De mop van de twee genieen

Leonardo, uitvinder, wetenschapper en kunstenaar, Kunsthal Rotterdam, tot en met 17 maart. Ofte wel genialiteit volgens het humanistische model: Da Vinci, de alleskunner. Dat is te meten.
Matthew Barney, Pace Car for the Hybris Pill, Museum Boymans-Van Beuningen, tot en met 31 december. Ofte wel: genialiteit volgens de chaostheorie. Niemand weet iets doorslaggevends te melden over een fenomeen wiens roem al vele malen groter is dan bewezen grootheid. Alle eer is gebaseerd op een vermoeden. Niet te toetsen, en je zou gek zijn daarom te treuren.
Leonardo en Matthew lopen door het Museumpark. Zegt Leonardo: ‘He Barney, ken je die mop van die twee genieen?’
‘Nee’, zegt Matthew, ‘hoe gaat-ie?’
‘Nou’, zegt Leonardo, ‘twee genieen lopen door het Museumpark. Denkt de een: he, daar loopt een genie. Zoiets kan ik alleen maar zien. Denkt de ander: he, daar loopt een genie. Zoiets voel je.’

‘Maar genialiteit’, zegt Matthew, 'is toch geen kwestie van zien of voelen, dat gaat toch dieper?’
'Wacht nou even, het is nog niet af’, zegt Leonardo. 'Het ene genie, die van dat zien, vraagt zich meteen af wat het toch is dat iemand er als een genie doet uitzien. Zijn het de edele trekken? Is het de vastberaden tred? Nee, dat kan ook een atleet betreffen. Is het de oogopslag en de schrandere blik? Nee, dat kan elke vorser hem nadoen. Dan moet het de goede smaak zijn waarmee hij zich kleedt. Hoewel, dat onderscheidt hem niet van presentatoren of architecten. Is het dan de combinatie van de drie? Ja, dat moet het zijn, genialiteit is veelzijdigheid. Iedereen die tot tien kan tellen is in staat haar te herkennen.’
'Zie je wel’, zegt Matthew, 'je kunt zoiets niet zien. Het herkennen van genialiteit is geen kwestie van uiterlijk, laat staan van telkunst. Juist niet, zou ik haast zeggen. Genialiteit ziet eruit als lelijkheid incognito, als een terloopse, toevallige vorm die zo beweeglijk is als het leven zelf. En dat laatste is een noodzakelijke, maar natuurlijk geen voldoende voorwaarde. Er klopt weinig van je verhaal.’
'Heb nou geduld, dit is toch tijd noch plaats voor dergelijke haarkloverijen? Laat me het verhaal nu even afmaken. Welnu, het andere genie, die van dat voelen, is tevreden met zichzelf. Had ik het niet gedacht, denkt hij, genialiteit geeft vibraties. Die man straalt iets uit - charisma, klasse, aura? Hoe jong hij ook is, er schuilt iets dieps in die man, iets dat eruit wil. Ja, dat moet het zijn, genialiteit is onontkoombaar, hoe jong je ook bent.’
'Nou nou, jij denkt ook in extremen’, zegt Matthew. 'Waar de een analyseert, komt de ander met niets dan mythen aan. Waar de een controle over zijn waarnemingen wil verwerven, laat de ander de chaos in zijn hoofd met graagte toe. Sterker, laat zijn gedachten daardoor sturen. Nog minder dan bij de ander kan hier ooit sprake zijn van een genie. Iemand die zich zo gemakkelijk door suggestie laat bedwelmen is geen genie, maar een verslaafde.’
'Wacht, wacht. Ik kom aan de clou’, zegt Leonardo. 'Terug naar die ene, die genialiteit meent te zien. Hij ziet zo scherp omdat hij in het leven veel gevoeld heeft. Terechtstellingen, oorlogen, cholera. Laverend tussen de klippen van de menselijke willekeur, had hij zijn zintuigen geoefend. Genie herken je als je hebt geleerd te overleven. De ander had zo'n goed ontwikkeld gevoel omdat hij zoveel gezien had. Hij had niets uitzonderlijks meegemaakt, slechts veel films gekeken, veel strips gelezen. Het leven was een eindeloze reeks indrukken, opgedaan in de luie stoel. Genie herken je als je een krankzinnig talent hebt, maar niets om er wat mee aan te vangen.’
'En de clou, Vinci?’
'Let op, Barney: de genieen naderen elkaar en kijken elkaar aan. En wat blijkt? Zijn ze het geen van beiden!’
'Is dat de mop?’ zegt Matthew. 'Is dat humor?’
'Inderdaad’, zegt Leonardo.
'Dat dacht ik al’, zucht Matthew, 'dit is inderdaad plaats noch tijdstip voor grappen.’
En oostelijk koud speelt de wind door het park. Er is niemand te zien…