Essay: De geschiedenis als gezelschapsspel

De mooie verhalen over de oorlog

Volgens Loe de Jong was Nederland vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog fel anti-Duits. Een mythe, vindt Chris van der Heijden: het volk bestond uit slapjanussen. Bart van der Boom, in zijn onlangs verschenen ‹We leven nog›, vindt dit weer een te masochistisch zelfbeeld. De geschiedenis als gezelschapsspel.

Het waren onooglijke, vergeelde en door de muizen aangevreten papieren die anderhalf jaar geleden uit het huis van mijn overleden vader te voorschijn kwamen. Een deel ervan was afkomstig uit de oorlog. Een in juli 1940 uitgereikt diploma machinebankwerken; de arbeids overeenkomst met zijn eerste werkgever; de oproep om op 15 mei 1942 in het kader van de Arbeidsinzet naar Duitsland te vertrekken; zwaar bestempelde reisdocumenten; briefkaarten; een verklaring van Vereinigte Deutsche Metallwerke dat hij wegens een ernstige ver wonding aan zijn hand naar Nederland is teruggestuurd.

Hoewel hij relatief vroeg in Duitsland te werk werd gesteld, was mijn vader dus snel weer terug. Een geluk bij een ongeluk dat de twintigjarige jongeman zijn linkerwijsvinger kostte en hem een bloedvergiftiging bezorgde die hem enkele weken op het randje van de dood deed zweven.

Uit de overige papieren valt te reconstrueren hoe mijn vader de rest van de oorlog is doorgekomen. Hij werkte achtereenvolgens bij kriegswichtige bedrijven als de Hoogovens en de telefoondienst van de PTT. Terwijl andere mannen in toenemende mate gevaar liepen naar Duitsland te worden gestuurd, waar het door de geallieerde bombardementen op industriegebieden en bevolkingscentra steeds gevaarlijker werd, was hij relatief veilig. Totdat het noodlot hem, althans tijdelijk, inhaalde en hij op 16 april 1944 samen met 467 andere mannen uit Velsen-Noord en Beverwijk werd opgepakt. Herhaalde aanslagen door het verzet in noordelijk Kennemerland hadden de Duitsers zo woedend gemaakt dat die na het fusilleren van enkele gijzelaars en het plegen van zogeheten Silbertanne-moorden besloten tot een grootscheepse razzia. De jongens, allemaal tussen achttien en 21 jaar oud, werden als «gijzelaar» naar het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort getransporteerd.

In augustus werden de gijzelaars uit Kennemerland geselecteerd. De meeste werden als dwangarbeider naar Duitsland gestuurd; een kleine honderd man werd vrij gelaten. Van hen werkte een deel bij kriegswichtige bedrijven, terwijl anderen om gezondheidsredenen werden afgekeurd voor werk in Duitsland. Hoewel mijn vader in de eerste categorie viel, gooide hij ook zijn mismaakte en pijnlijke hand in de strijd en heeft, zo blijkt uit een brief aan zijn ouders, tevens hartklachten voorgewend. Toen hij op bijna tachtigjarige leeftijd stierf, kon hij bogen op een indrukwekkende reeks ziektes en kwalen, maar van hartproblemen is mij niets bekend. In ieder geval slaagde hij in zijn opzet en blijkens het door Lagerkommandant Berg getekende Entlassungsschein is hij op 11 augustus 1944 vrijgelaten.

