De moraal bestaat niet

De ‘kroonjurist van het Derde Rijk’ Carl Schmitt was een overtuigde antimodernist en anti-individualist. Hij bedreef geen politieke wetenschap, maar propageerde een politieke theologie. Argwaan is nog altijd op z'n plaats.

Tien jaar geleden raakte ik op de bruiloft van een vriend aan de praat met een oom van zijn Duitse bruid. De tegen de zestig lopende man was als hoogleraar politicologie gespecialiseerd in de ontwikkeling van het constitutionele denken in Duitsland. Het was een geanimeerd gesprek, totdat ik argeloos de naam Carl Schmitt liet vallen. De hoogleraar deinsde letterlijk terug, brak de conversatie tamelijk abrupt af en mengde zich schielijk tussen de overige bruiloftsgasten. Het zal misschien verbeelding zijn geweest, maar ik had sterk de indruk dat hij me de rest van de avond met enige argwaan gadesloeg, waarbij het feit dat ik geheel in het zwart gekleed was zijn wantrouwen wellicht nog gevoed heeft.
Het was een zuivere pavlovreactie van een progressieve intellectueel uit de generatie van ‘68, die decennialang automatisch alarm sloeg zodra de naam Schmitt viel. Voor deze generatie was Carl Schmitt (1888-1985) de 'kroonjurist van het Derde Rijk’, de staatsrechtsgeleerde die de juridische legitimatie voor het nazi-regime had geleverd en die na 'de nacht van de lange messen’ in 1934 - waarbij Hitler de top van de SA en allerlei rechtse rivalen liet vermoorden - het artikel Der Führer schützt das Recht had geschreven. Kortom, iemand die evenals de oorlog verheerlijkende schrijver Ernst Jünger, met wie hij een zeer ambivalente vriendschap onderhield, absoluut niet deugde en maar het best doodgezwegen kon worden.
Nu is het een onloochenbaar feit dat de jurist Schmitt zich vanaf 1933 vergaand geëncanailleerd heeft met het Hitler-regime, maar als hij niet meer was geweest dan een holhoofdige nazi-propagandist die braaf de kretologie van Joseph Goebbels had gepapegaaid, hadden weinigen hem na 1945 nog gelezen en waren er niet talloze boeken over hem geschreven. Schmitt mocht dan al ver vóór 1933 een antidemocraat zijn geweest, en hij mag zich ten tijde van het Derde Rijk dan buitengewoon opportunistisch hebben gedragen, dat wil niet zeggen dat hij een oninteressant denker was.
Schmitts snijdende, meedogenloze analyses van de zwakke kanten van het liberalisme en de parlementaire democratie worden nog altijd gretig gelezen door filosofen, politicologen en sociologen die vraagtekens zetten bij de liberaal-democratische consensus die sinds 1945 in het Westen heerst. Zoals Jan-Werner Müller in A Dangerous Mind: Carl Schmitt in Post-War European Thought (2003) heeft laten zien bevinden zich onder die bewonderaars niet alleen conservatieve of ultranationalistische types, maar vinden ook tal van extreem-linkse figuren bij Schmitt iets van hun gading, terwijl zijn werk tevens een inspiratiebron vormt voor hedendaagse filosofische celebrities als Slavoj Zizek, Giorgio Agamben en Chantal Mouffe. Wat hen echter bindt is de afkeer van de 'neutralisering’ en 'depolitisering’ van de liberaal-democratische samenleving, waarin het bestaan van fundamentele en onoverbrugbare tegenstellingen wordt ontkend en voor alle conflicten een compromis of een technocratische oplossing wordt gezocht. Kortom, een afkeer van een politiek die uitsluitend nog oog heeft voor belangen en niet voor beginselen en ideeën.
