Emile Kolthoff: ‘We staan op een keerpunt in de strijd tegen ondermijnende criminaliteit’ © Geert Nijland / Avans Hogeschool

Het is een bekend verhaal, maar te mooi en veelzeggend om hier niet nog eens op te dienen. Ergens in het najaar van 1929 bezoekt de burgemeester van Berlijn, Gustav Boess, de Verenigde Staten, het land dat in 1920 is drooggelegd; om het drankgebruik terug te dringen is alcohol verboden. Als het ter sprake komt, vraagt Boess aan zijn New Yorkse collega James Walker: ‘Wanneer begint de drooglegging eigenlijk?’ De alcohol is zo alomtegenwoordig in Amerika dat de Duitser niet door heeft dat het al negen jaar verboden is.

‘De drooglegging in de Verenigde Staten was de voedingsbodem voor de opkomst van de Amerikaanse maffia’, zegt Emile Kolthoff, hoogleraar criminologie en lector ondermijning. Vooral maffiabazen, zoals Al Capone, sprongen in het gat en werden schatrijk door illegaal drank te verhandelen. Kolthoff: ‘Zodra je iets gaat verbieden wordt het interessant om er geld mee te verdienen. Dat is een wet die zo oud is als de mensheid zelf.’

Kolthoff begint over de drooglegging, omdat het raakt aan een discussie die al decennia wordt gevoerd in Nederland, en die door de aanslag op Peter R. de Vries weer is opgelaaid: wat moeten we doen aan ons drugsprobleem? Steeds duidelijker wordt dat in de handel daarvan de kern ligt van veel recente moorden, ook die op de misdaadjournalist, advocaat Derk Wiersum en de broer van kroongetuige Nabil B. ‘We staan op een keerpunt in de strijd tegen ondermijnende criminaliteit’, zegt Kolthoff. ‘Hoe moeten we nu verder? Want je ziet dat meer van hetzelfde niet gaat helpen.’

Kolthoff werkte twintig jaar lang bij de politie in verschillende functies en is nu als hoogleraar criminologie verbonden aan de Open Universiteit en als lector ondermijning aan de Avans Hogeschool. ‘Ondermijning gaat wat mij betreft over de gevolgen van georganiseerde misdaad voor onze maatschappelijke structuren en uiteindelijk de rechtsstaat. Veel criminaliteit tast die structuren helemaal niet aan en die kunnen we met het strafrecht prima beheersen. Bij ondermijning gaat het om de aantasting van het systeem, het corrumperen van de overheid en de bovenwereld en de vermenging van de onder- en bovenwereld; dat is echt een kenmerk.’

Negentig procent van de ondermijnende criminaliteit is drugsgerelateerd. Nederland speelt in de productie (synthetische drugs en wiet) en als doorvoerland (cocaïne) een enorme rol in de internationale handel in verdovende middelen en die wordt alleen maar groter. In 2020 werd ruim 115.000 kilo cocaïne onderschept die was bestemd voor Nederlandse havens en dit jaar lijkt dat record moeiteloos te worden verbroken.

‘Deze aanslag past bij de glijdende schaal waarop we ons bevinden’

Het zorgt er niet alleen voor dat criminele organisaties steeds meer mensen nodig hebben om al het werk te klaren, maar ook zijn de belangen inmiddels zo groot dat de grote drugsbazen zich niet laten stoppen en desnoods heel veel geweld gebruiken. ‘We zitten echt in een nieuwe fase. Die enorme belangen zorgen voor een verharding die we niet eerder hebben gehad’, zegt Kolthoff. ‘Daarom komt de moord op De Vries ook niet uit de lucht vallen en het zal helaas ook niet de laatste aanslag zijn. Het past bij de glijdende schaal waarop we ons nu bevinden.’

Bij de aanslag op De Vries – die als vertrouwenspersoon kroongetuige Nabil B. bijstond, de crimineel die verklaringen is gaan afleggen over de vele liquidaties die worden toegeschreven aan de groep rond Taghi – viel Kolthoff een aantal zaken op. Ten eerste dat de schutter ‘best wel amateuristisch te werk ging’ door de aanslag overdag in een ontzettend drukke straat in het centrum van Amsterdam uit te voeren. ‘Vervolgens zijn ze vanaf een gracht gevlucht, terwijl iedere middelbare scholier toch weet dat er overal camera’s hangen en er andere middelen worden ingezet om iemand meteen op te sporen. Het zegt ook iets over de roekeloosheid. Ze zijn bereid om enorme risico’s te nemen.’

