De moedermonologen

Over de vader leken we eigenlijk alles al te weten. In telkens andere vormen, andere registers, verbeeldde Adriaan van Dis de herinnering aan de kwelgeest uit zijn jeugd. Paardman werd hij genoemd in Dubbelliefde, en in Familieziek was hij meneer Java.

Medium dis 2c adriaan van  annaleen louwes

Het schrijverschap van Van Dis wortelt in het camoufleren en verkleden, het ‘kleuren en verraden van het leven binnenshuis’, zoals de verteller van Familieziek denkt als hij bij de zenuwarts tekeningen moet maken over de situatie thuis. Het is duidelijk dat de schrijver put uit zijn levensverhaal, maar alles bij elkaar opgeteld klopt het nooit helemaal. Hij creëert een romanwerkelijkheid, en dat doet hij met veel raffinement, stijl en toenemend lef. Ik twijfelde even over dat ‘lef’, ik had ook ‘verdriet’ kunnen schrijven, of ‘naaktheid’.

Ik kom terug is wéér een heel andere roman dan de voorgaande, en niet alleen omdat nu de moeder centraal staat. De vorm is vrijer, de toon niet zo gecontroleerd. In het begin lijken we weer thuis, met een Van Dis die monter de boel aan het rondbreien is. De openingsalinea gaat zo: ‘We stonden tegenover elkaar, mijn moeder en ik. Zij aan de ene kant van de kist, ik aan de andere. We rukten aan de hengsels. Zij droeg sloffen, ik schoenen. Ze gleed weg en ik zette haar klem. Gewonnen.’

Daar gaan we weer, denk je even. Hij schrijft mooi, maar ook een beetje bekend mooi. Zo beschrijft hij een paar bladzijden verderop hoe het huis ontdaan moest worden van de sporen van de vader na diens dood. Ook hijzelf, de zoon, komt aan de beurt, besmet als hij immers is met ‘de boze gal van zijn verwekker’. ‘Een zuiveringsdieet zou mij helpen: rauwkost, tarwekiemen, met biergist versterkte yoghurt, komkommerbouillon, gepureerde geelwortel en liters rodebietensap. Zo spoelde ik mijn darmen, plaste ik me schoon en groeide ik uit mijn lager zelf.’ Misschien doet het er niet toe, maar je hóórt het de schrijver zeggen. De Engelsen hebben een mooi woord hiervoor: indulge. De schrijver is zelf zo tevreden met zijn eigen vondsten dat je er als lezer het nakijken bij hebt. Terwijl, aan de andere kant: wat is er mis met mooischrijven, zou je je kunnen afvragen. Niks natuurlijk, wees blij dat iemand het kan. Maar het brengt ook afstand met zich mee, en daarmee saaiheid. De emoties zijn afgetopt, de boel is gladgestreken, de cirkel is rond.

Laat die afstand nu echter het onderliggende thema zijn van deze roman. De gladheid van het begin blijkt het afweerschild te zijn dat langzaam maar onverbiddelijk moet zakken naarmate de moeder oprukt. De aloude Van Dis-worsteling met de waarheid en de leugen neemt pijnlijke proporties aan; het verloop van zijn eigen verhaal heeft hij niet in de hand, de moeder neemt de regie over. Het resultaat is een bonte verzameling van verhalen, dan weer verteld met de stem van de moeder, dan weer met die van de zoon. Prozaïsch, poëtisch, haperend. Met mooischrijven komt hij niet meer weg.

