Dertig jaar na de val van de Muur

De moestuin van Berlijn zit alleen nog in blik en glas

Ooit voorzag de DDR-deelstaat Brandenburg heel Berlijn van fruit en groente. Maar dertig jaar kapitalisme heeft de vernietiging van het platteland voortgezet die veertig jaar socialisme al had veroorzaakt.

Bloemen- en groentemarkt in Schwedt, Brandenburg, DDR, 1974 © Wilfried Glienke / ullstein bild / Getty Images

De markteconomie kondigde zich aan met kettingzagen. In het Brandenburgse Havelland, bij Potsdam, werden kort na de val van de Muur miljoenen appelbomen gerooid. Na enkele maanden was er van de elfduizend hectare nog geen derde over. Tegenwoordig moet je echt op zoek naar appelbomen: in heel Brandenburg staan er nog maar een paar honderd hectare.

Het is een ontwikkeling waarover de Brandenburgse burger liever zwijgt. Net als over meer pijnlijks dat samenhangt met de voormalige ddr. De traditionele bloesem- en oogstfeesten, waarin de appel centraal staat, bestaan nog steeds – maar dan op een rantsoen van braadworst en bier, Poolse appelsap en een enkele lokale kers.

‘Ze werden gerooid’: dat klinkt alsof het de appeltelers overkwam. ‘Het kapitalisme kwam als een Meuchelmörder’, een sluipmoordenaar: dat hoor je in de Duitse deelstaat Brandenburg vaak zeggen. Ook nu nog, dertig jaar nadat op 9 november 1989 de Muur viel. Of nu misschien weer vaker dan tien of twintig jaar geleden. Mensen voelen zich nog steeds uitgeleverd aan onbegrijpelijke krachten uit het Westen. En dat gevoel speelt, aangewakkerd door extreem-links en -rechts, nu flink op.

Die kettingzagen waren echter geen sluipmoordenaars. Zij arriveerden op bestelling. Wie tekende voor de kaalslag, plus vijftien jaar lang afzien van elke appelteelt, kreeg een premie van 8300 mark per hectare. Destijds een aanlokkelijke som: ineens was er geld voor de vereiste innovaties richting laagstammigen. Maar ja, dat rijmde niet met de gesloten deal.

De telers, die na de ondergang van de Duitse Democratische Republiek zelfstandige ondernemers werden, was verteld dat hun hoogstammigen niet konden concurreren met de struiken in het Alte Land bij Hamburg en in Zuid-Tirol. Om maar te zwijgen van de appels van het zuidelijk halfrond. Die waren goedkoper dan die van hier, zelfs na het transport over de halve aardbol. Zo werd het Havelland, werd Brandenburg, werd de hele voormalige ddr de afzetmarkt voor appels van verre.

De ontwikkeling was ook later niet meer in te lopen. Nu is er in de hele deelstaat nog maar één bedrijf dat op ietwat concurrerende schaal appels voor de regionale markt produceert: een nieuwe Italiaanse teler. De vele appels van verre worden echter graag als ‘regionaal’ gepresenteerd. Het Havelland heeft namelijk een nieuw leven gekregen als distributiecentrum. ‘Omgepakt in het Havelland’: zolang je die streeknaam maar groot vermeldt en de ware herkomst klein, lijken die appels warempel uit de regio te komen. Met bananen lukt deze truc niet: elke Oost-Duitser weet dat dit voorheen zo schaarse goed van elders komt.

De appelparabel kan moeiteloos worden vervangen door eentje over tarwe, tomaten of melk. Frank Schütz, burgemeester van de dorpsgemeente Golzow aan de grens met Polen, heeft de naoorlogse ontwikkelingen in de Brandenburgse land- en tuinbouw in een fraaie paradox samengevat. ‘In de ddr waren regionale producten helemaal niet in. Maar ze waren er wel. Tegenwoordig is regionaal de norm. En wat zien we? De Berlijners kunnen amper nog verse producten uit hun omgeving krijgen. Het lukt ons hier in de Oderbruch, op slechts zeventig kilometer van Berlijn, niet meer om de stad te voeden, zoals vroeger. Dat is absurd.’