Ook vermoedt Kolthoff dat er in de criminele organisatie die achter de aanslag zit, waarschijnlijk de groep rond Taghi (‘zolang het niet bewezen is houden we een slag om de arm’), er kennelijk een soort paniek is uitgebroken door de kroongetuige. ‘Ik kan ernaast zitten, maar op basis van de informatie die ik nu heb uit de kranten lijkt het vooral paniekvoetbal. De aanslag op De Vries kun je vergelijken met die op Wiersum, het ligt helemaal in hetzelfde straatje. Ik weet niet of ze dat zo bedacht hebben of dat het intimidatie is vanwege de kroongetuigen, maar het effect is wel dat advocaten niet meer in de rij staan om kroongetuigen bij te staan en dat journalisten ook misschien wat voorzichtig worden als ze zich met dit soort zaken bemoeien. En de vraag is of er nog snel een kroongetuige opstaat. Dus wat dat betreft is het zeker een aanslag op de rechtsstaat.’

Een deel van het drugsprobleem is juist ontstaan door het vreemde gedoogbeleid van Nederland. Dat gaat terug naar de jaren zeventig, toen het gebruik van softdrugs oogluikend werd toegestaan en de eerste coffeeshops werden geopend, die wel wiet en hasj mochten verkopen, maar niet inkopen. Om de coffeeshops toch te bevoorraden, moesten softdrugs illegaal worden gekweekt of ingevoerd en dat zette een hele criminele keten in gang. Het geld dat werd verdiend moest een legale bestemming vinden, er moesten runners worden ingezet om de drugs te vervoeren en mensen die hun zolderkamer of schuur beschikbaar stelden voor een plantage. Drugscriminelen werden zo groter en groter en er konden structuren ontstaan die vervolgens ook werden ingezet voor harddrugs.

Aan het dubieuze softdrugsbeleid (‘dat krijg ik bij conferenties in het buitenland niet uitgelegd aan collega’s’) gaat ook veel politiecapaciteit verloren en Kolthoff pleit dan ook voor legalisering van softdrugs. ‘Dan haal je het uit de illegaliteit, worden coffeeshophouders niet verplicht om in zee te gaan met criminelen, verdient de staat eraan door accijns te heffen en kun je de politiecapaciteit die vrijkomt in de aanpak van georganiseerde criminaliteit steken.’

‘Maximaal tien procent van de drugsimport wordt onderschept’

Na de moord op Wiersum, die als advocaat de kroongetuige bijstond in de zaak tegen de groep rond Taghi, riep minister Grapperhaus een Ondermijningsfonds in het leven met daarin honderd miljoen euro om de criminaliteit aan te pakken en werd er een speciale eenheid opgericht, het Multidisciplinair Interventie Team (mit). Kolthoff zet vraagtekens bij het mit, waarin vierhonderd specialisten van de politie en andere overheidsinstellingen worden ondergebracht. Het is de bedoeling dat het team ook de samenwerking tussen verschillende diensten moet bevorderen. ‘Als je zo’n team moet optuigen is dat eigenlijk een brevet van onvermogen, want het is nu echt bijna onmogelijk om bijvoorbeeld de Belastingdienst en de politie goed samen te laten werken. Terwijl je daar al zoveel mee kunt bereiken. En dan hebben we het nog niet eens over samenwerking met private partijen.’

Hij denkt ook dat het mit, dat pas in 2023 helemaal operationeel moet zijn (‘waar hebben ze al die tijd voor nodig?’), ten koste gaat van regionale eenheden en wat die hebben opgebouwd doordat de beste mensen worden weggekaapt. ‘In die regionale teams zitten echt goede mensen en ze hebben heel redelijk in beeld welke criminele organisaties er actief zijn in hun gebied. Ze hebben alleen onvoldoende capaciteit om alles aan te pakken en volgens mij ligt daar eerder het probleem. Als je dan toch besluit om extra geld vrij te maken, steek het dan in bestaande structuren en teams.’

