Sorry in Duitsland

De Moor kan gaan

Berlijn gaat de Mohrenstrasse na driehonderd jaar een nieuwe naam geven omdat de term ‘Moor’ als racistisch wordt gezien. Is er van de Duitse omgang met de geschiedenis te leren?

Metrostation Mohrenstrasse in Berlijn. 21 juli © Emmanuele Contini / NurPhoto / Getty Images

Ingehouden beschaafd klinkt het applaus deze middag, en dat is toch verrassend na de emoties van de afgelopen maanden. Stralend vertelt Regina Römhild, antropologe en directeur van het Instituut voor Europese etnologie, over het ‘succes’; een paar uur eerder is officieel besloten dat de naam van de Mohrenstrasse in Berlijn zal worden veranderd. Volgens het bestuur van stadsdeel Mitte is ‘de racistische kern van de naam belastend en schaadt ze het nationale en internationale aanzien van Berlijn’.

Misschien heeft de beschouwelijke stemming te maken met de wetenschappelijke achtergrond van de meeste van de ongeveer tachtig demonstranten. Römhilds onderzoeksinstituut aan de Humboldt Universiteit, een van de vele officiële gebouwen die in de Mohrenstrasse in het centrum van de stad liggen, was de afgelopen weken een van de meest uitgesproken actievoerders geworden van de naamsverandering. Want etnologie in de Mohrenstrasse? Het begrip ‘Moor’ wordt in het Duden-woordenboek, de Duitse Van Dale, niet alleen als ‘verouderd’, maar ook als ‘tegenwoordig discriminerend’ omschreven. Dat zou een ‘ironie van de wetenschapsgeschiedenis’ zijn, ‘onverdraaglijk’ voor een internationaal instituut, zo schrijft Römhild in een open brief, ondertekend door een lange lijst wetenschappers uit binnen- en buitenland.

‘Dekoloniaal flaneren’ heet de bijeenkomst vandaag. De bijeenkomst begint bij de metrohalte die naar de Mohrenstrasse is genoemd. Achter Römhild en de actievoerders staat het bord van de halte, in blauw met witte letters. Een paar dagen ervoor had een activist twee puntjes boven de ‘o’ gezet, zodat er Möhrenstrasse stond; Mohren werd Möhren, wortels. De rest was minder olijk. Meerdere acties zijn er de afgelopen maanden op deze plek gevoerd, door bewegingen als Berlin Postkolonial en Decolonize Berlin; de acties van Black Lives Matter in de Verenigde Staten na de moord op George Floyd waren daarvoor de aanleiding. In de Mohrenstrasse werden de straatnaambordjes met rode verf besproeid. Het Ordnungsamt heeft ze weer schoongemaakt; alleen de spreuk in bloedrood op straat is tot nu toe blijven staan: Decolonize Berlin.

De felheid komt vandaag het sterkst tot uitdrukking in de woorden van Bonaventure Ndikung, een van de weinige aanwezigen met een Afrikaanse achtergrond. In Nederland is Ndikung bekend als curator van Sonsbeek 2020-24, maar de kunstcurator en biotechnoloog woont sinds twintig jaar in Berlijn en heeft zich de afgelopen jaren al op meerdere bijeenkomsten tegen de Mohrenstrasse laten horen. Ook nu laat hij geen twijfel over de ernst van de zaak bestaan. Zijn verhaal gaat over hedendaags racisme, maar ook over koloniale machtsstructuren uit het verleden die tot in het heden doorwerken. Het geweld tegen zwarten is subtieler dan tijdens de slavernij, zegt hij, maar het is er nog steeds, ook voor wie het niet wil zien; want ja, ook taal kan gewelddadig zijn.

M*-Strasse, zo noemen de actievoerders de driehonderd jaar oude straatnaam; ze weigeren de naam ‘Moor’ nog uit te spreken. De Berlijnse politici van de links-groene stadsregering doen dat ook niet meer. Een nieuwe straatnaam hebben ze ook al: de Mohrenstrasse wordt nu vernoemd naar Anton Wilhelm Amo, de hoogstwaarschijnlijk eerste zwarte filosoof in Europa. Hij werd begin achttiende eeuw als slaaf door de Hollanders uit Afrika versleept en werd daarna aan de hertog van Braunschweig als ‘kamermoor’ geschonken. Hij studeerde later rechten en filosofie in Halle en schreef onder andere een boek ‘over de rechtspositie van moren in Europa’.

