Movies that Matter: ‘Quo Vadis, Aida?’

De moeders van Srebrenica

De val van de VN-enclave Srebrenica in 1995 en de daaropvolgende genocide vormen niet het meest voor de hand liggende onderwerp voor een speelfilm. Toch is dat wat Jasmila Žbanic op weergaloze wijze heeft gedaan met Quo Vadis, Aida?

Jasna Đuričić als Aida in Quo Vadis, Aida? © Cineart

De in Sarajevo geboren regisseur Jasmila Žbanić (46) was zeventien toen in 1992 de oorlog in Bosnië, destijds een republiek van Joegoslavië, uitbrak. Over de gevolgen ervan maakte ze eerder de film Grbavica (2006). Grbavica is een wijk in Sarajevo waar na de oorlog veel vrouwen werden opgevangen die door Servische milities systematisch waren verkracht. Ze won met haar film de Gouden Beer op het festival van Berlijn. Met Grbavica wilde Žbanić naast de pijn ook de hoop tonen, laten zien dat mensen vooruit kijken en in staat zijn ondanks alles weer een toekomst op te bouwen.

Met Quo Vadis, Aida?, genomineerd voor een Oscar in de categorie Beste Buitenlandse Film, heeft Žbanić ervoor gekozen om zich te richten op één gebeurtenis: die ene fatale dag van 11 juli 1995. ‘Zal er iemand ter wereld de tragedie onder ogen zien die gaande is in Srebrenica?’ vraagt een stem op de radio zich af terwijl we beelden zien van tanks en militairen die in de verzengende hitte de enclave naderen.

Vanaf de eerste scène is de situatie gespannen. Het Servisch-Bosnische leger van generaal Ratko Mladić heeft de VN-enclave omsingeld en rukt op. De burgemeester van Srebrenica zit aan tafel met de leiding van de VN-vredesmacht Dutchbat. De burgemeester dringt wanhopig aan op actie. Aida (geweldig gespeeld door de Servische actrice Jasna Đuričić), de tolk voor de Nederlandse VN-militairen, zit ertussen en vertaalt zijn woorden. Thom Karremans (mooi vertolkt door de Vlaamse acteur Johan Heldenbergh) bezweert dat er een VN-ultimatum is gesteld, dat er gevechtsvliegtuigen komen, dat de mensen veilig zijn. ‘Ik houd u persoonlijk verantwoordelijk’, roept de burgemeester ten slotte. ‘I’m just a piano player’, reageert Karremans daarop, de boodschapper – iets wat Karremans in werkelijkheid later zei, tijdens zijn bijeenkomst met Mladić.

Het verhaal dat volgt is bekend. We zien de Servisch-Bosnische troepen met tanks door de verwoeste straten rijden, mensen uit hun huizen sleuren, de burgemeester executeren. De beloofde luchtsteun van de VN blijft uit. Niemand wil deze ‘veilige zone’ beschermen. We zien een woedende Karremans aan de telefoon om luchtsteun vragen – ‘Is het hele opperbevel van de VN met vakantie?’ schreeuwt hij op een gegeven moment uit. Mladić loopt triomfantelijk door het stadje – een beeld dat we kennen van de film die Mladić destijds zelf liet maken van zijn zegetocht.

De inwoners van Srebrenica zitten in de val. De VN-enclave was de laatste veilige haven voor zo’n dertigduizend Bosnische moslims van wie een groot deel al sinds 1992 op de vlucht was voor het geweld van de Servisch-Bosnische troepen. In paniek zoeken ze nu bescherming op de VN-basis van Dutchbat 3. Een lange stoet vluchtelingen trekt vanuit het stadje richting Potočari. Maar als de loods vol zit doen de Nederlandse militairen de poort dicht. Tienduizenden mensen staan buiten voor de compound. In de ontstane chaos zien we Aida, op zoek naar haar man en twee tienerzonen. Het lukt haar uiteindelijk om ze in veiligheid te brengen op de VN-basis.

