Kunst - Prijs voor de Jonge Kunstkritiek

De mogelijkheid van een tuin

Struinend langs de stranden verzamelde filmregisseur Derek Jarman stenen, wrakstukken en roestend ijzer. In zijn tuin komt het materiaal samen in de vorm van kleine sculpturen.

Medium opening 20dungeness 202
Dungeness, Zuid-Engeland. Prospect Cottage, toevluchtsoord voor Derek Jarman © Derek Alberts

‘(…) want wij hebben allen enig idee van wat het betekent om iemand te verliezen. Verlies heeft een ijl “wij” van ons gemaakt. En als we hebben verloren dan volgt daaruit dat we hebben gehad, dat we hebben verlangd en lief gehad, dat we hebben gestreden om de voorwaarden voor ons verlangen te vinden.’

Judith Butler, Precarious Life: The Powers of Mourning and Violence, 2004.

‘Het woord paradijs is afgeleid van het oud-Perzisch – een groene plek. Het paradijs waart rond in tuinen, en sommige tuinen zijn paradijzen. Mijn tuin is daar een van.’

Derek Jarman, Derek Jarman’s Garden, 2012.


Het is augustus 2016. Samen met drie bevriende kunstenaars ben ik aangekomen bij Prospect Cottage, de tuin en het buitenhuis van de Engelse cineast, dichter en kunstenaar Derek Jarman (1942-1994). Na een niet al te lange reis, via de tunnel bij Calais naar Dungeness in de zuidelijke kuststreek van Engeland, wachten we nu iets vertwijfeld in de auto. Wat belet ons uit te stappen? Wellicht voelen we ons betrapt: ik voel me als iets wat het midden houdt tussen een cultuurtoerist, een voyeur en een bedevaartganger. In mijn gedachten heeft de tuin mythische proporties aangenomen, is het landschap bij voorbaat uitgestrekt en verlaten. Bij aankomst sijpelt de alledaagse werkelijkheid binnen. Waarschijnlijk komt het door de jonge tuinman die met toewijding het onkruid wiedt en niet in dit plaatje der verwachtingen past.

Dungeness is een landtong in Zuid-Engeland, een woestijn van kiezelstenen. Hier wint de woestijn land van de zee en verplaatst haar steeds verder naar de horizon. Elders zal de strijd ongetwijfeld door de zee worden gewonnen. In dit desolate landschap, waar alleen een enkele struik sterk genoeg is om wortel te schieten, doet de wind een constante aanslag op je lichaam. Het is alsof de windvlagen zich door je lichaam heen proberen te slaan, je uit evenwicht willen brengen en zo lawaaierig mogelijk de pastorale stilte doorbreken. Howard Sooley, een van de bekendste fotografen van deze tuin en goede vriend van Jarman, beschrijft zijn eerste bezoek aan Dungeness als ‘landen op de maan’. Het is een vrij onwaarschijnlijke locatie voor een tuin. De gedachte dat hier überhaupt iets kan groeien, doet je geloven in wonderen.

In de lente van 1986, op zoek naar een locatie voor de film The Garden, kochten Jarman en zijn partner Keith Collins het zwart geteerde vissershuisje met omringende tuin dat nu wereldwijd bekendstaat als Prospect Cottage. Hier kon de kunstenaar zijn interesse in tuinieren, kennis van horticultuur en zijn ecologische overtuiging tot bloei laten komen. Nog geen half jaar later werd bij Jarman hiv gediagnosticeerd. De tuin en het eind van zijn leven raakten al snel met elkaar verweven, in vorm en inhoud.

