso Keuris / De Beeldunie

De CPNB is er ook achter: het moederschap is een explosief onderwerp. Maar waarom bleek het voor veel vrouwelijke auteurs zo ultiem pijnlijk dat voor de Boekenweek van 2019 alleen mannen uitverkoren waren hun licht te laten schijnen over dit onderwerp? Niet omdat het thema inherent ouderwets zou zijn. Eerder denk ik dat voor nogal wat geëmancipeerde vrouwen de verhouding tot zowel de moeder als het moederschap in gelijke delen gevaarlijke moerasgrond en vruchtbare bodem is. Die dubbelzinnigheid komt nergens zo mooi tot uitdrukking als in het rijke oeuvre van Renate Dorrestein.

Het perpetuum mobile van de liefde (1988) is een van haar indringendste boeken. Het werk is ontsprongen aan een persoonlijk trauma: de zelfmoord van haar jongste zusje. Zij had ook schrijftalent maar leed aan ongeneeslijke dwang- en eetstoornissen. Op zeer jonge leeftijd maakte ze een einde aan haar leven door van een flatgebouw te springen. Het boek onttrekt zich aan vertrouwde genregrenzen: het is autobiografie, feministisch traktaat, literaire beginselverklaring en roman in één. Dorrestein schetst hoe de relatie met haar zusje zich ontwikkelde vanaf hun kindertijd, in een verteltrant die in niets lijkt op het ongecompliceerde autobiografisch proza dat nu de literatuur overspoelt. Zo waarschuwt ze de lezer dat ze een ongeneeslijke neiging heeft tot fabuleren en dus liegt over wat er in die jeugd is voorgevallen. Die disclaimer creëert al emotionele afstand. Dat wordt nog eens versterkt als ze generieke elementen uit het sprookjesverhaal gebruikt om licht spottend het naoorlogse middenklassegezin waar ze uit kwam te typeren. Hun vader is een arme schoenlapper. Er zijn zeven broers die al jong het zeegat uit varen, en in tijden van nood een oorlam drinken. De drie meisjes in het gezin moeten al snel de zorgende rol overnemen van de moeder, die emotioneel ontoegankelijk is, maar toch hoopt dat de dochters haar de liefde gaan geven die ze ontbeert.

Dorrestein onderstreept dat er aan die jeugd weinig unieks was: ‘Het is het lot van heel veel dochters op onze mooie planeet moeder Aarde om de moeder te zijn van hun moeder.’ De droogkomische toon, ontdaan van ieder zelfmedelijden, lijkt me typisch voor de feministen van de tweede golf. Ze waren de eersten die collectief afstand namen van de geijkte huiselijke moederrol, en wisten wel beter dan zich ongewapend te laten terugzakken in de gevoelsverwarring van de kindertijd.

Toch is het tegelijk een emotioneel en emotionerend boek. Zo uit ze ongecensureerd haar woede over de schadelijke gevolgen van verstikkende rolpatronen. In een tirade vergelijkt ze de positie van getrouwde vrouwen met die van een ‘moffenhoer’, altijd bezig in de gunst van de onderdrukker te komen. Ze onderkent dat zulke ongenuanceerde provocaties tot doel hebben de lezer emotioneel te raken: ‘Soms denk ik dat ik alleen maar schrijf om anderen het gevoel te bezorgen dat ik zelf bijna onafgebroken ervaar: blinde woede.’ Geen empathie, maar een uit onmacht ontsproten tegendraadse boosheid is de manier waarop de lezer het boek wordt binnengetrokken. Over het biologisch moederschap neemt ze voor zichzelf een radicaal besluit: als twintiger laat ze zich steriliseren, omdat ze constateert dat ook heel gevoelige en charmante mannen uiteindelijk de zorgtaken grotendeels aan de vrouw overlaten. Het nucleaire gezin wees ze kortom af, in woord en daad.

