Dietrich Fischer-Dieskau blijft zingen

De montere grijsaard gaat door

Dietrich Fischer-Dieskau is inmiddels 78 en grijs, maar hij heeft nog niets van zijn klasse verloren. Al een tijd zingt de Duitse bariton, die lange tijd de pleitbezorger van de (serieuze) Duitse liedkunst was, niet meer in het openbaar. Hij dirigeert nog wel, schildert, schrijft in hoog tempo boeken over klassieke muziek, en geeft master classes.

SANKT PAUL IM LAVANTTAL — «Schön», zegt Dietrich Fischer-Dieskau bemoedigend tegen de Sloveense mezzosopraan Barbara Jernejcic. Ze heeft zich net door Hugo Wolfs lied Denk’ es, o Seele (op tekst van Eduard Mörike) heen geworsteld. «Winterreise», zegt hij nog even kort-verklarend tegen het publiek in de zaal als de Nederlandse pianiste Claar ter Horst het naspel laat wegsterven. De akkoorden lijken inderdaad precies op de staccatoakkoorden in Schuberts Der du so lustig rauschtest, het zevende lied in de Winterreise — de «Kreis schauriger Lieder» van die ándere grote Weense liederencomponist, Franz Schubert. Wolf had méér met hem gemeen dan een veel te vroege, door syfilis veroorzaakte dood.

De Hugo Wolf-Tage in het Oostenrijkse Sankt Paul, in het Lavant-dal in Oost-Karinthië, zijn in volle gang. Op een steenworp afstand ligt Wolfs geboortestad, Windischgraz/Slovenj Gradec, in Slovenië net over de grens. In Wolfs geboortejaar 1860 was Windischgraz nog onderdeel van het Habsburgse Rijk, net als St. Paul. Voor een trip naar het Lavant-dal, Graz of Wenen hoefde je geen grens over. Na de Eerste Wereldoorlog werd het stadje ingedeeld bij Zuid-Slavië, na de Tweede werd het Tito’s Joegoslavië. Volgend jaar keert Slovenië als onderdeel van de Europese Unie terug in Midden-Europa.

Oostenrijk heeft zich nooit veel gelegen laten liggen aan Wolf, de liederencomponist, Wagner-adept, muziekrecensent voor Weense bladen en jeugdvriend/vijand van Gustav Mahler. Maar nu overal in de wereld klassieke-muziekkenners herdenken dat Wolf honderd jaar geleden stierf in een Weens krankzinnigengesticht moet dat anders worden. In het Konvikt in Sankt Paul, waar de jonge Hugo in 1871-72 een tijdje bij de Benedictijner monniken is schoolgegaan — hij ging er met ruzie weg, zoals overal — leidt Dietrich Fischer-Dieskau een geheel aan de liedkunst van Wolf gewijde Meisterklasse met zes veelbelovende jonge zangers. Het is de bedoeling dat het onder leiding van de 78-jarige Duitse bariton een jaarlijks evenement wordt. Al een tijd zingt Fischer-Dieskau — lange tijd de pleitbezorger van de (serieuze) Duitse liedkunst — niet meer in het openbaar, maar hij dirigeert nog wel. En doceert, schildert, en schrijft in hoog tempo boeken over aspecten van klassieke muziek.

Eerder dit jaar moest Fischer-Dieskau, die in zijn lange loopbaan méér cd’s en grammofoonplaten heeft opgenomen dan enige andere klassieke zanger, een aantal meestercursussen wegens ziekte afzeggen, onder meer in Amsterdam. Nu lijkt hij er weer helemaal bovenop, zingt met zijn leerlingen méé en zingt ze vóór met die unieke stem waarmee generaties zijn opgegroeid — en de stem lijkt nog niets aan trefzekerheid, volume en subtiliteit te hebben ingeboet. Al snel springt hij op van de voor hem klaargezette stoel, loopt heen en weer over het podium, doet de leerlingen en de pianisten voor hoe het wél moet, en zingt en zingt, tot je je afvraagt waarom hij er in vredesnaam mee is opgehouden.

De jonge zangers doen hun voordeel met Fischer-Dieskaus immense ervaring. Soms zie je een Aha-Erlebnis, soms heb je het gevoel dat er een cameralens wordt scherpgesteld. Zoals bij de Sloveense Barbara, met haar mooie, donkere stem die aan Brigitte Fassbaender doet denken. De eerste dag staat ze stokstijf, verkrampt op het podium; na een paar aanwijzingen van Fischer-Dieskau ontspant ze zich en komt het vibrato zoals het hoort van het middenrif. Tegelijkertijd ontwikkelt ze onder zijn leiding haar interpretatie van Mörikes gedicht uit zijn novelle Mozart auf der Reise nach Prag: «In het bos groeit een sparretje — ooit zal het op je graf wortelen. Twee zwarte paardjes dartelen in het weiland — eens zullen ze stapvoets gaan met je baar. Misschien — misschien nog vóór ze het hoefijzer afwerpen dat ik zie blinken!» Het aanvankelijk onschuldige biedermeierversje, door Wolf subtiel getoonzet, blijkt uiteindelijk een bloedstollend memento mori.