Van de bijna vierhonderd streekgenoten die naar Duitsland werden gedeporteerd, kwamen er zeker honderd om het leven. Het was dus zonder meer een verstandige keuze van mijn vader alles in het werk te stellen om te worden vrijgelaten. Maar niet iedereen liet zich in de eerste plaats leiden door eigenbelang. Zo was begin april in Amersfoort een gevangene gearriveerd die met een simpele handtekening vrij had kunnen komen. De 43-jarige J.H. Scheps was echter een bijzonder beginselvast man. Als orthodox calvinist en sociaal-democraat had hij zich vanaf het begin tegen de Duitse bezetting gekeerd, en publiceerde tot in 1941 onder eigen naam felle brochures. Daarna was hij ondergedoken en had hij onder een schuilnaam vele «deutschfeindlicher Hetzschriften» het licht doen zien. Hoewel Scheps door de Duitsers werd gezocht, wisten die zeer weinig af van zijn activiteiten. Nadat hij bij een routinecontrole in de trein was gearresteerd en uitgebreid was verhoord, kreeg hij te horen dat hij er met een lichte straf van af zou komen, als hij tenminste zijn handtekening zette onder een verklaring waarin hij beloofde af te zien van alle tegen de bezetter gerichte activiteiten. Tot verbijstering van zijn communistische celgenoot weigerde Scheps te tekenen. Hij vond dat men met het tekenen van een valse verklaring «ongewild en onbedoeld en ongeweten toch terechtkomt in een hitleriaanse morele modderpoel». Na deze weigering werd hij naar Amersfoort overgebracht, met de bedoeling hem daarna in «Nacht und Nebel» te laten verdwijnen.

In zijn geruchtmakende boek Grijs verleden voert Chris van der Heijden J.H. Scheps op als een van de weinige Nederlanders die zich van het begin af aan onverzoenlijk tegenover de bezetter hebben opgesteld. In het vaak gehanteerde zwart-witbeeld van de oorlog was Scheps honderd procent wit, hij was ongeclausuleerd «goed». Anders dan zijn felste critici beweerden heeft Van der Heijden in zijn boek nergens geschreven dat er geen echt «goede» en absoluut «foute» Nederlanders waren, maar dat iedereen «grijs» was. Zich baserend op vele boeken en artikelen die vanaf het einde van de jaren zestig waren verschenen, stelde Van der Heijden dat, op een klein aantal onverschrokken verzetsstrijders en een iets groter aantal fanatieke collaborateurs na, de meeste mensen zich neerlegden bij de nieuwe machtsverhoudingen en probeerden er het beste van te maken. In dit beeld past ook dat de overgrote meerderheid van de Nederlandse joden kon worden weggevoerd en vermoord, terwijl de niet-joden de andere kant op keken. Pas toen de bezetter steeds grotere groepen mannen opriep voor de Arbeidsinzet, voedsel en andere primaire levensbehoeften schaars werden en een ongebreidelde terreur werd uitgeoefend, zou de meerderheid van de bevolking anti-Duits zijn geworden en zou het verzet groeien.

Van der Heijden zet zich sterk af tegen Loe de Jong, die hij verantwoordelijk houdt voor het onhistorische en heroïsche beeld van de oorlog waarin zwart en wit de toon aangeven en dat kennelijk voortkwam uit De Jongs werk als oorlogspropagandist voor Radio Oranje. Terwijl hij De Jong verwijt een moralist te zijn, is het beeld dat Van der Heijden zelf van de oorlog schetst niet minder moralis tisch. Het overgrote deel van de Nederlanders was volgens hem bang, ruggengraatloos, egoïstisch, in moreel opzicht onverschillig. Omdat men, zoals Van der Heijden in een interview verklaarde, na de oorlog «de eigen lulligheid niet kon aanvaarden, heeft men toen maar een mooi verhaal verzonnen».

Mooie verhalen verzinnen, dat kon mijn vader ook goed. Over de ontberingen en gruwelen van het kamp, over verzetsdaden en roekeloos optreden tegen de bezetter, over slimme methoden om zich de honger van het lijf te houden. Als kleine jongen genoot ik huiverend van die verhalen. Naarmate ik ouder werd kreeg ik meer oog voor bepaalde inconsistenties en feitelijke onjuistheden in die verhalen. Toen ik mijn vader, gewapend met tijdens mijn studie vergaarde kennis, hierop aansprak en hem voorhield dat de jaren ’40-’45 toch wat minder glorieus waren geweest, kreeg ik geïrriteerd te horen dat ik er geen moer van snapte en dat ik erg gemakkelijk praten had omdat ik die tijd niet had meegemaakt. Wat wist ik van honger en gevaar? Hoe kon ik oordelen over wat mensen toen hadden gedaan of juist niet hadden gedaan?