Ze ageert in het boek tegen de achterstelling van vrouwen in de literatuur. Haar inzichten zijn nog onverminderd van waarde, want wie zou durven beweren dat het wonder van kritisch genderbewustzijn zich inmiddels in de Nederlandse literaire wereld heeft voltrokken? Dorrestein constateert dat historisch gezien vrouwen structureel zijn buitengesloten van de macht literaire kwaliteit te definiëren. Daarom is het voor vrouwelijke auteurs bijzonder moeilijk waardering te oogsten met werk waarin ze een eigen literaire stem ontwikkelen en dat niet kleurt binnen de lijnen van de al geaccepteerde normen van de Hoge Literatuur.

‘Hun ei van Columbus was dat vrouwen de hoedsters en voedsters van deze wereld zijn. Warempel!’

Het perpetuum mobile van de liefde werd in de dagbladkritiek matig ontvangen, en de argumenten van de critici vormen een pijnlijke illustratie van Dorresteins gelijk. Zo begreep een NRC-recensent niet waarom Dorrestein het zoveel over zichzelf had en adviseerde haar over zelfmoord te schrijven zoals Peter Handke dat had gedaan. Ondertussen vond het boek een groot leespubliek, wellicht omdat Dorrestein diep doordringt in de complexe lotsverbondenheid tussen vrouwen. Zo stelt ze zichzelf de moeilijke vraag of haar schrijverschap een vorm van schuld of zelfs verraad aan haar zus impliceert. Ze vermoedt dat in het donker van haar onderbewuste het drama van haar zus vruchtbaar heeft gewerkt op haar verbeelding. Heeft ze zich het schrijftalent én het levenslot van haar zus eigen gemaakt, en omgewerkt tot komisch-gruwelijke fictieve verhalen die bij een groot publiek resoneren? Ze beschrijft hoe ze op zeker moment ervan overtuigd is dat ze een vampier is, die parasiteert op het leven van andere vrouwen, haar eigen zus voorop.

Maar precies omdat ze onderkent dat schrijven toe-eigenen betekent, en niet per se een liefdevolle daad is waarbij de ander gebaat is, suggereert ze nergens ‘namens’ haar zus te kunnen spreken, of pretendeert ze te weten wat zij gevoeld moet hebben. Wel citeert ze volledig het enige verhaal dat haar zusje ooit heeft gepubliceerd. In dat verhaal beschrijft haar zus het kale interieur van haar kleine kamertje. Centraal object: de spiegel. Bij gebrek aan een buitenwereld om zichzelf in te manifesteren en te bewijzen, probeert ze dwangmatig uit de spiegel af te leiden of ze de moeite waard is.

Dorrestein is ervan overtuigd dat haar zusjes diepe geestelijke isolement niet los te zien is van diep in de samenleving verankerd seksisme. Ze betoogt dat een epidemische eetziekte als boulimia, waar haar zus aan leed, niet enkel een wanhopige poging is aan de tirannie van het schoonheidsideaal te voldoen. Zij interpreteert de eetziekte als een onbewust protest tegen een samenleving die nog steeds vindt dat vrouwen fysiek en geestelijk vooral niet te veel plaats moeten innemen, terwijl ze tegelijkertijd wel geacht worden vlot, geëmancipeerd en zelfstandig te zijn. Maar: Dorrestein vermijdt het leggen van simpele causale verbanden, want alhoewel die maatschappelijke context ertoe doet, blijft de dood van haar zus een raadsel waartoe zij niet pretendeert dé sleutel te hebben.