Trots deelden de links-groene politici de wijziging op Twitter. Direct erbij hebben de bestuurders een wetswijziging ingeleid die toekomstige naamsveranderingen zal vergemakkelijken, ‘als die namen koloniaal onrecht verheerlijken en daarmee mensen denigreren’.

Een activist zette puntjes boven de ‘o’ zodat er Möhrenstrasse stond; Mohren werd Möhren, wortels.

Hiermee is een jarenlange discussie in Berlijn verrassend snel opgelost. In de internationale discussies werd de afgelopen maanden zelfs gesuggereerd dat Duitsland bij de bewustwording van het koloniale verleden een voortrekkersrol zou kunnen vervullen. De Duits-Britse publiciste Geraldine Schwarz schreef in The Guardian dat de Duitse herdenkingscultuur een inspiratiebron zou kunnen zijn voor andere landen, zoals Engeland. Van Duitsland zouden ze kunnen leren hoe ze de confrontatie met de ‘schaduwen van het verleden’ aan kunnen gaan, in plaats van die te negeren. Maar klopt dat?

Op de statige Gendarmenmarkt, het tweede station van de dekoloniale wandeling, krijgt een andere etnologieprofessor van de Humboldt Universiteit de microfoon. Silvy Chakkalakal heet ze en ze zegt, terwijl ze onder de christelijke heiligenbeelden van de Duitse Dom staat, dat ‘geschiedenis niet in steen is gemetseld’.

De verwijzing naar het internationale debat is duidelijk: activisten vinden dat historische standbeelden, straatnamen en andere uitingen van nationale heldenverering moeten verdwijnen als ze vanwege koloniale associaties ‘kwetsend’ zijn. In feite zegt Chakkalakal: geschiedenis staat niet vast, het is een keuze, en dat is steeds de keuze van de machthebbers.

Als er één stad aan een dergelijke kritische blik gewend is, is het wel Berlijn. In de naoorlogse Bondsrepubliek werden eerst alle straatnamen verwijderd die aan nazi’s refereerden en na 1990 gebeurde dat met de namen die omstreden ddr-kopstukken verheerlijkten. De geschiedenis van metrostation Mohrenstrasse vat de ervaring van de Berlijners samen. In 1908, in het Tweede Keizerrijk, heette de metrohalte nog ‘Kaiserhof’, naar het beroemde gelijknamige hotel in de buurt. In 1950 mocht de keizerlijke associatie niet meer en noemde de ddr deze halte Thälmannplatz, naar de communist Ernst Thälmann, en in 1986 werd de halte vernoemd naar de ddr-minister-president Otto Grotewohl. Na de val van de Muur waren zowel ddr-politici áls keizers verdacht, dus moest er voor de vierde keer een nieuwe naam komen. Op 3 oktober 1991 noemde Berlijn de halte daarom de Mohrenstrasse. Niemand die dat destijds vreemd vond.

Volgens de actievoerende etnologen laat de kwestie rond de Mohrenstrasse daarom zien dat er in de Bondsrepubliek wel Aufarbeitung van de twee dictaturen, maar geen van ‘slavenhandel en het kolonialisme’ is geweest. Slechts weinige Duitsers blijken te weten dat hun eigen land een koloniaal verleden heeft gehad, al is de duur ervan relatief bescheiden; de Brandenburg-Pruisische vorsten hadden tussen 1673 en 1717 een kolonie in Ghana, de grote koloniale ambities van keizer Wilhelm II kwamen tussen 1884 en 1918 in onder andere het huidige Tanzania en Rwanda.