De tenor Christian Voigt overtuigt wat minder met het spektakelstuk Der Feuerreiter (tekst ook van Mörike) over de mysterieuze ruiter die met een relikwie — volgens de overlevering een schilfer van het kruis waarop Jezus gekruisigd werd — branden probeert te bedwingen maar zelf in de vlammen omkomt. Voigt brouwt — hij heeft een keel-r — en dat brengt hem in de problemen met het vele malen herhaalde «Feuerreiter», dat maar al te vaak «Feueggeiter» wordt. Fischer-Dieskau maakt er één opmerking over: «Allemaal vóór in de mond! Met die gutturale r maak je het jezelf te moeilijk! Frevelnd, frei, frr, frr…» Het is volkomen duidelijk: klinkers en medeklinkers in een, in de negentiende-eeuwse dichtkunst veel voorkomend, woord als Frei liggen allemaal vóór in de mond, tenminste als je met de tongpunt bijna tegen de tanden een rollende r produceert. Bij een «brouwende» achter in de keel gevormde r moet de tong een onnodige excursie van voor naar achter in de mond maken. Dat kost tijd en dat hoor je. Fischer-Dieskau laat het bij die ene opmerking. Het is een moment waarop je het gevoel hebt dat docent en leerling de aanwezigheid van publiek bij de Meisterklasse als een tikje hinderlijk ervaren.

Wat is de functie van betalend publiek bij deze bijzondere vorm van openbaar onderricht? Fischer-Dieskau heeft het wel eens over «voyeurs» gehad, en dat gevoel lijkt nog altijd aanwezig. In Sankt Paul wordt het publiek bij de laatste van de vier sessies verbannen: de slotzitting wordt opeens bestempeld tot «generale repetitie voor het slotconcert» — voor buitenstaanders geen toegang. Toch leveren betalende toehoorders, mét de Europese Unie, een serieuze financiële bijdrage aan het verschijnsel Meisterklasse. Natuurlijk, in steden als Berlijn, met uitverkochte zalen, levert dat meer op dan in Sankt Paul, waar hoogstens twintig, 25 buitenstaanders bij de master classes aanwezig zijn. Maar zonder die claque zou het nóg moeilijker zijn de rekening rond te maken. Aan de andere kant moeten de zangers voor een Meisterkurs een paar honderd euro op tafel leggen; ze hebben er recht op dat het onderricht plaatsvindt in een optimale situatie.

Een ware ontdekking in Sankt Paul is de Russische sopraan Julia Sukmanova (begeleid door haar mooie zusje Elena), die het komend seizoen bij de Hamburgse opera haar debuut gaat maken als Donna Anna in Mozarts Don Giovanni (een waanzinnig veeleisende rol). Ze heeft een prachtige, volle stem die herinneringen oproept aan Jessye Norman. Ze zingt Mausfallen-Sprüchlein, Mörikes kinderlijk-wrede toverspreuk waarmee een meisje muizen bezweert om in de klaargezette val te lopen: «Pas op voor je staartje als je het deurtje achter je dicht doet! Vanavond maken we een dansje — mijn oude kat doet waarschijnlijk mee!» Julia spert haar ogen wijd open als Fischer-Dieskau haar de sadistische ondertoon van het vaak door Elizabeth Schwarzkopf gezongen lied uitlegt, en lacht, en lacht. En pikt meteen op waar het om gaat.

Bariton Jan Buchwald, gezegend met een aanzienlijk stemvolume, doet Fischer-Dieskau genoegen met de keuze van Goethes Phänomen: «So sollst du, muntrer Greis, dich nicht betrüben: sind gleich die Haare weiss, doch wirst du lieben» — wees niet somber, oude: al zijn je haren wit, je zult liefhebben. «Dat wordt veel te weinig gezongen!» roept de oude bariton en raakt even zijn witte kuif aan. Vervolgens komt Buchwald met Prometheus, ook een tekst van Goethe, het betoog van de sterfelijke mens, de kunstenaar, die oppergod Zeus zijn uitdaging in het gezicht smijt: «…und dein nicht zu achten. Wie ich!» — ik leer mijn nageslacht geen respect voor je te hebben, zoals ik dat ook niet heb. Het is een formidabele prestatie: Buchwald en Thomas Aydintan, die de ongelooflijk zware pianopartij méér dan de baas weet te blijven, slagen erin de dramatische monoloog als één geheel neer te zetten, wat ze op lovende woorden van Fischer-Dieskau komt te staan. Maar het klinkt allemaal nogal luid in de zaal van het Konvikt (juist daarom heb ik mijn plaats op de tweede rij bij het slotconcert ingewisseld voor een plek op de twaalfde) en nóg is het allemaal erg hard.