De gefragmenteerde herinneringen aan haar zusje worden afgewisseld met de groteske lotgevallen van Lydia, Dorresteins buurvrouw, en Godelieve Ochtendster, de secretaresse van Lydia’s vader. In die passages gaat het boek het meest op een klassieke Dorrestein-roman lijken. Lydia wordt tot krankzinnigheid gedreven door haar zinloze hunkering naar een man die vrouwen liefst zonder hoofd ziet. Godelieve Ochtendster is aartslelijk, wat haar weliswaar behoedt voor de valkuilen van de romantische liefde, maar niet voor die van de Johanna’s, een feministische vrouwengroep. Deze kruidentuin-en-wassende-maan-feministes keren zich af van de prestatiegerichte mannenmaatschappij en verklaren de vrouw tot superieur wezen. De twee vrouwen staan voor de alternatieve wegen die Dorrestein zelf nadrukkelijk niet in wil slaan: ze verwacht geen verlossing van de romantische liefde, maar ook niet van een feministische herverpakking van de aloude moederrol. Zoals ze sarcastisch over de Johanna’s opmerkt: ‘Hun ei van Columbus was dat vrouwen de hoedsters en voedsters van deze wereld zijn. Warempel!’

Niet alleen de inhoud, ook de stijl van het boek is een aanval op de dominante literaire norm die veronderstelt dat de originele en verfijnde formulering het ultimum van het literaire schrijven is. Op elke pagina wordt lustig gestrooid met het uitroepteken. Beter dan de kunst tot steriele ruimte te verklaren die clichévrij zou moeten zijn, wil ze laten zien dat het leven zélf nu eenmaal vergeven is van clichés. Het motto is een tussen aanhalingstekens geplaatste disclaimer: ‘Alle mannen in dit boek zijn karikaturen. Dat is historisch zo gegroeid.’ Uiteraard is het tot een karikatuur terugbrengen van een mannenleven een bewuste omkering van de door mannen gedomineerde literaire traditie, waar vrouwen zo zelden ontsnappen aan het schema moeder/hoer. Maar de omarming van de karikatuur is meer dan een provocatie: Dorrestein duwt en trekt aan talige én maatschappelijke gemeenplaatsen, net zo lang tot er te midden van de gruwelijke tirannie van de ingesleten patronen een glimp zichtbaar wordt van een alternatief.

Daarbij spaart ze zichzelf niet. In het slothoofdstuk komt ze tot het inzicht dat er in haar feministische bekommernis om andere vrouwen evengoed een vorm van traditioneel moederschap is geslopen, en dat ze in niets verschilt van de Johanna’s: ‘Ik was speciaal belast met de taak het anderen mogelijk te maken te overleven en gelukkig te zijn! Wat was ik anders dan een huisvrouw die graag wil geloven dat zonder haar eeuwige gedweil en geredder alles in het ongerede zal raken?’ Alles wat zo resoluut was afgewezen en met groteske uitvergroting op afstand geplaatst, blijkt toch tot haar diepste motieven te behoren. De oorsprong van die moederlijke zorgreflex situeert ze in haar relatie met haar zusje, die ze zo graag had willen redden van bodemloos geestelijk lijden.

In een emotionerende lange zin spreekt ze aan het slot de hoop uit op een relatie waar gelijkwaardige individualiteit de plaats kan innemen van blinde noodlottigheid: ‘Maar misschien, als ik ophoud een aandeel op te eisen, als ik dus haar dood de hare kan laten zijn en mijn boeken de mijne, als ik ons beiden kan zien als separate individuen zonder macht over elkaars lot, als ik het aandurf van haar gescheiden te raken, misschien dat ik haar dan niet langer als een demon van me af hoef te stoten, of als een prooi naar me toe hoef te halen – zodat ik haar herinnering gewoon in vriendschap bij me kan houden, en zij niet langer een pijnlijk gat in mijn geschiedenis hoeft te zijn.’

Of dit lukt? Na dit emotioneel crescendo volgt de – alweer droogkomische – constatering dat het de hoogste tijd is een kopje thee te zetten voor de verwarde Lydia. Het feminisme bevrijdt de schrijver kortom niet op toverslag van de diepgevoelde familiare lotsverbondenheid met andere vrouwen. Het perpetuum mobile van de liefde en het perpetuum mobile van de literaire verbeelding blijven op een intieme manier met elkaar verbonden, in een onophoudelijk afstoten en aantrekken.