En hij had natuurlijk gelijk. Wij, die de oorlog niet hebben meegemaakt, kunnen ons er niet echt een voorstelling van maken, wat echter niet wil zeggen dat we het niet mogen of moeten proberen. Maar dat is niet hetzelfde als het uitspreken van een moreel oordeel. Als ik, met al zijn oorlogsdocumenten uitgespreid voor me op tafel, probeer mijn vaders leven in die huiveringwekkende jaren te reconstrueren, rijst een beeld op dat correspondeert met Chris van der Heijdens verhaal over de grijze oorlogsjaren. Wat hij heeft gedaan was niet «fout», maar ook niet «goed». Voorzover die papieren ons iets kunnen vertellen over die periode was er weinig waar mijn vader trots op kon zijn, maar evenmin ben ik iets tegengekomen waarvoor hij zich diep moest schamen. Het was niet wit, het was niet zwart — het was grijs.

Is dit nu een moreel oordeel? Dat is het wél als ik het formuleer als verwijt, aangezien ik dan suggereer dat ik het zelf beter zou hebben gedaan. Als kind zie je je vader als het even kan als een onverzettelijke held, iemand die alles kan en durft. Als je zelf groter wordt, wordt je vader kleiner. Er is minder om tegen op te kijken, naast kwaliteiten worden ook gebreken zichtbaar. Nu ik even oud ben als mijn grootvader was in 1940 realiseer ik me dat de rollen eigenlijk zijn omgedraaid. Toen de oorlog begon moest mijn vader nog achttien worden, in mei 1945 was hij nog geen 23. Als de jongen die hij toen was nu voor me zou staan, zou ík zijn vader kunnen zijn. Hoe zou ik moeten oordelen over een jongen die is opgegroeid in een gezin waar geen belangstelling bestond voor politiek of levensbeschouwing, die op het moment dat het «echte» leven leek te beginnen werd geconfronteerd met oorlog en bezetting, die als negentienjarige naar Duitsland werd gestuurd om in de oorlogsindustrie te werken, die daar al spoedig enkele maanden in het ziekenhuis lag, die daarna naar huis mocht om anderhalf jaar later naar een concentratiekamp te worden gestuurd? Een dergelijk oordeel is wel erg gemakkelijk en wekt de suggestie dat ik, om in de woorden van Van der Heijden te spreken, minder «lullig» zou zijn geweest.

Bovendien is er nog een probleem. Hoewel die rafelige papieren mij in staat stellen de chronologie van mijn vaders oorlogservaringen te reconstrueren, zegt dit alles nog niet zo veel over wat hij heeft gedaan en al helemaal niet over hoe hij het allemaal heeft beleefd. Wat zijn daden betreft is er weinig aanleiding aan te nemen dat hij zich bijzonder heldhaftig heeft gedragen. Maar wat hij heeft gedacht, hoe hij alles heeft ervaren, blijft vaag. Op briefkaarten die hij uit Duitsland aan zijn ouders stuurde staan slechts wat algemeenheden, en de brieven uit kamp Amersfoort stonden uiteraard onder censuur. Maar zelfs de enige clandestien verzonden brief, volgekrabbeld op het grauwe papier van een Rode Kruis-pakket, bevat weinig confidenties en klinkt vrij opgewekt. Of dit was om zijn ouders niet bezorgder te maken dan zij al waren, of omdat hij zelf vond dat het allemaal wel meeviel, is niet meer te achterhalen. Duidelijk is wel dat wat hij later over die periode vertelde sterk was ingekleurd.

Hoe mijn vader dacht over wat hij meemaakte weten we dus niet. En dat geldt eigenlijk voor de meeste Nederlanders. Tal van historici hebben laten zien dat de meesten van hen weinig hadden om trots op te zijn, terwijl ze evenmin erg schandelijke dingen hadden gedaan. Maar dat zegt nog niets over hoe men de oorlog beleefde, hoe men dacht over de daden van de Duitsers, hun Nederlandse helpers en het verzet. En toch hebben Van der Heijden en andere historici daar stellige uitspraken over gedaan.