In de ddr had men tenminste nauwelijks last van de concurrentie van verse groenten en fruit uit het ‘kapitalistische buitenland’: Schütz stelt het met enig cynisme vast. De 49-jarige Schütz, een onafhankelijk denker, werd uit pragmatische overwegingen cdu-lid, om als onbezoldigde burgemeester wat te kunnen doen voor zijn gemeente, waar het cdu nog altijd veel aanhang heeft. Daarnaast heeft hij een tuincentrum in Manschnow, een dorpje in zijn gemeente.

Hier in de Oderbruch is hij ook geboren. Het is een strook ingepolderd land van vijftien bij vijftig kilometer langs de Oder. Onder Frederik de Grote, 250 jaar geleden, hebben Hollandse ingenieurs de polder drooggelegd (‘Bruch’ is ‘broek’, zompig land). De Oderbruch werd de graanschuur van Berlijn en daarna, zo’n honderd jaar geleden, de moestuin. Toen we elkaar jaren geleden leerden kennen, was Frank Schütz nog geen burgemeester. Hij werd dat in 2014, en voor zijn tuincentrum heeft hij nu amper nog tijd.

Ik was in Manschnow beland op zoek naar sporen van de familie Van Spronsen, voor mijn boek over de ontwikkelingen op de Europese groentemarkt. Deze Loosduinse tuindersfamilie was rond 1900 in de Oderbruch neergestreken en had er de tuinbouw in glazen kassen geïntroduceerd. De Hollanders wilden met hun verfijnde kasproducten de hoofdstad van het Duitse Rijk verleiden. De familieonderneming floreerde, want Berlijn was inderdaad een gretige afzetmarkt voor hun tomaten, sla, druiven, bloemen.

In eerste instantie was Franks vader Walter Schütz mijn contactpersoon in Manschnow. Walter heeft over de Van Spronsens nog iets, niet veel, gehoord van zijn zwijgzame vader, die op hun landerijen werkte. Zelf werkte hij tot zijn pensioen als ‘meester-beregenaar’, oftewel gediplomeerd ambtenaar irrigatie, in de Landwirtschaftliche Produktionsgenossenschaft (lpg), het staatsbedrijf dat alle privé-gronden had opgeslokt. Een hogere opleiding zat er voor Walter niet in, want hij beschikte, zegt hij, ‘sogesagt niet over de juiste politieke contacten’.

Walter Schütz praat met spot in zijn stem. Hij heeft die typische ddr-humor van weinig woorden met veel understatement, waarmee je pijnlijke gebeurtenissen wat kunt verzachten.

Hier in de Oderbruch heeft hij voldoende verwoesting meegemaakt. Als kind zag hij hoe de oorlog het landschap had achtergelaten. Daarna maakte hij mee hoe de communisten er huishielden. Maar vervolgens kwam, onverwacht heftig, het kapitalisme er nog eens overheen. Soms in de vorm van kettingzagen. Maar vaker als, inderdaad, een sluipmoordenaar.

Frank Schütz, een lange slungel met bril en baardje, en zijn vader Walter, kleiner en gedrongener, lijken weggelopen uit Peter van Straatens strip Vader en zoon. Met dien verstande dat ze elkaar niet tegenspreken, maar voortdurend aanvullen. Ze nemen me mee naar een grauwe vervallen villa, waar ooit enige Van Spronsens woonden. De collectiveringsdwang in de jonge ddr, die ondernemingen tot staatseigendom verklaarde, verjoeg drie generaties van deze tuindersfamilie begin jaren vijftig naar Nederland. Ook tonen de Schützen me de ruïnes van hun oude kassen, gebouwd in Nederlandse stijl met puntdak. Er groeit onkruid in, en door het raamloze skelet zelfs heftig naar buiten.

Wat is hier misgegaan? En wanneer? Volgens de statistieken werd er in de vroege ddr-jaren nog dagelijks vijftig ton groente geleverd aan de hoofdstad Berlijn – Oost-Berlijn. Maar ook West-Berlijn at daarvan gretig mee, tot 1961 was de Muur er immers nog niet.

De lpg waar Walter Schütz werkte, omvatte met 6750 hectare een tiende van de hele Oderbruch. De coöperatie was het grootste landbouwbedrijf in de hele ddr. Het was een model-lpg, waar de ddr graag haar prominente staatsgasten ontving, zoals de Noord-Koreaanse partijchef Kim Il-sung. ‘De laatste Spronsen hadden hun hielen nog niet gelicht’, vertelt Walter Schütz, ‘of hun bedrijf werd ingelijfd bij de landbouwcoöperatie Pascha Angelina, genoemd naar de eerste vrouwelijke tractorbestuurder van de Sovjet-Unie.’