Volgens critici is dat extra geld in het Ondermijningsfonds ook een druppel op een gloeiende plaat, want wat ga je daarmee beginnen tegen drugscriminelen die een vermogen hebben waarbij dat bedrag verbleekt? ‘Dat is precies de kern van ondermijning: dat het om zo ongelooflijk veel geld gaat. Maar hoeveel is dan genoeg om het aan te pakken’, vraagt Kolthoff: ‘Tweehonderd miljoen? Daar red je het ook niet mee. Een miljard? Er zijn genoeg andere problemen in het land die ook aangepakt moeten worden. En een misschien nog wel belangrijkere vraag: als je zoveel geld in de bestrijding van misdaad zou willen stoppen, hoe voorkom je vervolgens dat we geen politiestaat worden? Er zijn nu democratische checks and balances voordat de politie begint met opsporing, maar hoe waarborg je dat als ze steeds meer macht en bevoegdheden krijgen?’

Maar, voegt Kolthoff toe, je hebt nu echt te maken met ‘een heel taaie vijand’ die over onuitputtelijke financiële mogelijkheden beschikt. ‘Als overheid moet je het hebben van slim opereren, slimme wetgeving, goede samenwerking en van bestendig beleid.’

Wat ook meespeelt is dat er in de afgelopen jaren fors is bezuinigd op de inzet van wijkagenten en jongerenwerk in moeilijke buurten, waardoor de ‘ogen en oren’ uit de wijk verdwenen. Voorheen kwamen veel criminelen zo al op jonge leeftijd op de radar van de politie. Het wegvallen daarvan had tot gevolg dat een groep criminelen ongezien heel groot heeft kunnen worden – denk aan Taghi – voordat ze in beeld kwamen bij de opsporingsdiensten. En dat het makkelijk was om uit die wijken continu jonge criminelen te ronselen voor klussen.

‘Recreatief drugsgebruik is van dezelfde orde als een gestolen auto kopen’

De hoogleraar, die zelf onder meer onderzoek deed naar bedreigingen door criminelen aan het adres van lokale politici en de inzet van data bij het aanpakken van ondermijning, zegt ook dat het niet zo simpel is om ondermijning aan te pakken, anders was het probleem niet zo groot geworden en was er wel eerder ingegrepen. Maar volgens hem moet je bij de bestrijding van ondermijning van twee kanten ingrijpen: ‘De echte zware jongens aan de bovenkant moet je met geavanceerde middelen en veel bevoegdheden proberen achterover te trekken.’

Als voorbeeld geeft hij de servers van encryptietelefoons die gekraakt zijn waardoor de politie ineens een goudmijn aan informatie had, van opdrachten voor liquidaties tot gedetailleerde informatie over grote partijen drugs. Grote criminelen, onder wie Taghi, zijn daardoor in de problemen gekomen. ‘De Nederlandse politie is goed in het verzamelen van data en daar moeten ze vooral mee doorgaan. Maar ik zou ook inzetten op de Rotterdamse haven, waar toch het grootste deel van de cocaïne binnenkomt. Er is veel energie gestopt in de douane, om daar de systemen op orde te krijgen en veel te doen aan bewustwording van mensen door middel van trainingen. Maar de cargo-medewerker die voor drieduizend euro zijn pasje voor een avond uitleent hebt je daarmee nog niet. Op die manier hebben criminelen nog steeds toegang tot het haventerrein om containers leeg te halen. Ondanks de maatregelen is het zo lek als een mandje en naar schatting wordt maar drie tot tien procent van de drugs die ons land binnenkomen onderschept en dan kom je op dat economische belang. Als je wil, kun je Rotterdam honderd procent dicht krijgen, maar dan ligt de haven plat en gaat alles naar Antwerpen of Bremen en dat is ook niet goed voor het land. Dat zijn moeilijke afwegingen.’

Minstens zo belangrijk, zegt Kolthoff, is investeren aan de onderkant zodat de aanwas van jonge criminelen opdroogt. Daarbij zouden gemeenten meer middelen moeten krijgen om te investeren in wijken waar in de afgelopen jaren juist fors op is bezuinigd. Kolthoff deed met studenten onderzoek naar hoe je zicht krijgt op welke wijken een probleem kunnen vormen. ‘Als je bestaande data bij elkaar brengt, en dan heb ik het nog niet eens over politiegegevens, krijg je een heel aardig beeld. Informatie waar de gemeente zelf over beschikt, zoals onroerendezaakbelasting, waarde van woningen, energieverbruik, opleidingsniveau, bezit van auto’s, schoolverzuim, de mate waarin een beroep wordt gedaan op sociale voorzieningen – dat is allemaal aanwezig bij de gemeente. Als je dat allemaal combineert, kun je al een indicatie krijgen van wat het risico op dubieuze activiteiten is in een wijk. Het zegt niet dat er ondermijning is, maar wel dat je eens moet gaan kijken en of het niet tijd is om te investeren in de wijk.’