Loe de Jong had geschreven dat de meerderheid van de Nederlandse bevolking vanaf het begin van de oorlog fel anti-Duits en antinazi was geweest. Na De Jong hadden jongere historici de houding van de Nederlanders steeds negatiever beschreven en werd er steeds meer vanuit gegaan dat men, zeker in de beginjaren van de bezetting, helemaal niet zo anti-Duits was geweest. Volgens Van der Heijden waren er «maar zeer weinig Nederlanders die vanaf het eerste moment ‹nee› tegen de Duitsers zeiden». Johannes Houwink ten Cate vroeg zich zelfs af «of Nederland wel ‹bezet› was geweest, zoals Frankrijk en België dat zijn geweest. (…) Als er naast de Duitse een andere bevolking is die vergelijkenderwijs niet mag zeuren, in ieder geval over de eerste bezettingsjaren, dan is het wel de Nederlandse.» Volgens deze hoogleraar holocaust- en genocidestudies is het typerend voor het Nederlandse volk dat men zich het «daderschap» uit de eerste bezettings jaren veel slechter herinnert dan het «slachtofferschap» uit het laatste oorlogsjaar, om daarna de retorische vraag te stellen: «Maar valt van een natie van egocentrische accommodanten eigenlijk iets anders te verwachten?»

Dit citaat is ontleend aan het nieuwste boek van Bart van der Boom, We leven nog: De stemming in bezet Nederland (Boom). Van der Boom ergert zich aan dit masochistische zelfbeeld. Was er vroeger de mythe van het manhaftige en eendrachtige verzet tegen de gehate onderdrukker, nu is de heersende opinie dat het Nederlandse volk tijdens de oorlog bestond uit schipperende en beginselloze slapjanussen. Van der Boom komt met een methodologisch bezwaar tegen deze visie. Volgens hem weten we inmiddels ontzettend veel over wat de Nederlanders in deze periode deden, maar nauwelijks iets over wat ze dachten, over de stemming in bezet Nederland. De historici hebben immers tot nu toe die stemming afgeleid uit hetgeen men deed. En aangezien de overgrote meerderheid niet in verzet kwam, heeft men de conclusie getrokken dat diezelfde meerderheid dan ook vrijwel geen bezwaren had tegen de bezetting, dat men hooguit onverschillig was en het, zolang het eigen hachje niet in gevaar kwam, allemaal wel best vond.

Van der Boom stelt dat het niet aangaat de stemming van de bevolking af te leiden uit haar daadwerkelijke houding, en dat het dus nodig is die stemming zelf te onderzoeken. Dat heeft hij gedaan door gebruik te maken van de Stimmungsberichte die verschillende Duitse inlichtingendiensten hadden vervaardigd, en van 44 door Nederlandse burgers geschreven oorlogsdagboeken. Op grond hiervan is hij tot de conclusie gekomen dat historici als Van der Heijden en Houwink ten Cate er, waar het gaat om de stemming onder de Nederlandse bevolking, volledig naast zitten. Hoewel hij hun visie op het gedrag van de Nederlanders niet echt ter discussie stelt, is hij van mening dat waar het gaat om de stemming het door Loe de Jong opgeroepen beeld van een fel anti-Duitse en anti-nationaal-socialistische gezindheid in hoge mate correct is.

De stemming in bezet Nederland sloeg niet pas in 1942/43 om maar had zich meteen in mei 1940 fel tegen de bezetter gekeerd. Het verlies van de nationale soevereini teit en de komst van een vijandig regime werd door vrijwel iedereen ervaren als bijzonder smadelijk en ergerlijk. Wel was gedurende de eerste jaren de meerderheid van de bevolking van mening dat men weinig kon uitrichten tegen het gehate regime. Het duurde tot 1943 eer men mogelijkheden zag om daad werkelijk verzet te plegen. Pas toen de intensivering van de Arbeitseinsatz leidde tot een enorm toenemende vraag naar onderduikadressen ontstond voor veel burgers die zichzelf niet gewapenderhand distributiekantoren zagen overvallen een mogelijkheid hun steentje aan het verzet bij te dragen. Op het vaak geuite verwijt dat de Nederlanders wél in staat waren driehonderdduizend niet-joodse mannen te laten onderduiken, terwijl ze honderdduizend joden vrijwel zonder slag of stoot hadden laten wegvoeren, reageert Van der Boom terecht met de constatering dat slechts een minderheid van de joden heeft geprobeerd onder te duiken.