Maar zo eenvoudig als de actievoerders het voorstellen is het nu ook weer niet. Ook uit de koloniale periode zijn er na 1945 al straatnamen veranderd. Zo zijn er negentien straten omgedoopt die waren vernoemd naar Carl Peters, vanwege zijn gewelddadige optreden in de koloniën ‘Hängepeter’ genaamd (ophang-peter); in Kreuzberg is in 2010 de voormalige Gröbenufer, genoemd naar de oprichter van de eerste kolonie in Ghana van waaruit dertigduizend Afrikanen als slaven werden verscheept, vernoemd naar May Ayim, een zwarte dichteres en actievoerster uit de jaren negentig van de vorige eeuw; en in 2016 werd besloten meerdere namen in het zogeheten Berlijnse ‘Afrikaanse kwartier’ waarvan de koloniale naamgever niet meer passend was te veranderen.

Mohren

Maar een echt breed debat was er in Duitsland tot nu toe niet, zegt Marianne Bechhaus-Gerst, hoogleraar afrikanistiek in Keulen. Je kon je er ook makkelijk aan onttrekken. Progressieve Duitsers wezen de afgelopen jaren wel verontwaardigd naar de weinig sensibele Nederlandse omgang met Zwarte Piet en het koloniale verleden, maar in eigen land kon je je makkelijk aan dergelijke kwesties onttrekken. Activisten zetten zich al jaren in voor meer bewustzijn erover, zegt ze, maar daar werd maar weinig aandacht aan besteed, niet door de media, niet door de politiek. Het debat over de Mohrenstrasse is volgens Bechhaus-Gerst tekenend voor dit lage bewustzijn.

‘We zijn jaren geleden al initiatieven gestart om samen met de Afrikaanse ambassades en met de Duitse ministeries die aan de straat liggen informatiezuilen neer te zetten’, vertelt de voormalige directeur Wolfgang Kashuba van het Instituut voor Europese etnologie in Der Tagesspiegel. ‘We wilden voorbijgangers bewust maken van de geschiedenis van het begrip “Moor” en van de plek. Maar de resonantie was gering.’

De discussie veranderde pas dit jaar met de media-aandacht voor Black Lives Matter, zegt Bechhaus-Gerst. Die heeft het thema van het koloniale verleden ineens heel breed bekend gemaakt, ook in de Berlijnse politiek. Alleen ontbreekt eensgezindheid. De Mohrenstrasse is midden in het politieke gevecht tussen rechts en links terechtgekomen. Terwijl de linkse partijen de straatnaam ‘racistisch’ noemen, verdedigen AfD en cdu het begrip ‘Moor’ als een deel van de Europese cultuur. In een ingezonden brief in Der Tagesspiegel schrijven vier christen-democraten dat nu ook Shakespeare’s Othello, de ‘Moor van Venetië’, en Friedrich Schillers figuur, de ‘Moor van Tunesië’, verdacht zijn geraakt, inclusief Schillers beroemde uitspraak: ‘De Moor heeft zijn plicht gedaan, de Moor kan gaan.’

Opnieuw is de Mohrenstrasse tekenend voor de tijd geworden. De ‘geschiedenis nieuw te denken’, zoals Römhild wil, blijkt namelijk niet zo eenvoudig. Omdat de historische achtergrond van de straat schimmig is, kan de geschiedenis door beide kampen worden gebruikt voor het eigen gelijk. Volgens de actievoerders drukt de term een hiërarchische categorisering uit, waarbij de Europeanen zich boven de Afrikanen plaatsten. Ze citeren historici volgens wie de naam verwijst naar de ‘kamermoren’ die begin achttiende eeuw als dienaar of als muzikant in het leger waren aangesteld. Zij waren niet alleen tegen hun eigen wil naar Berlijn versleept, maar dienden volgens onderzoeker Anne Kuhlmann-Smirnov in hun ‘representatieve functie’ ook de ‘witte macht’ te benadrukken.

De bekende historicus Götz Aly bepleit het tegendeel. Volgens hem was de straatnaam een eerbetoon aan ‘anders sprekende, anders ogende mensen’. De straat loopt parallel aan de Französische Strasse, die als eerbetoon gold voor de gevluchte Franse hugenoten. Ook de historicus Ulrich van der Heyden van de Humboldt Universiteit meent dat de straatnaam een eerbetoon is, en wel specifiek voor een ‘26-koppige delegatie uit Afrika’ die begin achttiende eeuw bij de Pruisische koning op bezoek kwam.