Het eerste wat men hier van de val van de Muur merkte, was de constante stroom vrachtwagens uit het Westen die door de dorpen denderde – met die uit Nederland in de voorste linies

Daarna werd alles anders. ‘Het was een catastrofe, al ziet niet iedereen van hier dat nu zo. In één klap werden twintig zelfstandige groente-, fruit- en bloemenkwekerijen ontbonden. De Oderbruch heeft zich van die ingreep nooit meer echt hersteld.’

Bijna de hele productie werd tijdens het plansocialisme weer ouderwets op de volle grond verricht, als Freilandgemüse. Dat klinkt romantisch, maar het stond voor tamelijk eenzijdige veldkost – heel anders dan vóór de oorlog. De kassen verkommerden. Schütz: ‘De hier gestationeerde sovjetsoldaten hadden geen verfijnde, gesorteerde groenten nodig. De tomaten, knoflook en verse augurken gingen toch in de soep of in het goulashkanon.’ Er moest vooral véél worden aangeleverd. ‘Ook de bevolking werd per kilo verzorgd.’

We staan te midden van eindeloze maïsvelden, afgewisseld met uitgestrekte velden zonnebloemen, lege weiden, lege bruine vlakten waar koolzaad is geoogst, een enkele biogasinstallatie… De Oderbruch oogt akelig monotoon. Bij zo’n saaie eenvormigheid denk je al snel aan het plansocialisme van de ddr. Maar Walter Schütz corrigeert dat beeld. ‘Zo ziet het er hier pas de laatste twintig jaar uit. Dit was in de ddr-jaren nog allemaal productiegebied voor groente, graan, fruit… Tot in de kleinste hoekjes werd iets geteeld. Ik kan het weten, want ik moest dat alles bevloeien.’ Frank vult aan: ‘Het beetje dat hier tijdens de ddr-jaren nog van het afwisselende vooroorlogse landschap over was, is sindsdien grotendeels vernield.’ De metamorfose van het landschap is dus van recente datum.

Rogge-oogst in Brandenburg © Patrick Pleul / Newscom / HH

Dertig jaar geleden viel de Muur. Het eerste wat men daarvan merkte hier, was de constante stroom vrachtwagens uit het Westen die door de dorpen denderde – met die uit Nederland in de voorste linies. Appels en tomaten, melkproducten, eieren en fokvarkens, met de bijbehorende technologie, werden in enorme hoeveelheden deze kant uit vervoerd.

Voordat de plattelandsbevolking het zich realiseerde, was ze producent-af. Niet alleen de voormalige ddr was tot afzetmarkt gereduceerd, het verschijnsel deed zich overal in het voormalige Oostblok voor. Gelukkig subsidieerde de EU ringwegen en rotondes in haar toekomstige lidstaten, om de markt geruislozer te bedienen. Zelfs het kleinste gehucht in Kroatië had ze al in overvloed voordat het land toetrad tot de EU.

De deelstaat Brandenburg wordt nu bovenmatig gesust met miljarden van de EU. Al jaren staan Brandenburgse instanties, opgeteld, in Duitsland op de eerste plaats bij de ontvangsten voor infrastructurele projecten, waarvan de zin velen ontgaat. Menig Oost-Duitse dorpskerk heeft de bouw van een luxe ‘ontmoetingscentrum’ gefinancierd gekregen, waar geen hond heenkomt. Daarnaast krijgen de veelal grootschalige landbouwbedrijven in de deelstaat jaarlijks van de EU een paar ton aan directe betalingen, berekend naar het aantal hectaren grond. Met allerlei andere premies kan dat per bedrijf oplopen tot een paar miljoen euro subsidie per jaar.

Frank Schütz had na de val van de Muur dolgraag in Manschnow een tuinbouwbedrijf opgericht, in de oude Van Spronsen-traditie. ‘Ik hoorde op school echter tot de weinigen die niet de partijlijn volgden, maar het eigen hoofd. Ik liet me nergens lid van maken, niet van de Deutsch-Sowjetische Freundschaft en al evenmin van de Freie Deutsche Jugend fdj. Studeren zat er dus voor mij niet in. Zelfs een vakspecialisme zoals instrumentenmaker was onbereikbaar. Direct na de val van de Muur ben ik in Berlijn een handelsopleiding gaan doen, en daarna ben ik hier in Manschnow een bloemenwinkel begonnen.’

