De moeilijkheid om nee te zeggen

‘I would prefer not to’: de uitspraak van kantoorklerk Bartleby is een van de beroemdste zinnetjes uit de wereldliteratuur, en je zou het liever onvertaald laten.

Medium herman 20melville

In 1958 verscheen bij de Wereldbibliotheek een eerste vertaling van Bartleby, the Scrivener: A Story of Wall Street, een kortverhaal uit 1853 van de Amerikaanse schrijver Herman Melville. Johan Palm kortte de weigering van Bartleby in tot ‘liever niet’ – een te courant gebruikte afwijzing, te beknopt, te normaal, zonder het abrupte einde van het origineel; terugvertaald zou er staan: rather not. In een vertaling uit 1989 (verschenen bij BoekWerk) noteerde Auke Leistra: ‘Ik doe het liever niet’, wat een letterlijke vertaling is van ‘I prefer not to do it’, met weglating dus van would, en met toevoeging van do it.

Maurice Blanchot – een van de filosofen die, naast Agamben, Derrida en Deleuze, over Bartleby hebben geschreven – deed in zijn hoofdwerk L’Écriture du désastre uit 1980 een gedurfder en gepaster voorstel, in het Frans: ‘je préférerais ne pas’. Deleuze nam deze formule over, als credo bij de vrolijke weigering om van buitenaf een betekenis opgedrongen te krijgen. Toen Jacq Vogelaar het essay van Deleuze over Bartleby vertaalde (in een themanummer van Raster uit 2004, over ‘de moeilijkheid nee te zeggen’), bedacht hij de volgende variant: ‘Dat deed ik liever niet.’ In de recent vertaalde essaybundel van Deleuze, Kritisch en klinisch (verschenen in 2015 bij Octavo), vertaalde Walter van der Star het nog eens anders: ‘Ik zou liever niet.’ ‘Liever niet’, ‘ik doe het liever niet’, ‘dat deed ik liever niet’, ‘ik zou liever niet’ – wat zijn de woorden die Bartleby uitgesproken zou hebben, mocht hij in Amsterdam gewerkt hebben en niet in New York?

Het is fantastisch dat het verhaal van Melville weer breed beschikbaar is in een nieuwe Nederlandse vertaling van Rosalien van Witsen, uitgegeven bij Athenaeum-Polak Van Gennep, en met illustraties van Charlotte Schrameijer. Maar toch is de keuze van Van Witsen voor het meest eenvoudige ‘liever niet’ een beetje jammer, al was het maar omdat de wereldvreemdheid en tegelijkertijd de formele beleefdheid van Bartleby met deze formule verloren gaat.

‘Het idee kwam in me op dat Bartleby mij, bejaard als ik was, er wel eens uit zou kunnen zetten’

Bartleby is in dienst getreden van een advocaat en hij moet documenten kopiëren, en vervolgens die kopieën nakijken. Aanvankelijk doet hij dat nauwgezet, en zelfs sneller dan zijn drie eerder lachwekkende collega’s, met als bijnamen Gemberkoekje, Ritselaar en Pimpelaar. Maar dan heeft hij er genoeg van, hoewel hij zijn weerzin ingehouden tot uitdrukking brengt. Hij zegt niet boos en vastberaden tegen zijn baas: ‘Rot op met je papieren!’ Zijn weigering is allesbehalve activistisch of revolutionair, en hij is niet bepaald in de greep van een rage against the machine, zoals de gelijknamige rockgroep van Zack de la Rocha, die in de hit Killing in the Name uit 1992 meer hedendaags uitriep: ‘Fuck you, I won’t do what you tell me!’ Door te zeggen ‘I would prefer not to’ zegt Bartleby iets waar zijn baas het bij nadere beschouwing niet eens mee oneens kan zijn: dat Bartleby het verkieslijk acht om zijn saaie kantoorwerk te verzaken, dat is toch niet meer dan normaal? Hij zegt niet letterlijk nee, dat doe ik niet – als Bartleby iets tot uitdrukking brengt, is het schaamte over zijn verlangen, en eigenlijk ook zijn onvermogen, om radicaal en eenduidig nee te zeggen.

De naamloze ik-verteller van De klerk Bartleby is de baas zelf. Dat creëert een ironische distantie die dit verhaal extra kracht en betekenis geeft, en het ook onderscheidt van het werk van Kafka, waarmee het vaak is vergeleken, hoewel het zeker niet hetzelfde expressionistische, carnavaleske of onwereldse karakter heeft. De advocaat met zijn kantoor op Wall Street zegt het evenmin met zoveel woorden, maar onbewust geeft hij zijn weigerachtige werknemer gelijk. Daarom ontslaat hij Bartleby niet, maar plaatst hem achter een kamerscherm in zijn grote kantoor, als de verborgen waarheid die de absurditeit en de zinloosheid van zijn professionele bezigheden paradoxaal genoeg draaglijker helpt maken. Het ziet ernaar uit dat Bartleby en zijn baas zo jarenlang verder kunnen.

Het probleem zijn de anderen: de collega’s van Bartleby, die hem op zijn neus willen slaan, en de collega’s van de advocaat, die op bezoek komen en niet begrijpen waarom hun confrater een klerk in dienst heeft die weigert diensten te verrichten. ‘Het idee kwam in me op’, zo zegt hij, ‘dat Bartleby mij, bejaard als ik was, er wel eens uit zou kunnen zetten en mijn kantoor zou blijven bewonen en mijn gezag zou verloochenen, en mijn bezoekers in verwarring zou brengen, en mijn reputatie als advocaat zou ondermijnen, en mijn kantoor in een kwaad daglicht zou stellen.’ Zo moet Bartleby wijken vanuit concurrentieel oogpunt. Wie er openlijk blijk van geeft zijn werk niet graag te doen, of onvrede met werk in het algemeen tolereert, net als de beleefd uitgesproken wens dat iets anders doen verkieslijk is, die moet al snel aan marktwaarde inboeten. Het is een van de haast oneindige kwaliteiten en facetten van dit verhaal van Melville: de tragiek niet zozeer van Bartleby maar van de burgerlijke verteller, die eveneens vele dingen liever niet zou doen en de omweg van dit verhaal nodig heeft om dat aan zijn medemensen te vertellen.


Beeld: Herman Melville. Foto van een ets van Melville naar een portret door Joseph O. Eaton (Library of Congress)