Zelfs Wolfgang Kaschuba, voormalig directeur van het actievoerende Instituut voor Europese etnologie, sprak zich in de media uit tégen een naamsverandering. De huidige kwalificering van de ‘Moor als slachtoffer’ vindt hij historisch niet adequaat, omdat de naam in Zuid-Europa juist weer in verbinding wordt gebracht met de islamitische veroveraars uit de vijftiende eeuw. In Keulen is er dan weer een Mohrenstrasse die hoogstwaarschijnlijk is vernoemd naar de middeleeuwse christelijke heilige Gregorius Maurus, die een Afrikaanse herkomst had.

Möhren,

Kaschuba wijst op de ‘ambivalenties van de geschiedenis’ die door middel van naamsveranderingen niet moeten worden rechtgebogen. Alleen bij Hitler en Stalin is het duidelijk, alles eronder is ‘onderhandelbaar’. Volgens hem kan er door middel van informatie en uitleg veel meer bewustzijn voor de geschiedenis ontstaan. Ook diverse activisten in Berlijn waren in het verleden daarom tégen naamsveranderingen, juist om te kunnen laten zien wat er in de geschiedenis is gebeurd.

Maar dat is nu veranderd. Met ‘ambivalenties van de geschiedenis’ blijken maar weinigen nog iets te kunnen beginnen.

De eerste aanloop mislukte. De bvg, het Berlijnse openbaar vervoer, kwam na de eerste protesten van activisten met de suggestie de metrohalte te vernoemen naar de nabijgelegen Glinkastrasse, vernoemd naar een Russische componist. Linkse politici wilden al opgelucht akkoord gaan, maar kort erna wezen critici erop dat de negentiende-eeuwer Glinka er ‘antisemitische’ oordelen op na had gehouden.

Het idee om de complete straat dan maar om te dopen – en wel in de ‘Anton Wilhelm Amo-Strasse’ – bestaat al sinds 2018. Maar ook dat bleef bij acties van een marginale protestbeweging. Ook het feit dat Bonaventure Ndikung dit jaar bij de Kunstverein in Braunschweig een expositie over de filosoof Amo maakte, waarbij hij zestien kunstenaars vroeg om Amo’s werk en leven als inspiratie te gebruiken, zorgde niet voor grote aandacht voor de vergeten zwarte filosoof.

Pas door het internationale debat rond Black Lives Matter werd de figuur van Amo ineens opgepikt. De naamsverandering bleek uitstekend te passen in het verhaal dat de links-groene politiek wilde uitdragen; dat van een multiculturele stad, met een nieuwe Erinnerungskultur. En zeker, dat is een succes, zegt Bechhaus-Gerst, maar bij de activisten zorgt het ook voor irritaties. Zij zijn er al jaren mee bezig, en ineens neemt de politiek er de credits voor.

Misschien verklaart ook deze scepsis het ingehouden applaus bij de bijeenkomst Dekoloniaal flaneren. ‘Het is niet nieuw dat er voor erkenning van people of colour wordt gevochten, maar het is nieuw dat jíj erover te horen krijgt’, vertelt Ndikung in een gesprek. Zelf leerde Ndikung de filosoof Amo – ‘een man die beter Duits kon schrijven dan veel van zijn Duitse tijdgenoten’ – al zestien jaar geleden kennen. Na een succesvolle academische carrière vertrok Amo in 1747 uit Duitsland, vermoedelijk omdat zijn mentoren gestorven waren, mogelijk ook door een toename van racistische vijandigheid; hij stierf vereenzaamd in Ghana.

Veel burgers willen zich na de holocaust niet wéér ergens schuldig over voelen

Ndikung noemt het ‘een mysterie’ dat nauwelijks iemand Amo nu nog kent. Hij wijt dat aan het feit dat hij simpelweg is ‘weggewist’ uit de Duitse cultuurgeschiedenis. Het is heel gewoon om veel te weten over de filosoof Kant, maar niets over zijn tijdgenoot Amo – laat staan over de mens achter de figuur. Op de website van de Kunstverein Braunschweig heeft Ndikung om die reden twee korte indringende vragen laten aanbrengen: ‘Amo’s broer was door de Hollanders als slaaf naar Suriname gebracht. Waren de twee broers samen op hetzelfde schip getransporteerd? Herinnerde Amo zich hoe hij zijn broer vaarwel zei?’

