De mohammedanen van toen

Details. Als de Pools-Britse historicus Adam Zamoyski, die eerder bestsellers schreef over Napoleons veldtocht naar Rusland en over het Congres van Wenen, ergens in excelleert, dan is het in het doseren van treffende details.

In zijn nieuwe boek, over de overspannen wijze waarop de Europese machthebbers in pakweg de halve eeuw na de Franse Revolutie reageerden op (al dan niet vermeende) bedreigingen van de maatschappelijke orde, zijn het vooral de sprekende details die ervoor zorgen dat je blijft lezen.

Zo komen we te weten dat de Franse troepen die in de Oostenrijkse Nederlanden gevangen werden genomen hun uniformknopen, met daarop de leus liberté, égalité, fraternité, uitdeelden onder de bevolking, waarna de politie koortsachtig jacht maakte op de revolutionaire relikwieën, alsof het om gevaarlijke wapens ging. Ook lezen we dat Stendhal in 1816 erover klaagde dat hij tijdens een korte reis door Italië 22 keer zijn reistas moest laten doorzoeken, waarbij de analfabete overheidsfunctionarissen met grote argwaan naar zijn boeken keken.

Fraai is ook zijn schildering van de onrust, begin 1848, in het door Oostenrijk overheerste Noord-Italië, waar patriottische Milanezen een rokersstaking begonnen omdat ze de schatkist van de gehate bezetter niet langer wilden spekken met de accijnzen die op sigaren werden geheven. Toen de Oostenrijkse autoriteiten de troepen van gratis sigaren voorzagen om die demonstratief op straat te roken, sloegen inwoners van Milaan die uit de mond van de militairen en braken er grootscheepse ongeregeldheden uit. En in zijn beschrijving van de kort daarna in Parijs uitgebroken revolutie beschrijft Zamoyski hoe de boel daar escaleerde toen een militair met zijn grote trom vast kwam te zitten in een nauwe koetspoort, zodat zijn eenheid zich niet tactisch kon terugtrekken en er een hevig gevecht uitbrak waarbij tientallen doden vielen.

Samen met goed gekozen citaten – bijvoorbeeld van Edmund Burke, die de Franse revolutionairen beschreef als ‘reptielen die rondkropen in de modder van de duistere ondeugden waarin ze waren verwekt’ – zorgen de details en sfeertekeningen van Zamoyski ervoor dat je dit omvangrijke boek vrij vlot uit leest. En dat is een hele prestatie, omdat wat de auteur hier duidelijk wil maken ook heel wat beknopter verteld kan worden.

Medium zamoyski2
Wie alles wil controleren draagt er vaak toe bij dat zaken juist uit de hand lopen

In De fantoomterreur laat Zamoyski zien dat vanaf de Franse Revolutie de gekroonde hoofden van Europa als de dood waren voor alle ideeën die ertoe konden leiden dat mensen wel eens zouden willen morrelen aan de bestaande maatschappelijke en politieke verhoudingen. Gevaarlijke denkbeelden uit de Verlichting – over mensenrechten, vrijheid en sociale gelijkheid – moesten koste wat het kost onderdrukt worden, zodat er in de meeste landen een repressief apparaat werd opgetuigd dat elke trilling van maatschappelijke onvrede moest registreren en onderdrukken. En omdat al die politiemannen, spionnen en verklikkers moesten aantonen dat ze echt nuttig waren, werden overal complotten gesignaleerd en werd elke zoemende mug opgeblazen tot een woest trompetterende olifant.

Tussen de regels door ziet de lezer heel wat verwijzingen naar de recente war on terror en de huidige angst voor de ‘radicale islam’. En soms is de vergelijking onontkoombaar, aangezien de Franse revolutionairen toen af en toe expliciet werden vergeleken met agressieve ‘mohammedanen’ en Franse generaals met ‘moderne kaliefen’. Duidelijk is dat Zamoyski van mening is dat zowel toen als nu de ‘terreurbestrijding’ vaak gericht is op een fantoom, en daardoor niet zelden contraproductief is. Wie alles wil controleren en onderdrukken draagt er vaak toe bij dat zaken juist uit de hand lopen.

Zamoyski ziet vooral de Oostenrijkse kanselier Metternich als de kwade genius, die zo krampachtig wilde vasthouden aan een sociale orde die eigenlijk al niet meer bestond dat hij elke mogelijkheid tot geleidelijke en vreedzame verandering onmogelijk maakte. In zijn verontwaardiging over de bekrompenheid en de repressieve houding van de toenmalige autoriteiten is Zamoyski echter ook wel een tikkeltje eenzijdig. Hoewel hij gelijk heeft dat veel gevaren en complotten alleen bestonden in de hoofden van de machthebbers en hun politiechefs lijkt hij toch wel erg weinig oog te hebben voor de immense schok die de Franse Revolutie teweeg had gebracht. Zo zet hij Edmund Burke, die al in 1790 voorspelde dat er in Frankrijk een bloedige terreur zou ontstaan, wel wat al te gemakkelijk neer als een hysterische paniekzaaier. En terwijl hij uitvoerig over de repressie van de machthebbers schrijft, maakt hij weinig woorden vuil aan de ongekende bloeddorst van de Franse revolutionairen, die toch wel behoorlijk veel vermeende ‘volksvijanden’ onder de guillotine legden en op het platteland genocidale oorlogen voerden tegen een bevolking die wilde vasthouden aan de vertrouwde godsdienst en tradities.

De angst voor de revolutie had wel een concrete oorzaak, was niet volkomen uit de lucht gegrepen. De Franse Revolutie had laten zien dat abstractie ideeën en concrete onvrede een uiterst brandbaar mengsel konden vormen, waarbij een onbetekenend vonkje tot een explosie kon leiden, zodat een complete samenleving ontplofte en de collateral damage immens was en er meer slachtoffers vielen dan onder het ancien régime waar Metternich en de zijnen naar terug verlangden.

Dit neemt niet weg dat Zamoyski’s boek bijzonder lezenswaardig en onderhoudend is, en te hopen valt dat hij over enige tijd met een vervolg komt, over jaren tussen de revolutie van 1848 en de Russische Revolutie van 1917.


Beeld: Executie van Robespierre en zijn medestanders op 28 juli 1794