Medium dungeness 201
© Derek Alberts

Het versmelten van kunst en leven is Jarman niet vreemd. Hij is bekend geworden als cineast, en zijn films worden geroemd om de experimentele omgang met camera en verhaalstructuur en getuigen van een diep persoonlijk engagement met maatschappelijke ontwikkelingen, (homo)seksualiteit en geweld. Waar in Caravaggio (1986) kunsthistorische referenties worden gecombineerd met een homo-erotische esthetiek is Jubilee (1978) een document van de punkbeweging en verhaalt The Last of England (1989) over thatcherism en de sociale desintegratie in Groot-Brittannië in de jaren tachtig. In Blue (1993), de film die Jarman aan het eind van zijn leven maakte, staat zijn dagelijkse ervaring van leven met aids centraal. Drie stemmen vertellen het gefragmenteerde verhaal tegen de achtergrond van een blauw scherm. Het blauw is niet alleen een referentie aan Yves Kleins blauw, dat door Klein werd geïnterpreteerd als een ‘open raam naar vrijheid’, maar ook een verwijzing naar Jarmans afnemende zicht en de blauwe waas die als bijwerking van het medicijngebruik opeens over zijn werkelijkheid was komen te liggen.

Prospect Cottage gaf Jarman de mogelijkheid te rouwen om de vrienden die hij verloor aan het virus dat ook hij droeg

De tuin van Prospect Cottage heeft geen grenzen, ‘de horizon is haar grens’, schreef Jarman in zijn dagboek Modern Nature op 1 januari 1989. In dit desolate landschap trof hij destijds slechts enkele vissershuisjes, in de verte twee vuurtorens en een imposante kerncentrale. Dertig jaar later is het landschap net zo desolaat, al is het nu gevuld met verlaten en half afgebrande boten, een toeristische herberg, en rijden auto’s af en aan. Prospect Cottage staat er als een opvallende verschijning, met haar zwarte houten muren en de contrasterende felgele kozijnen. Aan de voorkant van het huis is de tuin min of meer formeel van opzet, met een grote vierkante plantenbak en twee stenen cirkels, links en rechts gespiegeld, met weelderige begroeiing. Een houten vervallen vissersboot ligt er achteloos bij. Aan de achterkant is de tuin wilder, zonder duidelijk opgezette structuur.

Struinend langs de stranden verzamelde Jarman stenen, wrakstukken en roestend ijzer. In zijn tuin komt al dit afgedankte restmateriaal samen in de vorm van kleine geïmproviseerde sculpturen. De eerste associatie bij deze beelden is dat ze gemaakt werden door een amateur- of outsider-kunstenaar. Schrootijzer rondom een kleine vuursteen. Een ketting van grijze stenen rondom een driehoekig stuk wrakhout dat bekleed is met een inmiddels dieprood gekleurd stuk ijzer. Een ketting, gereedschap en kleine ijzeren objecten, alle verroest, vormen een precieze formatie in de kiezels. Achter in de tuin plaatste hij een soort totempalen van wrakhout, deels verrot en vergaan, naast cirkels gevormd uit roestend metaal. Sommige van deze beelden doen denken aan de langwerpige ‘personages’ van Louise Bourgeois; uitgestrekt en animistisch. Andere verzamelingen doen juist denken aan bezwerende ritualistische objecten, als kleine talismannen verspreid door de tuin.

De sculpturen en de begroeiing gaan organisch in elkaar over. De planten werden op hun beurt met een grote zorgvuldigheid uitgekozen op hun wil om te gedijen in deze droge omgeving van stenen, waar bovendien de wind de groei bemoeilijkt. Jarman maakte ruimte tussen de kiezels en creëerde afbakeningen van steen en hout waarin planten konden groeien. Hij selecteerde deels inheemse planten, zoals de onverwoestbare zeekool, die overal in Dungeness terugkeert. Distels, venkel, kamille zijn geplaatst naast (voor het eerst in India) gecultiveerde rozen en klaprozen. De begroeiing, cirkels van stenen, afbakeningen en beelden komen samen in één monumentale, even organische als minimalistische collage van bezwering.