Een van de problemen bij het verzamelen van data is de privacy en eigenlijk geldt dat voor bijna alle opsporing. Maar volgens Kolthoff kun je het zo inrichten, zelfs bij gesloten bronnen van bijvoorbeeld de Belastingdienst en de politie, dat het niet is te herleiden naar personen, maar bijvoorbeeld wel op postcodeniveau. ‘Het gevaar is dat data worden gebruikt om conclusies te trekken, maar het moet alleen een aanleiding zijn om naar een bepaalde wijk te gaan en ter plaatse dingen waar te nemen. Dat is iets waar grote diensten zich nog wel eens schuldig aan maken, dat ze die fysieke check niet doen. Je moet niet op persoonsniveau data gebruiken, dat zie je bijvoorbeeld aan de toeslagenaffaire, waar dat wél is gebeurd.’

De vraag is volgens Kolthoff: wat voor samenleving willen we? Een waarbij je iets inlevert van je privacy, of een waarbij soms een onschuldig iemand wordt neergeschoten? ‘Heel hard gezegd zijn dat de twee uitersten. En het hoeft niet veel van de privacy te kosten. We kunnen bijvoorbeeld naar een model zoals de maffia-wetgeving in Italië. Daar krijgt de politie allerlei extra bevoegdheden als iemand ervan wordt verdacht lid te zijn van de maffia. Het is niet zo dat de georganiseerde misdaad daar is uitgeroeid, maar je ziet echt resultaat. Dat zouden we in Nederland ook kunnen doen bij de echt grote zaken.’

Dat drugs in Nederland alles behalve taboe zijn is wel duidelijk. In alle lagen van de bevolking worden ze gebruikt, of het nu jongeren zijn die voor het eerst experimenteren, advocaten op de Zuidas of de zogenaamde yogasnuivers. In de commentaren na de aanslag op De Vries was een terugkerend verwijt: wie wel eens drugs gebruikt is mede verantwoordelijk. Hoewel dat wat gechargeerd is, vindt Kolthoff wel dat gebruikers zich bewust moeten zijn van wat ze in stand houden: ‘Als je een gestolen auto koopt, weet je dat je in overtreding bent en ik vind drugs kopen voor recreatief gebruik van dezelfde orde. Je koopt een illegaal product waarvan je weet dat er criminele organisaties achter zitten. We hebben eens een informele enquête gehouden onder studenten, studenten die straks bij de gemeente en politie werken en ondermijning moeten bestrijden. Driekwart van degenen die naar grote feesten gaan, gebruikt daar drugs. Op vrijdag zit ik les te geven over de effecten van ondermijning en op zaterdag zitten zij het te financieren.’

Kolthoff vindt ook dat de rol van gewone burgers onderbelicht blijft bij het tegengaan van ondermijning. Hij is bezig met het opzetten van een onderzoek daarnaar. ‘Het gaat altijd over de professionals of de fenomenen die we bestrijden, maar de burger heeft ook een belangrijke taak in het signaleren en melden van ondermijning en het weerbaar maken van de eigen wijk. In buurten waar veel ondermijning plaatsvindt zijn veel burgers het vertrouwen in de overheid verloren. Die gaan echt niet de politie bellen als ze iets zien dat niet in de haak is. Daarom moet je ze meer mobiliseren en de sociale cohesie terugbrengen in de wijk zodat ze dat wél weer gaan doen. Gemeenten moeten daartoe echt investeren in wijken om het vertrouwen in de overheid terug te winnen.’

Het terugdringen van ondermijnende criminaliteit gaat niet van de ene op de andere dag, zoveel is duidelijk. Zelfs als iemand als Taghi wordt opgesloten in de zwaarst beveiligde gevangenis van het land, gaan zijn handlangers door. ‘Als zijn groep inderdaad achter de moord op Peter R. de Vries zit’, zegt Kolthoff. ‘De handel van die groep gaat ook wel door, ook als de vermeende leider vastzit, want er zijn genoeg onderbaasjes, die ook graag de nieuwe leiders willen worden. Die coke komt gewoon het land binnen en wordt door zijn handlangers verhandeld. Je moet ook niet de illusie hebben dat als je dit soort mannen opsluit, of andere succesvolle maatregelen toepast, het probleem zich oplost. Wat dat betreft is het net zo’n zevenkoppig monster: als je een kop eraf hakt groeit ’ie elders weer aan.’