‘De grote vraag na de sogenannte Wende was of we in staat zouden zijn de groenteproductie vanaf het nulpunt weer op te bouwen’, vervolgt hij. ‘Het antwoord luidde helaas “Nee”. De gigantische investering was voor ons eenvoudigweg niet op te brengen.’ ‘We zouden de benodigde kredieten niet eens hebben gekregen’, voegt vader Walter toe. Frank: ‘Het risico was veel te groot.’

Frank Schütz heeft zijn bloemenwinkel met steun van de familie tot een tuincentrum kunnen uitbouwen. Maar een tuincentrum is geen tuinderij. Schütz’ verhaal past bij de appel-parabel uit het Havelland. ‘Van een nieuw leven voor de land- en tuinbouw is na de Wende weinig terechtgekomen. De meeste grond kwam in handen van buitenstaanders. Daar waren ook weer snel Nederlandse ondernemers bij.’

De autochtonen mogen graag klagen over Hollandse agrariërs, die listig van de gelegenheid gebruik zouden hebben gemaakt om grond te verwerven. Anderen zijn juist blij dat die vreemdelingen hierheen zijn gekomen en tenminste nog een paar banen hebben gecreëerd. Frank Schütz: ‘Begin jaren negentig heerste hier zo’n stemming van “ons gaat het nu goed”. Waarom zou je dan ergens het initiatief toe nemen? De Brandenburgse regering beloofde immers telkens weer nieuwe fabrieken – die er nooit gekomen zijn.’

Het werd in de dorpen stiller en stiller. De gemeente Golzow telt nog zo’n achthonderd inwoners. In de jaren zeventig leefden in hetzelfde gebied 1300 mensen, en rond 1900 nog meer. Gelukkig heeft elk Oost-Duits dorp wel een Frank Schütz die niet, zoals vele jongeren, wegtrok, maar ter plekke nieuwe kansen greep.

Als kersverse burgemeester ging Schütz in 2015 – het jaar van Angela Merkels ‘Wir schaffen das’ – op zoek naar vluchtelingengezinnen met kinderen, opdat het dorpssschooltje nog een eerste klas kon vormen. Want als de school uitsterft, sterft het dorp uit. Hij kwam terug met twee Syrische gezinnen onder het motto: zij hebben eerst zichzelf weten te redden, en nu gaan ze ons redden.

‘Er was hier heel wat opwinding over de komst van die twee gezinnen’, vertelt hij. ‘Terwijl iedereen hier in de familie vluchtelingen van direct na 1945 heeft, met name uit de gebieden die nu Pools zijn. Maar ja, dit zijn “de anderen”, hè, “niet van ons”.’

Het is goed gegaan, al is de verblijfsstatus van de Syrische dorpsgenoten nog steeds onduidelijk. ‘Een derde familie heb ik maar zonder aankondiging een huis gegeven – er staat hier genoeg leeg – en een vierde familie is nu, herfst 2019, in stille aantocht. Want er zijn emotionele grenzen, dat heb ik wel gemerkt.’ Toen Schütz voorstelde om honderd mannelijke vluchtelingen in een leegstaande hal op te vangen, brak er een volksopstand uit. Een van de Syrische vrouwen kon de rel sussen door haar verzamelde dorpsgenoten toe te spreken, in tranen over hun woede. Ook zijzelf, sprak ze, was bang dat er tussen die honderd jonge mannen misschien tien ‘islamisten’ zaten. De opvang werd afgeblazen.

Aan het begin van deze eeuw werden de mensen in de Oderbruch nog eens door twee dramatische omwentelingen verrast: de economische crisis en de klimaatcrisis. Of eigenlijk waren het de reacties op beide drama’s die, in hun wisselwerking, de grond tot speculatieobject maakten. In de strijd tegen de opwarming van de aarde is biomassa een belangrijke energiebron. Vooral maïs voor biogasinstallaties werd de nieuwe hoop voor het milieu. Tegelijkertijd ontdekten Europese beleggers dat de Oost-Duitse grond een veiliger haven voor investeringen vormt dan de zwalkende kapitaalmarkt.