Als kijker weet je dat het hierna alleen maar erger wordt. Er is geen ontkomen aan, je beleeft de tragedie mee van uur tot uur: de pijnlijke ontmoeting tussen Karremans en Mladić – Mladić: ‘We garanderen de veiligheid van alle onschuldige mensen.’ Karremans: ‘Wij bieden onze volledige medewerking aan’ –, de intimidatie door de Servisch-Bosnische militairen, de bussen, de Dutchbatters die helpen met de scheiding van mannen en jongens van de vrouwen en jonge kinderen.

Kijken naar roept weer die ene vraag op: had Dutchbat niet méér kunnen doen?

Aida, ooit lerares op een basisschool in Srebrenica waar ze sommige van de Servische militairen nog als kind in de klas had, vertrouwt in eerste instantie op de bescherming van de VN, maar als de gebeurtenissen elkaar snel opvolgen, realiseert ze zich dat het fout gaat. Ze probeert haar man en twee zonen te redden, rent op zoek naar hulp door de gangen van de compound – ‘Quo vadis, Aida?’ vraagt iemand haar terwijl ze langs snelt. ‘Waarheen gaat gij?’ – de woorden die Petrus volgens de legende sprak toen hij Rome en Nero ontvluchtte en Jezus ontmoette.

Het verhaal van Aida is gebaseerd op dat van Hasan Nuhanović, de Dutchbat-tolk die zijn memoires opschreef in het boek De tolk van Srebrenica. In eerste instantie was Nuhanović betrokken bij de productie van de film. Maar het was lastig, zei Žbanić in een interview eerder dit jaar in de Volkskrant. ‘Zijn verhaal staat zo dicht bij hem.’ Ze wilde meer vrijheid voor haar hoofdpersonage en koos voor fictie. ‘Dit verhaal is gebaseerd op ware gebeurtenissen’, meldt de disclaimer dan ook voorafgaand aan Quo Vadis, Aida? ‘Sommige personages zijn fictief en sommige scènes en dialogen zijn gefictionaliseerd voor creatieve en dramatische doeleinden.’

© Cineart

Talloze dramatische historische gebeurtenissen zijn gedramatiseerd. Ook genocides, zoals in HotelRwanda of de films over de holocaust Schindler’s List en Son of Saul. Deze films hebben een klein, verhalend onderwerp gekozen, waarmee ze het grotere van de genocide willen vertellen: een manager van een luxehotel die Tutsi- én Hutu-vluchtelingen opvangt; een zakenman die via zijn fabriek joden probeert te redden; een man die werkt bij het Sonderkommando in de gaskamers van Auschwitz. Žbanić doet met Quo Vadis, Aida? hetzelfde: via Aida en haar gezin geeft ze het verhaal van de genocide op de duizenden zonen, vaders, echtgenoten, vrienden, broers en grootvaders een gezicht.

De keerzijde van deze keuze is de onduidelijkheid: wat is waar en wat is verzonnen? Zo is de scène waarin een Dutchbat-soldaat buiten bij de poort opeens de Serviërs wijst op een als vrouw verklede jongeman gebaseerd op een verklaring uit het Joegoslavië Tribunaal en waar gebeurd. De soldaat wordt daarop geslagen door een andere Dutchbatter die roept: ‘Je collaboreert!’ – voor Žbanić was dit laatste een bewijs dat niet alle soldaten het ermee eens waren om de bevolking over te dragen aan de Serviërs. De scène echter waarin een groep zwaar bewapende Bosnisch-Servische militairen de VN-basis op wordt gelaten en intimiderend tussen de vluchtelingen rondloopt, is niet echt gebeurd. Hier koos de regisseur voor het dramatische effect.