«Ach, die Familie ist auch schon da», zegt Fischer-Dieskau quasi-geresigneerd als hij terugkeert in zijn hotel-op-de-berg (meer een Frühstückspension annex Jausestation) na een vermoeiende ochtendsessie. Inderdaad, daar zitten we weer met ons zessen. We waren er vanochtend bij de master class óók bij. De echt fanatieken onder ons lopen ál dit soort bijeenkomsten af. We zijn elkaar op het internet tegengekomen, via de door één van ons gerunde, aan Fischer-Dieskau en zijn vrouw, de sopraan Julia Varady gewijde site www.mwolf.de. Een arbitrair samengesteld clubje: een paar dames uit chique boekwinkels in München, een internist uit Wenen, een bejaarde vrouw die in 1936 op zestienjarige leeftijd voor het eerst in Berlijn naar de opera ging en daar nooit mee is opgehouden, een verpleger uit de regio Würzburg, een jurist uit Bonn, een Nederlandse journalist, noem maar op. Allemaal gefascineerd door het fenomeen Fischer-Dieskau. Het voordeel van onder monomane gekken verkeren is dat de geringste toespeling op enig aspect van de liedkunst meteen correct wordt opgepikt. Afwezig mompel ik: «Du herrlich Glas» als de kelner mijn lege bierglas wegpakt en onmiddellijk is de reactie: «O, ik ben óók zo dol op Schumanns Kerner-liederen!»

Zelf herinner ik mij dat mijn vader midden jaren vijftig — er was net een grammofoon aangeschaft — thuiskwam met een 45-toerenplaatje met drie liederen uit Schuberts Winterreise, gezongen door een fabelachtig nieuw Duits talent. Mijn vader had het gekocht op klemmend advies van de verkoopster in de toen nog bestaande Amsterdamse platenzaak Bender. Elke morgen voor mijn vader naar kantoor ging, werd het plaatje gedraaid. Het was het eerste Duits dat ik hoorde: Gute Nacht, Die Post, Der Leiermann. Vele andere platen van Fischer-Dieskau volgden, met Schubert, maar ook Wolf, Mahler en Brahms. En talloze andere componisten. Mijn ouders moesten er eerst aan wennen, vooral mijn moeder. De oorlog was nog niet zo lang voorbij, de littekens waren vers. Duits klonk veel Nederlanders nog niet prettig in de oren. Mijn moeder gaf zich uiteindelijk gewonnen met de opname van Mozarts Don Giovanni onder de Hongaarse dirigent Ferenc Fricsay. Van hem stamt de opmerking over Fischer-Dieskau: «Dat ik een Italiaanse bariton uitgerekend in Berlijn moet tegenkomen!»

Inmiddels waren we concerten in Amsterdam gaan bezoeken om de zanger live te horen: Fischer-Dieskau met de onvergetelijke Gerald Moore aan de piano in de Schöne-Magelone-cyclus van Brahms. Benjamin Brittens War Requiem met Galina Vishnevskaya, Peter Pears, Fischer-Dieskau en het Concertgebouworkest onder leiding van de componist en Bernard Haitink. Hans Werner Henzes Elegie für junge Geliebten in de Stadsschouwburg. Dan, recenter, Fischer-Dieskau met Norman Shetler in Schumann, met Hartmut Höll in een Brahms-liederenprogramma, en — een bijzondere ervaring — Schuberts Winterreise met Alfred Brendel.

Nog altijd gaat de muntere Greis onverstoorbaar verder. Al is hij zelf met zingen in het openbaar opgehouden. Behalve dan tijdens de lessen, bij het voordoen hoe het moet. Er zijn mensen die speciaal voor die momenten de Meisterklassen afreizen, om nóg een keer live dat unieke stemgeluid te horen. Reciteren doet Fischer-Dieskau graag; er is net een cd uitgekomen met melodrama’s (Schumann/Liszt), voorgedragen teksten met pianobegeleiding. Ook heeft hij in Sankt Paul een avond voorgelezen uit zijn eerder dit jaar verschenen gedetailleerde biografie van Hugo Wolf.

De belangstelling voor, en de invloed van Fischer-Dieskau blijven groot, ook al geeft hij geen liederenavonden meer. Het blijkt alleen al uit het feit dat de eerder genoemde aan hem gewijde website regelmatig wordt bezocht door belangstellenden over de hele wereld. Behalve uit Europa komen uit Japan en Latijns- en Noord-Amerika reacties op zijn cd’s, vaak van jongeren die de bariton nooit live hebben zien optreden.

Het slotconcert is voorbij; de ramen rinkelen niet meer onder het Prometheus-gedonder, het verblijf in Sankt Paul is aan zijn eind gekomen. Fischer-Dieskau stapt achter in de zilvergrijze Mercedes. Julia Varady, zijn echtgenote, de sopraan die nog regelmatig op concerten optreedt (soms met haar man, die dan het orkest dirigeert), neemt achter het stuur plaats. «Harder dan 130 kilometer ga ik niet, hoor!» verzekert ze geruststellend en wuift nog even door het open dak.