Tegen de manier waarop Van der Boom zijn interessante onderzoek heeft verricht zijn wel wat bezwaren aan te voeren. Chris van der Heijden — Van der Booms voornaamste bête noire — heeft dat in een recensie in Vrij Nederland (10 januari) dan ook gedaan. Uiteraard wees hij op het feit dat de Duitse rapporten met de grootst mogelijke omzichtigheid dienden te worden gehanteerd, terwijl het aantal door Van der Boom bestudeerde dagboeken toch wel vrij gering is. Bovendien is het dagboek volgens hem een verschrikkelijk subjectief genre, en stelt hij «dat hetgeen iemand zegt of schrijft zelden informatiever is dan hetgeen die persoon níet meedeelt». Een overigens nogal merkwaardig standpunt voor een historicus die zich niet wil beperken tot het onderzoeken van louter kwantitatieve gegevens en zich evenmin wil omscholen tot archeoloog.

Meer to the point is Van der Heijdens bezwaar tegen Van der Booms conclusie zoals verwoord in de laatste zin van diens boek: «Men gedroeg zich misschien grijs, maar men dacht zwart-wit.» Dit zou betekenen dat iemand niet beoordeeld dient te worden naar zijn daden, maar naar zijn woorden. Bovendien, maar daar gaat Van der Heijden niet verder op in, zou dit de zaak alleen maar erger maken. Als je met alle geweld een moreel oordeel wilt vellen, is het beeld dat Van der Boom schetst in feite nog naargeestiger dan dat van Van der Heijden. Als in ons strafrecht blijkt dat een verdachte nauwelijks besef heeft van goed en kwaad wordt dat gezien als een verzachtende omstandigheid, zodat de nadruk minder op straf dan op behandeling komt te liggen. Hij of zij was zich er immers niet volledig van bewust iets te doen dat niet door de beugel kon. De principeloze, ruggengraatloze en eindeloos schipperende Nederlanders van Van der Heijden kun je dus eigenlijk nauwelijks verwijten dat ze zich pas laat, toen zij zelf gevaar begonnen te lopen, tegen de Duitsers keerden. De rechtschapen, in hun nationale trots gekrenkte Nederlanders van Van der Boom daarentegen kun je kwalijk nemen dat het een paar jaar duurde eer ze hun principes gingen om zetten in daden, en dat pas deden op een moment dat het grootste deel van de joodse gemeenschap al was vermoord.

Het is echter de vraag in hoeverre een dergelijk uitgesproken moreel oordeel zinvol is. Je hoort tegenwoordig vaak beweren dat de Tweede Wereldoorlog een «moreel ijkpunt» is. Maar een ijkpunt is altijd een abstractie. Wie de Tweede Wereldoorlog terugbrengt tot de uitroeiing van de joden, en vervolgens die tragedie reduceert tot de vraag of men zich daar tegen zou verzetten, maakt van de geschiedenis een wel erg comfortabel gezelschapsspel. Dan is het simpel om «goed» te zijn. Met een poging te begrijpen wat er toen is gebeurd, met het verwerven van historisch inzicht in die dramatische periode heeft dat allemaal weinig te maken.

Het is voor mij vrij gemakkelijk om mijn vader te veroordelen om wat hij heeft gedaan — werken in de Duitse oorlogsindustrie — of wat hij niet heeft gedaan — het plegen van verzetsdaden — maar daarmee geef ik alleen mijzelf een schouderklopje. Ik heb dan nog steeds niet begrepen wat hij toen heeft doorgemaakt, en waarom hij bepaalde keuzes maakte. De kloof die er bij zijn leven tussen ons bestond, en die grotendeels werd veroorzaakt door zijn onmacht te praten over wat hij had meegemaakt, wordt daardoor alleen maar groter. Van de mooie verhalen over de oorlog is weinig overgebleven, maar is dat een reden om nu een requisitoir te houden?