De moeder heeft het gedaan

GYÖRGY DRAGOMÁN
DE WITTE KONING
Uit het Hongaars (2005) vertaald door Rebekka Hermán Mostert
Atlas, 288 blz., € 19,90

Een jeugd in een stalinistisch land – dat is zo’n onderwerp waar niemand nog aan durft te beginnen tenzij hij meent nieuwe dingen te kunnen vertellen, feiten die niemand weet, onthullingen; of als hij ervan overtuigd is dat niemand die feiten zo gezien en behandeld heeft als hij; of als het onderwerp er niet toe doet, omdat de schrijver iets heel anders te vertellen heeft. In dit geval weet ik niet goed wat de jonge György Dragomán (1973) bewogen heeft. Het kan niet zijn bedoeling zijn geweest te schrijven over de specifieke omstandigheden van het Roemeense Transsylvanië, over de Hongaarse minderheid daar, waaruit hij kennelijk afkomstig is, wat verklaart dat hij in het Hongaars schrijft en in Boedapest leeft. Hij heeft het er niet over.
Het is natuurlijk niet voor het eerst dat een oorlog of een totalitair schrikbewind beschreven wordt als door de ogen van een kind gezien. Toch ligt daar het accent dat Dragománs verhalen van andere onderscheidt, tenzij hij gedacht heeft dat de wereld te weinig weet van de drukkende sfeer van de nadagen van Ceausescu, waarvan weinigen begin jaren tachtig gedacht hebben dat het nádagen waren. Van ‘Tsjernobyl’ (1984) heb ik op een Grieks eiland ook niet méér geweten dan dat er in Nederland iets met de diepvriesspinazie was; hier wordt jongens aangeraden de voetbal niet met de handen aan te raken, met als bijkomend probleem voor een keeper hoe je dan je doel moet verdedigen. De wereld van deze verhalen is nauwelijks groter dan het voetbalveld. Die is niet zo klein of het kon gebeuren dat opeens militaire voertuigen nog tijdens een wedstrijd dwars over het veld een sleuf groeven, die door de jongens moest worden afgemaakt: ‘Vrijwilligerswerk in dienst van de gemeenschap.’
Ik noem het verhalen, hoewel het hoofdstukken van een roman zijn, maar de titels van de hoofdstukken of verhalen worden voor- noch achterin vermeld, en het onderlinge verband is niet groter dan dat een enkele keer naar eerder genoemde feiten wordt verwezen. Alleen is de hoofdpersoon dezelfde, een jongen van tegen de twaalf, met als bijnaam Dzjata; zijn echte naam wordt niet genoemd.
Als het om een kijk op die tijd door de ogen van deze jongen zou gaan, dan moet gezegd dat hij niet veel bijzonders ziet. Hij slaat erop los zoals anderen hém te grazen nemen. Iedereen wordt afgetuigd, handen zitten erg los. Een oorlog tussen twee groepen jongens om een voetbal leidt ertoe dat een heel graanveld in de fik gaat; evengoed hadden er doden kunnen vallen. Ik weet niet of dat typerend was voor de nadagen van een Roemeense dictator – lees maar wat jonge criminelen in de Sovjet-Unie aan kattenkwaad uithaalden. Niet onwaarschijnlijk dat in sommige landen de al van oudsher bestaande gewelddadigheid tot definitieve volks- of mannenaard is geworden door een halve eeuw communistische karakterdril. Dzjata weert zich en kan zich meten met de anderen, daarmee is die kous af. Maar er is nog zijn vader, of liever de afwezige vader die alles in zijn leven onder spanning zet. In het begin van de roman wordt de man door collega’s opgehaald voor een wetenschappelijk onderzoek dat een week zal duren. Die collega’s ontpoppen zich al snel als mannen van de politie, geboren treiterkoppen, en het verblijf wordt een waarschijnlijk nooit meer eindigend werkkamp, waar de man wegens staatsvijandige activiteiten – het ondertekenen van een open brief – graafwerk verricht voor een Donaukanaal. En er is een grootvader, ‘kameraad secretaris’, die in ongenade is gevallen door de daad van zijn naamgenoot, de vader van Dzjata. De moeder, door haar schoonmoeder voor ‘abnormale joodse hoer’ uitgemaakt, wordt gemakshalve door iedereen voor aanstichtster aangezien.
De titel De witte koning slaat dan ook vooral op een hoofdstuk of verhaal over haar. Wanneer de vader een jaar weg is, neemt de moeder de jongen mee bij een bezoek aan ‘kameraad ambassadeur’, een man die zijn huis tot museum heeft ingericht met alles wat hij uit Afrika heeft meegenomen. Als de man meent de moeder met een reeks likeurtjes in de juiste stemming te hebben gebracht, wordt de jongen tijdelijk afgevoerd naar een kamer volgestouwd met exotica. Aan een tafeltje zit een oude magere negermeneer achter een schaakbord, een mooie scène waarbij lang ongewis blijft of de jongen met een automaat schaakt of met een echt mens. Vlak voordat hij mat komt te staan, grist hij de witte koning van het bord, die hem voortaan als talisman zal dienen. Maar dat is niet de ontknoping, wel het schaterlachen van de moeder die de halfuitgeklede kameraad ambassadeur voor joker zet. Nu zullen ze hem zeker nooit meer terugzien, de volksvijand, maar de moeder moest zelfs daarom nog lachen.
Het zou wel eens kunnen zijn dat de roman ondanks enkele zwakkere hoofdstukken, gewone verhalen over spannende jongensavonturen, gered wordt door het feit dat er enkele sterke verhalen in staan en de verhalen niet per se als delen van een samenhangende roman hoeven te worden gelezen. Er is een arbeider die ook aan het Donaukanaal heeft gewerkt, een man met als bijnaam Houweel, z’n gezicht zwaar gehavend door pokkenputten. Andere arbeiders proberen de jongen te doen geloven dat de griezel zijn vader is. Tweehonderd pagina’s lang blijft hij uit beeld en duikt dan opeens op als redder van de jongen als hij door een stelletje tuig ernstig wordt belaagd. Houweel huist in een hut in de sleuf op het voetbalveld en heeft daar een verzameling van honderden vogeltjes, in uithollingen met ijzergaas of een panty ervoor. Houweel krijgt ze allemaal stil door het gekrijs van een roofvogel na te doen. Maar later breekt er een wondermooi concert los. Houweel legt uit hoe wij genieten van de onderlinge naijver en woede van de vogels, en heeft ze stuk voor een stuk de juiste plaats daarin gegeven.
Dat is gewoon een goed verhaal, geheimzinnig ook, en zonder enige uitleg – ik zou er ook geen weten. Dzjata krijgt van Houweel zijn persoonsbewijs, van toen hij zeventien was en nog een mensengezicht had. Als Dragomán een roman op het oog had gehad, zou het laatste verhaal een slothoofdstuk zijn geweest. Nu is het een bizarre begrafenis van de grootvader waarop de partijvoorzitter spreekt en de weduwe, de dochter en een opgedoken minnares voor spektakel zorgen, slechts onderbroken door het kortstondige bezoek van de vader die door vijf man aan een ketting wordt vastgehouden.