Daarnaast wordt Schmitts werk ook intensief bestudeerd door tal van serieuze onderzoekers die de ontwikkeling van zijn denken in kaart proberen te brengen en de houdbaarheid van zijn theorieën trachten te toetsen. Het resultaat van al deze aandacht is dat een aantal van Schmitts denkbeelden inmiddels is doorgedrongen tot een iets breder, intellectueel geïnteresseerd publiek. Vooral zijn definitie van politiek - die in wezen niets anders zou zijn dan het onderscheid tussen vriend en vijand - wordt met name na 11 september 2001 door publicisten te pas en te onpas van stal gehaald. Niet zelden getuigen dergelijke verwijzingen van een zekere koketterie, aangezien de betreffende auteur blijkbaar graag wil laten zien dat hij niet van de straat is en bovendien ook niet terugdeinst voor het lezen van een 'gevaarlijke denker’ als Carl Schmitt. De vraag is echter of de meeste mensen die Schmitt instemmend citeren wel echt op de hoogte zijn van zijn denkbeelden. Ook is het de vraag of ze, bij voldoende kennis hiervan, nog steeds welwillend naar hem zouden verwijzen.
Om achter Schmitts denkbeelden te komen dient men hem natuurlijk te lezen, waarbij men onmiddellijk op het probleem stuit dat de op 96-jarige leeftijd overleden geleerde ongelooflijk veel gepubliceerd heeft, en bovendien een nog omvangrijkere Nachlass bij elkaar geschreven heeft. Lezing van de enige Nederlandse vertaling van een werk van Schmitt - Het begrip politiek (2001) - volstaat beslist niet. Inmiddels is er wel een immense berg literatuur over Schmitt verschenen, zodat de serieuze geïnteresseerde zich toch een oordeel kan vormen. Het probleem hierbij is dat dergelijke studies meestal zijn geschreven door verklaarde bewonderaars of felle tegenstanders van Schmitt, zodat het formuleren van een afgewogen oordeel lastig wordt. Iets wat bovendien tot voor kort werd bemoeilijkt door het feit dat er merkwaardig genoeg geen adequate, wetenschappelijk verantwoorde biografie van de man voorhanden was.
Inmiddels is in deze omissie voorzien door de Duitse politicoloog Reinhard Mehring, die eerder een inleiding op het werk van Schmitt schreef en een commentaar bij diens Der Begriff des Politischen publiceerde. Hoewel Mehring door sommige Duitse recensenten is verweten dat hij te veel beschrijft en te weinig doet aan 'duiding’, schildert Carl Schmitt: Aufstieg und Fall wel degelijk een overtuigend beeld van een denker die een ongekende scherpzinnigheid combineerde met een tomeloze eerzucht en een volstrekt gebrek aan ruggengraat.
De in 1888 in het Sauerlandse dorpje Plettenberg geboren Schmitt - die bijna een eeuw later in hetzelfde boerengat zou sterven - was niet alleen een provinciaal van kleinburgerlijke afkomst, met zijn 1 meter 60 was hij ook nog eens een klein opdondertje. Hoewel Mehring zich niet bezondigt aan psychologie van de koude grond maakt hij zonder meer aannemelijk dat deze ongelukkige uitgangspositie Schmitt zijn leven lang parten heeft gespeeld. In ieder geval was hij als academicus uitzonderlijk ambitieus, had hij daarnaast ook filosofische en literaire aspiraties, beschikte hij over een libido van himalayaanse afmetingen, maar voelde hij zich eigenlijk altijd tekortgedaan en miskend.
Belangrijker echter is dat Mehring het leven van Schmitt nauwgezet reconstrueert - waarbij hij in veel grotere mate gebruik heeft kunnen maken van de schriftelijke nalatenschap van Schmitt dan eerdere biografen - en dat hij zich niet beperkt tot cruciale en overbekende momenten uit diens loopbaan. Hierdoor is hij in staat de continuïteiten en breuken in ’s mans denken in kaart te brengen.