Waar een eeuw geleden de tomaten voor het eerst in droge kassen groeiden, en na de oorlog alle groente en fruit ‘van de koude grond’ kwam, zal ooit het water weer heersen

Inmiddels is de meerderheid van de landbouw- en bosgebieden in handen van meubelmultinationals, verzekeringsmaatschappijen en andere institutionele beleggers, ook beursgenoteerde. Sommige beleggers verwierven maar liefst vijftigduizend hectare akkerland, met dank aan de Treuhandanstalt. Dit trustagentschap was vanaf 1990 belast met de privatisering en sanering van al het staatsbezit van de ddr.

Ook het overgrote deel van Walter Schütz’ lpg werd zo ‘afgewikkeld’. Treuhand-president Detlev Rohwedder moest zijn ongeliefde job in 1991 met de dood bekopen. Het was de laatste moord die werd opgeëist door de Rote Armee Fraktion – al is nooit bewezen dat deze groep erachter zat.

Wat maar weinigen buiten de voormalige ddr weten: dit privatiseringsproces is nog steeds niet afgerond. Er is een Treuhand-opvolger met de politieke opdracht om de resterende landbouwgrond vóór 2025 zo duur mogelijk te verkopen. De Duitse staat verdient hiermee per jaar minstens honderd miljoen euro. ‘In de ddr was grondspeculatie tenminste onbekend’, verzucht Franz Schütz, toch bepaald geen liefhebber van het staatssocialisme. In 2015 heeft zelfs het Europees Gerechtshof de Duitse staat gekapitteld voor de verkoop van grond aan de meestbiedende partij. Maar die uitspraak is niet bindend.

Landgraaierij, land grabbing: je associeert het met corrupte, ontregelde staten als Roemenië of Litouwen. Maar ook in het ‘keurige’ bureaucratische Duitsland wisten de investeerders hun kans te grijpen. Wie in de Oderbruch heeft geïnvesteerd, profiteert driedubbel: het geld is belegd in de veilige ‘westerse’ Bondsrepubliek en tegelijkertijd in een goedkoop ‘jong EU-land’, de deelstaat Brandenburg, waar voor biogasinstallaties allerlei subsidies klaar lagen (al zijn die inmiddels voor nieuwe installaties wat teruggeschroefd).

Flinke delen van de Oderbruch ogen als een woestenij. Met name de ‘energiemaïs’ wordt tegen alle ecologische principes in geproduceerd, vaak om elders in Duitsland, waar de grond duurder is, in de installaties te verdwijnen. Dit type maïs wil in de Oderbruch goed groeien, mede dankzij de kunstmest- en gifcocktails die de grond daarvoor geschikt maken. Zonder dure arbeidskracht wordt ongewenst groen zo in de kiem gesmoord.

Geen mens of dier eet deze maïs, dus wat zou het. Vooral de omstreden onkruidverdelger glyfosaat is geliefd. Die wordt niet alleen hier, maar op een derde van alle Duitse landbouwgrond ingezet, vooral bij gebruik van het goedkope Roundup van Bayer-Monsanto. Het gif keert samen met de verbrande maïsresten ook nog eens terug in het milieu.

Zelfs op plekken waar nog wel groente voor de Berlijnse consument wordt verbouwd, zijn dat amper nog verse producten. De coöperatie Odega, die een stukje van de voormalige lpg verwierf waarop Walter Schütz werkte, is althans nog een bedrijf ‘van hier’. Odega zag zich echter met aflopende pachtverdragen geconfronteerd en met onbetaalbare nieuwe contracten. Wat doe je dan? Een deel van het land duur verkopen, en op het resterende deel winst maken.

Odega adverteert met de leus: ‘Waar de natuur nog gezond is’. En in één ademtocht met: ‘Vers van het veld in het vat’. Op de bijgeleverde foto zijn slechts zuurkool en zure bommen te zien. Odega handelt voornamelijk in ‘industriegroente’, dus conserven en diepvries. Daarmee kun je de winst namelijk veel beter plannen dan met verse waar, en heb je bovendien veel minder arbeidskrachten nodig. Dit is extra van belang sinds Duitsland in 2014 een wettig minimumloon invoerde, al is dat vrij belabberd.

Zo belandt het grootste deel van de paar hectare tomaten die hier nog worden gekweekt in de Brandenburgse ketchup. De Berlijners vinden de voormalige moestuin rond de stad, ooit een paradijs vol verse appels en tomaten, nu met name in blik en glas terug, en in de vriezer van hun supermarkt. Frank Schütz ziet in 2019 echter ook een glimpje van hoop: nu er ondanks het nieuwe aanbod van vluchtelingen overal personeelsgebrek heerst, leidt Odega weer jongeren op, net zoals vroeger de lpg.