In een regio waar de genocide op de Bosnische moslims nog steeds wordt ontkend, ook door bijvoorbeeld de huidige Servische burgemeester van Srebrenica, schuilt in dramatisering een gevaar. De gebeurtenis zelf kan daardoor eenvoudig in zijn geheel worden afgedaan als fictie. Aan de andere kant is die wijd verspreide ontkenning ook een argument om deze film juist wél op deze manier te maken. Jasmila Žbanić maakt door haar sterke verhaallijn de gebeurtenissen op die elfde juli voor een breed publiek toegankelijk. Er is niet onnodig geromantiseerd, geen melodrama, geen effectbejag. De film is een benauwende ervaring, zonder uitweg, juist omdat je weet hoe het eindigt. Maar Žbanić heeft haar doel, over de genocide vertellen, bereikt: je blijft kijken, ook al wil je het liever niet zien.

Dat is grotendeels te danken aan Aida. Vanaf de eerste minuut word je als kijker door haar meegenomen. Žbanić slaagt erin de gruwelijke en soms complexe werkelijkheid via haar personage invoelbaar te maken. Aida zit in twee werelden: als tolk in de wereld van de VN en als burger in de Bosnische. Zo zien we in een flashback hoe zij vroeger feest vierde samen met de Serviërs uit Srebrenica. Soms herkent een soldaat zijn vroegere lerares, soms is er alleen een blik van Aida vanachter het hek dat hen opeens heeft verdeeld in slachtoffer en dader. Prachtig ook laat de regisseur in slechts een paar korte scènes de liefde zien van Aida voor haar zonen, hoe ze van karakter verschillen. Maar ook haar activisme richting kolonel Karremans en majoor Franken (Raymond Thiry, onder andere van Penoza) en andere Dutchbatters, haar onvermoeibare inspanningen om het gruwelijke lot dat haar wacht te keren. Aida is overal, tolkt, spreekt mensen moed in, helpt bij een bevalling en troost in een hartverscheurende scène haar man. Aida wordt daarmee het krachtige symbool van de moeders van Srebrenica.

Kijken naar de film – een coproductie met drie Europese landen, waaronder Nederland – roept ook weer die ene vraag op: had Dutchbat niet méér kunnen doen? Zoals aan het einde. Als de twee zonen en de man van Aida van de compound worden gezet en door Dutchbat aan de Servische soldaten van Mladić worden overhandigd, zoals ook de vader en de broer van Hasan Nuhanović overkwam. Waarom weigert Dutchbat ze op de speciale VN-medewerkerslijst te zetten waarmee ze waarschijnlijk gered hadden kunnen worden? In 2011 oordeelde het Gerechtshof Den Haag in de hoger-beroepzaak die VN-tolk Nuhanović had aangespannen dat de Nederlandse staat inderdaad aansprakelijk is voor de dood van zijn familieleden, evenals voor die van de elektricien van Dutchbat. Dutchbat handelde volgens de rechtbank onrechtmatig toen het de familieleden van de compound stuurde op een moment dat al bekend was dat mannen mishandeld en vermoord werden. Twee jaar later heeft de Hoge Raad deze uitspraak bevestigd.

Het was een Nederlandse beslissing. Dat en nog veel meer maakt de film juist ook voor Nederlanders geen neutrale ervaring, maar des te meer een reden om Quo Vadis, Aida? te gaan zien.

In de ontroerende epiloog van de film keert Aida jaren later terug naar Srebrenica. Ze gaat er weer lesgeven op de basisschool. Weer staat ze voor de klas, weer ook voor Servische kinderen, zoals het zoontje van de vrouw die in hun oude flat is getrokken. De kinderen doen een dansje op muziek, hun kleine handen vouwen ze open en dicht voor hun ogen. Wel of niet willen zien. Daar gaat het om.


Quo Vadis, Aida? is van 22 april (20.00) tot 24 april (20.00) on demand te zien bij het Movies that Matter-festival. De Oscar-uitreiking vindt plaats op 25 april