De moeder van de wijsgeer

Ger Verrips, Albert Camus. Een leven tegen de leugen, uitg. Balans, 186 blz., 339,50
Er is deze eeuw door intellectuelen heel wat schade aangericht. Velen hebben hun talent en overredingskracht ingezet ten dienste van desastreuze politieke bewegingen en abjecte regimes. Zeker na het fameuze boek van Julien Benda lijkt het wel of de begrippen ‘intellectueel’ en ‘verraad’ onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Bibliotheken zijn reeds vol geschreven over politieke uitglijders van intellectuelen, ongeacht of het nu ging om fellow travellers van extreem links of extreem rechts.

De eind vorig jaar verschenen, meer dan 1200 bladzijden tellende Dictionnaire des intellectuels français (Seuil) biedt alleen voor Frankrijk al een onthutsende staalkaart van politiek onbenul, perfide leugenachtigheid en karakterloos gedraai. Nu zal er in ieder land best een redelijk aantal onkreukbare intellectuelen zijn geweest die zich voor de publieke zaak hebben ingezet zonder zich te encanailleren met het politieke gangsterdom, maar onder de internationaal bekende intellectuelen zijn er maar weinig echt overeind gebleven. In Duitsland heeft Thomas Mann de eer der intellectuelen gered, Engeland heeft Orwell - daar heeft zelfs het relletje van vorig jaar over het zogenaamde ‘verklikken’ van linkse types aan de inlichtingendienst niets aan kunnen veranderen - en Frankrijk kan met trots wijzen op Camus.
In Frankrijk is dat wel eens anders geweest. Lange tijd gold Sartre als de opperintellectueel, terwijl hij nu overwegend wordt gezien als iemand die intellectueel verraad heeft gepleegd. Camus mocht dan na zijn dood snel in vergetelheid lijken weg te zinken, sinds het échec van links zich eind jaren zeventig begon af te tekenen is hij weer helemaal terug. Er verschenen lijvige biografieën van de hand van onder meer Herbert Lottman (1978), Patrick McCarthy (1982) en Olivier Todd (1996), die allemaal bij verschijnen het predikaat 'definitief’ kregen.
Het bescheiden boekje dat Ger Verrips onlangs schreef kan zich uiteraard niet meten met deze uitputtende levensbeschrijvingen. Aangezien echter geen van genoemde biografieën in het Nederlands is vertaald, heeft een beknopt overzicht van leven en werk van Camus zeker recht van bestaan.
Ook uit het boek van Verrips komt Camus naar voren als een van de zeer weinige intellectuelen die ondanks het ideologische noodweer de rug recht hielden. Goed, hij werd in 1935 lid van de Communistische Partij in Algerije, maar hij zag dat meer als 'proef’ en weigerde 'tussen het leven en de mens een deel van Het kapitaal te plaatsen’. Lang kon dat dus niet goed gaan. Toen er, als gevolg van het vriendschapsverdrag tussen de Sovjetunie en Frankrijk, conflicten ontstonden tussen Arabische partijleden en de leiding van de PCF, koos Camus de zijde van de eersten. Hij werd dus uit de partij gegooid. Camus was altijd meer geïnteresseerd in mensen dan in de bloedeloze abstracties waar marxisten en later ook de existentialisten zo dol op waren. Voor de linkse krant Alger Républicain schreef Camus indringende reportages over de mensonterende armoede in de binnenlanden van Algerije. Verhalen die nog gruwelijker zijn dan Orwells in dezelfde tijd geschreven The Road to Wigan Pier.
Camus’ rol in het verzet is later nogal opgeblazen - iets wat hij zich liet graag aanleunen -, maar stelde in werkelijkheid niet veel voor. Vergeleken echter met de archetypische Drückeberger die Sartre was, kon Camus naar eer en geweten poseren als verzetsheld. Na de oorlog, toen de existentialistische mode losbarstte, werd Camus vaak in één adem met Sartre genoemd en tot de belangrijkste existentialisten gerekend. 'Rien n'est plus faux’, meldt evenwel het al eerder genoemde woordenboek der Franse intellectuelen. Met zijn rebellie tegen de absurditeit van het bestaan, met zijn grote nadruk op de eenzaamheid van de mens, schreef hij over dezelfde thema’s als de existentialisten. Zijn bezwaar tegen de filosofie van Sartre c.s. was dat zij 'geen gedragslijn bevat’. Het existentialisme had volgens hem 'van het hegelianisme wel de grondige dwaling overgenomen om de mens te reduceren tot de geschiedenis. Maar het heeft niet de consequentie daarvan overgenomen de mens in feite alle vrijheid te ontzeggen.’
Er is tussen Sartre en Camus nooit sprake geweest van een echte band. Na de publikatie van L'homme révolté (1951) werd Camus in de communistische pers uitgescholden voor 'fascist’ en maakte de claque van Sartre hem uit voor burgermannetje met een 'Rode Kruis-moraal’. En dat allemaal omdat hij erop had gewezen dat niet alleen het fascisme maar ook het communisme nihilistische trekken vertoonde. In zijn dagboek noteerde hij: 'De vrijheid is het recht niet te liegen.’ Hiermee zat hij op één lijn met Orwells aanklacht tegen het totalitarisme van links en rechts.
Camus was geen groot denker - zijn filosofische kennis had hij voor het grootste deel uit inleidende werkjes voor het middelbaar onderwijs - en hij heeft ook geen wijsgerig 'systeem’ ontworpen. Hij had dat ook niet nodig. 'Wie geen karakter heeft moet zich wel methoden aanmeten’, zegt de hoofdpersoon uit La chute. Camus bezat wel een enorme intuïtie, besefte waar het op aankwam. Dat blijkt onder meer uit zijn houding in de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog. Hij steunde de eisen van de Algerijnse nationalisten maar verwierp hun gewelddadige methoden, waarvan ook zijn familie het slachtoffer kon worden. 'Ik geloof in gerechtigheid, maar eerder dan de gerechtigheid zal ik mijn moeder verdedigen.’ Voor de rechtse pieds noirs was hij een verrader, voor 'links’ evenzeer. De door Camus bepleitte federatieve band tussen Frankrijk en Algerije was op dat moment wellicht niet haalbaar, maar na veertig jaar repressie en terreur kan men dat slechts betreuren.
Het boek dat Verrips over dit bewogen leven en dit bezielende schrijverschap heeft geschreven is helder en biedt een adequate samenvatting. Wie de smaak van Camus te pakken heeft, zal echter, naast het werk van de man zelf, verlangen naar meer, en zich aan een van de grote biografieën wagen. Wat mij daarom interessant had geleken, was een 'gesprek’ tussen Verrips en Camus, een dialoog of confrontatie tussen twee schrijvers voor wie politiek niet iets is dat je zomaar aan les autres kunt overlaten. Verrips gaf zijn boek als ondertitel: Een leven tegen de leugen. Verrips heeft bijna twintig jaar voor De Waarheid geschreven, en weet dus wat leugens zijn. Wat doet dat met een mens? Welke rol heeft Camus gespeeld in Verrips afscheid van het communisme? Welke invloed heeft Camus als schrijver gehad op Verrips? In de inleiding schrijft Verrips dat hij al in 1947 een artikel van Camus las. Toch zou zijn boek, zoals het er nu ligt, ook geschreven kunnen zijn door een jongere auteur, iemand zonder politiek verleden en ideologische traumata. Het boek biedt een portret van Camus, zet aan tot verdere lectuur, maakt nieuwsgierig - allemaal verdiensten - maar echt spannend is het niet.