Terwijl ik de British Common Wild Flower Guide erop nasla om de uiteenlopende planten in deze tuin te determineren, valt mijn oog op de categorisering die de gids aanbrengt in ‘native’, ‘archaeophyte’ of ‘introduced (neophytes)’. De drie categorieën verwijzen naar de herkomst van de flora en de lengte van aanwezigheid op het Britse eiland: criteria die bepalen of de plant al dan niet wordt opgenomen in de gids. De typeringen zijn gebaseerd op het argument dat ‘alleen zij die zichzelf hebben gevestigd en zichzelf kunnen voortplanten en reproduceren in het wild en die relatief alledaags en wijdverspreid zijn geraakt’ in deze gids worden opgenomen. Het zijn woorden die wrang naklinken. Ik kan deze argumentatie niet lezen zonder de associatie met onze huidige samenleving en de dagelijkse werkelijkheid van vluchtelingen, immigranten en sans papiers; zonder het te verbinden aan de verhouding tussen kolonisering en het idee van het inheemse.


‘De tuinman graaft in een andere tijd, zonder verleden of toekomst, begin noch eind. Een tijd die de dag niet doorklieft met spitsuur. Lunchpauze, de laatste bus naar huis. Wanneer je door de tuin wandelt, treed je deze tijd binnen – het moment van binnenkomst kan nooit worden herinnerd. Om je heen ligt het landschap in een nieuwe gedaante. Hier bevindt zich het Amen voorbij het gebed.’

Derek Jarman, Modern Nature, 1994.


Prospect Cottage werd een toevluchtsoord voor de kunstenaar. In een tijd waarin homoseksualiteit en aids taboe waren, kon hij hier van tijd tot tijd op adem komen van zijn groeiende publieke rol als activist. Een toevluchtsoord in een desolaat landschap waar hij kon reflecteren en mediteren als in een Japanse zen-tuin. Maar tuinieren vergt ook fysieke arbeid. Het verplaatsen van de kiezelstenen, het aandragen van grond, het planten, zaaien, laten groeien en onderhouden vergt een directe en actieve relatie tot de natuur. De tuin en het tuinieren gaven Jarman de mogelijkheid dagelijkse beslommeringen te vergeten en te rouwen om de vrienden die hij met steeds grotere regelmaat verloor aan hetzelfde virus, dat toen nog altijd geen officiële status mocht hebben. Deze tuin, in dit onwaarschijnlijke stukje aarde, werd een hoopvolle omgeving, een plek van strijd en groei door actie en zorg. Prospect Cottage werd zo Jarmans levenswerk over leven en dood.

De natuur, evenals de werkelijkheid, is meedogenlozer. Langzaam nam de tuin een andere betekenis aan, beschrijft zijn partner Keith Collins in Derek Jarman’s Garden (2012):

‘De strijd van de planten tegen bijtende winden en de Death Valley-zon vermengden zich met Dereks strijd tegen ziekte en kwam er in schril contrast mee te staan toen de bloemen bloeiden terwijl Derek verbleekte.’

Tuinen roepen lieflijke associaties op, maar Jarmans tuin, in dat onwaarschijnlijke landschap, ontkent de idylle

Tuinen roepen lieflijke associaties op, maar Jarmans tuin, in dat onwaarschijnlijke landschap, ontkent de idylle. De strijd die hij voerde doet me denken aan een andere beroemde kunstenaarstuin, zevenhonderd kilometer ten noorden van Dungeness, vlak bij Edinburgh: Little Sparta van schrijver en kunstenaar Ian Hamilton Finlay (1925-2006). In Unconnected Sentences on Gardening (1980) schreef hij: ‘Sommige tuinen worden omschreven als toevluchtsoorden, terwijl ze eigenlijk aanvallen zijn.’