Fruitwijn in Werder, Brandenburg, 1902 © Georg August Busse / ullstein bild / Getty Images

De landbouwindustrie als toekomstmodel: Schütz wordt er niet vrolijk van. ‘Energie en inmaak voor Berlijn, daar worden landschap en milieu dus niet beter van.’ Ook de intensieve, grootschalige varkenshouderij doet een duit in het zakje, met opnieuw Nederlandse ondernemers in de voorste linie. Al tien, vijftien jaar protesteert de bevolking, aangestuurd door ‘groene’ Berlijners, met wisselend succes tegen de zo milieubelastende varkensindustrie. Maar ja, de ‘kiloknallers’ doen het goed in de hoofdstedelijke supermarkten: een kilo varkensvlees voor drie euro!

Behalve door de markteconomie wordt de Oderbruch van oudsher belaagd door het water. ‘Het is hier een badkuip wanneer je niets doet’, schampert Walter Schütz. In plaats van de ‘bloeiende landschappen’ die waren beloofd door Helmut Kohl, de ‘kanselier van de Duitse Eenwording’, kwam het water. En dat kwam telkens opnieuw, vaak als regelrechte overstroming.

‘We waren wel wat gewend. Je kocht gewoon een zwembroek. Ik bedoel: vóór 1990 was het ook niet ideaal. Maar tegenwoordig is die wateroverlast er permanent.’ De bodem kan zich namelijk niet herstellen. ‘De energiemaïs doet de grond inklinken, en de Fruchtfolge, de traditionele opeenvolging van de aanplant van gewassen, heeft niet meer plaats.’

Hij moet de hele waterhuishouding weer de indrukwekkende vooroorlogse dimensies zien te geven, verzucht Schütz. ‘Maar ja, wat dat niet kost… De oude maalwerken waren al in de ddr-tijd in onbruik geraakt. De meeste sloten zie je amper nog. Frank en ik hebben er heel wat met de hand uitgebaggerd.’ Toch is er dit jaar een beetje goed nieuws op dit vlak: de regering van de deelstaat Brandenburg, in Potsdam, heeft na lang gelobby van Frank Schütz en zijn deskundigen het uitdiepen van één kilometer sloot in Golzow met een miljoen euro gefinancierd. Het begin van nieuw watermanagement?

Frank Schütz zet intussen versterkt in op het toerisme. ‘We hebben hier een uniek, eeuwenoud waterlandschap. Maar dat krijgt amper aandacht.’ Bij het stationnetje van Golzow, waar zelden iemand uitstapt, wijst hij op gloednieuwe borden waarop de geschiedenis van de Oderbruch wordt verbeeld. Schütz werkt er hard aan een Europese status van cultureel erfgoed voor dit aangelegde polderlandschap erkend te krijgen.

De internationale media hebben Golzow al ontdekt – zij het niet vanwege de potenties van het waterlandschap. De gemeente wordt alom bejubeld als model om uitstervende dorpen te redden met de hulp van vluchtelingen. Schütz heeft inmiddels een halve dagtaak aan de wereldpers. Daarbij probeert hij zijn nieuwe dorpsgenoten, de Syrische gezinnen, voor al die media-aandacht af te schermen. Want in tijden van rechts-populisme is men dol op zo’n feelgoodstory uit de Duitse periferie. Afgelopen zomer stond The New York Times nog bij hem in de polder.

In hun nachtmerries zien de bewoners van de Oderbruch zich ingesloten worden door het water. Waar een eeuw geleden de tomaten voor het eerst in droge kassen groeiden, en na de oorlog alle groente en fruit ‘van de koude grond’ kwam, zal ooit het water weer heersen, vreest men – net als in de tijd vóór Frederik de Grote en zijn Hollandse ingenieurs. Maar al te grote zorgen hoeft men zich nu ook weer niet te maken. De grond is inmiddels veel te duur geworden om aan de natuur prijs te geven.


Dit is een door de auteur bewerkte en geactualiseerde versie van een verhaal uit haar boek De tomaat en de bizarre wereld van vers voedsel (Nieuw Amsterdam, 2016)*