Het gaat Ndikung om een proces van ‘decanonisering’, waardoor de machtsstructuren in de geschiedenis duidelijker worden. En ja, ook sommige straatnamen móeten daarom veranderen, het móet een teken zijn, zegt Ndikung. Maar het moet ook worden uitgelegd waaróm zo’n naam wordt veranderd. ‘De geschiedenis van de straatnaam moet worden uitgelegd, anders wordt de geschiedenis opnieuw uitgewist – en dan heeft niemand er iets van geleerd.’

Behalve de nieuwe straatnaam komt er daarom in Berlijn een eerste expositie over het koloniale verleden van de stad. Dekoloniale heet deze rondreizende expositie; zij heeft als eerste standplaats de Wilhelmstrasse, om de hoek van de voormalige Mohrenstrasse. Het Berlijnse Stadsmuseum heeft zijn steun toegezegd aan dit project van de verschillende actiegroepen.

Maar of Duitsland in de ontwikkeling van deze nieuwe Erinnerungskultur nu beter zal zijn dan de andere landen? Bechhaus-Gerst twijfelt: het is waar dat er veel ervaring is door de verwerking van het oorlogsverleden, maar dat kan ook nadelig werken. Juist vanwege de herdenking van de holocaust zeggen veel burgers een grote vermoeidheid te voelen, willen zich niet wéér ergens schuldig over voelen. En, vragen ze haar vaak: is het niet al heel lang geleden?

Nee, vindt Bechhaus, het verleden kan niet rusten: ‘Want willen we de daders eren?’ Ook Duitsland moet de geschiedenis van de holocaust niet los zien van de rest van de geschiedenis. Het gaat om continuïteiten, zoals stereotypen uit de koloniale periode die in de twintigste eeuw zijn gebleven, of gewelddadige praktijken die in de kolonie zijn begonnen en in de nazitijd hebben doorgewerkt.

Daarom blijft ook zij afwachtend over de huidige politieke actie van de naamsverandering, zegt Bechhaus-Gerst. In de Berlijnse Afrikaanse wijk is na de naamsveranderingen in 2016 tenslotte ook niets meer gebeurd, mede doordat vele buurtbewoners zich tegen de veranderingen hadden gekeerd. In Keulen begint het debat over de Mohrenstrasse nu pas. En in het onderwijs is het thema nauwelijks aanwezig.

Maar soms kan verandering ook minder subtiel beginnen. Op de bijeenkomst Dekoloniaal flaneren staat er tussen de actievoerders één ‘oude witte man’; Raimund Grafe, woordvoerder voor de deelstaat Thüringen. Dat is niet zomaar een deelstaat, maar eentje in het voormalige Oost-Duitsland, die normaal alleen in het nieuws komt vanwege zijn radicale AfD-vleugel. Slechts weinigen hier zullen weten dat het uitgerekend in het stadje Halle is, in de Oost-Duitse deelstaat Saksen-Anhalt, waar in DDR-tijden het enige standbeeld van Anton Wilhelm Amo is neergezet. En aan de universiteit van de stad Jena, in het huidige Oost-Duitse Thüringen, gaf Amo colleges.

Omdat Thüringen in de Mohrenstrasse een vertegenwoordiging heeft, mag Grafe een korte toespraak houden. De vertegenwoordiger doet wat een ambtenaar moet doen. Hij spreekt niet over ‘koloniaal verleden’ of over ‘racisme’, maar hij houdt een lofzang op Amo. En bij Grafe is Amo geen onbekende Afrikaan meer, maar een beroemde held uit Thüringen.

Tijd voor verontschuldigingen

Een staat die zijn excuses maakt voor fouten in het verleden. Ooit was het ondenkbaar, inmiddels komt het steeds vaker voor. Maar echt van harte gaat het zelden. En soms laat men het verleden liefst links liggen. De komende weken volgen in de serie over ‘sorry’ van staatswege nog Spanje en India.