Op zijn negentiende verliet de verteller het ouderlijk huis, ‘en likte de wonden van de moederliefde’. Vanaf dat moment hield hij afstand, ‘als ik iets van haar had geleerd was het dat wel’. Tegen de tijd dat hij in Parijs woont, zit zij in een rusthuis, en houdt zich gedeisd, af en toe een telefoontje, een bezoekje, klaar. Maar dan begint ze zich toch te roeren. Het begint ermee dat ze hem haar verlangen kenbaar maakt haar geboortehuis te bezoeken, een nogal dwingend verzoek. Een nieuw territorium opent zich voor de zoon: de boerenachtergrond van zijn moeder. Alle aandacht was tot nog toe uitgegaan naar het Indische trauma van de vader, maar de moeder blijkt zo haar eigen geheimen te hebben gekoesterd. ‘Er zit vaak niks anders op dan je te gelukkig te liegen’, hoort hij haar zachtjes zeggen tijdens de autorit naar ‘het suikerland, haar leugenland’. Langzaam begint hem iets te dagen. Dat zijn vader de verhalen thuis had gedicteerd, en dat zijn moeder de grote zwijger was.

Dacht Van Dis alles al te weten over zijn vader, dit wist hij niet: ‘Je vader was een goede minnaar.’ Ook dat nog

De moeder daalt af naar het verleden, aanvankelijk weerspannig gevolgd door de zoon. Zijn betrokkenheid neemt toe als hij heeft bedacht dat er misschien wel een boek in zit. De schoorsteen moet roken nietwaar. En alles wordt draaglijk als je er notities van kunt maken. Wat hij niet heeft voorzien: dat voor hemzelf de oorlog ook weer begint, voor zover die ooit al echt op afstand was geplaatst. Overheersten tot nog toe de herinneringen aan slaag, van de vader, nu komt een andere vorm van mishandeling terug in de herinnering. De afwezigheid van fysiek contact met de moeder. Het zijn precaire passages die de verteller hieraan wijdt, aangrijpend, kwetsbaar.

Naarmate het zwijgen van de moeder begint af te brokkelen – na het autoritje start een serie eindeloze monologen aan de telefoon waarin de moeder ongebreideld en associatief over haar verleden vertelt – wordt de inzet van de zoon, de schrijver, urgent. Eerlijk zijn, wat betekent dat? Waarom logen we zo graag in de familie? ‘Laat ik het anders vertellen’, schrijft hij. ‘Eerlijk zijn.’

Ik kom terug is het verslag van een vierdubbele veldslag. De zoon strijdt met zijn moeder, de moeder met de demonen uit haar verleden, de schrijver met het over haar schrijven. En de moeder strijdt met haar zoon, haar bastaardkind, de vrucht van een beschamende verliefdheid, zo blijkt in dit boek. Dacht Van Dis alles al te weten over zijn vader, dit wist hij niet: ‘Je vader was een goede minnaar.’ Ook dat nog.

Heel langzaam ontstaat een moeilijk boek, van liefde en haat, van afstand en toenadering, een moederboek in de beste zonentraditie zoals ook Tom Lanoye dat schreef met Sprakeloos, en Donald Antrim met Het leven nadien. Er moet iets met dat moederbeest, en dat is weer van een heel andere orde dan dat er iets met de vader moet. Van Dis leert te luisteren naar de verhalen van iemand van wie hij dacht al een doortimmerd verhaal te hebben. Het verhaal van het buitenbeentje uit de polder, Wilde Marie, die over de kleurlijn trouwde en jong naar Indië vertrok, zonder om te kijken. Die na de oorlog terugkeerde naar Nederland, verdoofd door drieënhalf jaar jappenkamp en de moord op haar man met wie ze drie dochters had. Die werd verstoten door haar vader omdat ze ook nog een babyzoontje bij zich had, van haar lichtgekleurde minnaar, de man die ze in een evacuatiekamp op Sumatra had ontmoet. Die haar grootste verborgen schat een leven lang in een kist met zich meegezeuld blijkt te hebben, en de sleutel verborg. Maar dan gaat ze dood. Al is dat natuurlijk de vraag bij iemand voor wie de dood een mogelijkheid tot wederopstanding biedt.

Adriaan van Dis, Ik kom terug, € 19,99e-book, € 14,99

Beeld: Adriaan van Dis door Annaleen Louwes