Little Sparta is, net als de tuin van Jarman, een levenswerk en kunstwerk ineen. Hier, in een ander bar landschap, cultiveerde de aan agorafobie lijdende Finlay een parallelle werkelijkheid, zorgvuldig verdeeld over acht verschillende typen tuinen: van de ‘Roman Garden’, ‘Wild Garden’ en ‘English Parkland’ tot een ommuurde ‘hortus conclusus’. Als dichter graveerde hij stenen met tekst, die hij als visuele gedichten en commentaren intrinsiek verbond aan de bouw en indeling van de afzonderlijke tuinen. Een goed voorbeeld van de thematiek van Little Sparta is een stenen plantenbak. Op de voorkant is in laagreliëf ‘Et In Arcadia Ego’ gebeiteld. De titel is ontleend aan het beroemde schilderij van Nicolas Poussin uit 1637-38, waarop hij twee herders verbeeldde die verbaasd een tombe ontdekken. Dit pastorale uitgangspunt wordt door Finlay vervangen door een tafereel van een dreigende tank. Het is tekenend voor deze tuin, waarin het pastorale en pittoreske terugkeren, maar dan telkens van directe kritiek voorzien. Die utopie is niet langer mogelijk, lijkt hij te zeggen. Dat Finlay zijn tuin in 1980 naar Sparta vernoemde, was een bewust afzetten tegen de stad Edinburgh, die zichzelf het Athene van het noorden noemt. Maar het is ook een eerbetoon aan de ascetische, onbuigzame en vechtlustige bevolking van de klassieke stad Sparta. Waar volgens Finlay de indeling van tuinen een directe weerspiegeling is van de indeling van de samenleving (van cultuur en politiek), verkiest hij juist de ‘underdog’-positie van Sparta, en daarmee het anti-establishment. Little Sparta was zijn kritiek op de moderne samenleving, op het geloof in vooruitgang en op de verwijdering tussen mens en natuur.

Medium dungeness 203
© Derek Alberts

Voor Finlay was de tuin geen vlucht of verdediging, maar een aanval.

Stel je een klassieke Engelse tuin voor. De planten, bloemen, het groen: alles lijkt als vanzelf moeiteloos te groeien te midden van orde en rust. Het gazon is gladgestreken, geen vuiltje aan de lucht. Het is een beeld dat in schril contrast staat met Prospect Cottage en Little Sparta. Waar Little Sparta een meer direct politiek statement maakt, vormt Prospect Cottage een ruimte voor hoop en strijd. In stilte getuigen de tuinen van conflict en trauma, persoonlijk en historisch. Hier staat het individu niet centraal, maar is hij of zij slechts een nietig element in de grotere kosmologie van de wereld.

In zijn essay The Radicant (2009) beschrijft de Franse curator Nicolas Bourriaud de hedendaagse kunstenaar als een ‘radicant’. De ‘radicant’ is een plant of organisme die of dat telkens verplaatst en bij elke nieuwe verplaatsing opnieuw wortel schiet. Oppervlakkige wortels. De hedendaagse kunstenaar zou er een zijn die zijn identiteit niet laat bepalen door zijn wortels, in tegenstelling tot de modernisten. De hedendaagse kunstenaar, maar ook de hedendaagse mens, kent alleen de weg als thuis, zo pleit Bourriaud. In tegenstelling tot de radicaal, wiens ontwikkeling juist verankerd ligt in zijn diep liggende wortels.

Op de terugreis passeren we weer de grenspost in Calais. We zwaaien met ons Nederlandse paspoort. De grensbewakers zijn niet onder de indruk, de speurhond kijkt ongeduldig verder. We bereikten Dungeness zonder moeite en kunnen deze woestijn verlaten wanneer we willen.

Om een tuin als uitgangspunt te nemen van een reis, en vervolgens een essay, lijkt in eerste instantie misschien een irrelevante en escapistische oefening. Ruil ik de wereld die in brand staat in voor een esthetische of contemplatieve ervaring? Was Prospect Cottage ‘slechts’ een toevluchtsoord voor Derek Jarman aan het einde van zijn leven? Of kunnen we de tuin ook begrijpen als een poging tot engagement met die wereld? Kan de tuin een tijdelijke autonome zone zijn – die ons juist helpt de wereld beter te doorgronden?


Prijs voor de Jonge Kunstkritiek

Met dit stuk won Laurie Cluitmans de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek 2016 in de categorie essay. De tweejaarlijkse prijs, die werd opgericht door De Appel, het Mondriaanfonds en Witte de With, staat open voor jong talent en wordt uitgereikt in de categorieën essay, recensie en innovatieve kritiek. Cluitmans ondernam deze reis en dit onderzoek samen met kunstenaar Jort van der Laan voor de tentoonstelling Valerian (All Heal) die op 24 februari opent in Rongwrong in Amsterdam; rongwrong.org.