Zo wordt duidelijk dat hij al in zijn dissertatie Über Schuld und Schuldarten (1910) een scherp onderscheid maakte tussen recht en moraal. Van een autonome moraal, zoals die een rol speelt in de ethiek van Kant, wil Schmitt niets weten. Hoe men moet handelen hangt immers af van de Lage, de politieke, maatschappelijke en geistesgeschichtliche situatie van het moment. Zo kon hij in de jaren zeventig, terugblikkend op zijn houding tijdens het Derde Rijk, verklaren: 'Ik heb niets besloten, Hitler heeft besloten.’
In verband hiermee laat Mehring zien dat ook een ander kenmerkend element uit Schmitts denken, diens 'decisionisme’, al vroeg uitgekristalliseerd is. Reeds in Gesetz und Urteil (1912) stelde Schmitt dat juridische beslissingen niet gebaseerd zijn op een norm, maar voortkomen uit een wilsbepaling die onafhankelijk is van de rechtsnormen. De uitspraak van de rechter is belangrijker dan de wetstekst.
Hoewel dit een realistisch uitgangspunt lijkt, ging het bij Schmitt zelden of nooit over de concrete werkelijkheid. In plaats daarvan is hij altijd in de weer met, al dan niet zelf gedefinieerde, categorieën en grootse abstracties, waarvan zijn geloof in, en vrees voor, de Antichrist wel de kroon spant. Als katholiek geloofde Schmitt heilig in de erfzonde en in de goddelijke orde van 'troon en altaar’, die door het economisch en politiek liberalisme onder de voet was gelopen. In zijn jonge jaren mocht Schmitt dan contacten onderhouden met verschillende avant-gardekunstenaars en dichters, als politiek denker was hij een overtuigde antimodernist en anti-individualist. Hij bedreef geen politieke wetenschap, maar propageerde een politieke theologie.
Bijzonder gebeten was hij op de parlementaire democratie en de bijbehorende mythe van de 'volkssoevereiniteit’. Geholpen door het feit dat de parlementaire praktijk in het Duitsland van de Weimar-republiek, waar bitter weinig overtuigde democraten woonden, allesbehalve florissant en aantrekkelijk was, profileerde Schmitt zich in de jaren twintig en dertig als een principieel en invloedrijk pleitbezorger van de autoritaire, presidentiële staat. Zo werd hij een belangrijk adviseur van generaal Kurt von Schleicher, de laatste rijkskanselier voordat Hitler op 30 januari 1933 aan de macht kwam.
Hiermee had Schmitt - die in Legalität und Legitimität (1932) de Hitler-aanhangers op één lijn had gesteld met 'communisten, goddelozen en wat niet al’ - duidelijk op het verkeerde paard gewed. Vooralsnog leken de nazi’s niet erg haatdragend, want nadat Schmitt zich, op dezelfde dag als Martin Heidegger, had aangemeld als lid van de NSDAP, legden zij de vermaarde staatsrechtgeleerde geen strobreed in de weg. Op zijn beurt sloofde de dankbare en opgeluchte Schmitt zich uit om met een reeks geschriften aan te tonen dat het nieuwe regime, dat onder anderen zijn voormalige baas Schleicher en diens vrouw vermoordde, niet alleen volstrekt legaal maar ook nog eens volkomen legitiem was. Ook stortte hij zich - met een overduidelijke verwijzing naar Wagner - op de bestrijding van das Judentum in der Rechtswissenschaft en was hij niet te beroerd om herdrukken van zijn geschriften van vóór 1933 op te leuken met antisemitische passages.
Een van zijn eerdere biografen, Paul Noack, heeft gesuggereerd dat dit plotse vertoon van antisemitisme vooral te wijten was aan Schmitts tweede vrouw, maar Mehring toont aan dat Schmitt als jongeman weliswaar joodse vrienden had, maar dat hij ook toen reeds behoorlijk antisemitisch uit de hoek kon komen. Nadat de vermaarde industrieel en toonaangevende intellectueel Walther Rathenau niet erg toeschietelijk had gereageerd op een vleierige brief van de 23-jarige Schmitt, liet deze zich verleiden tot antisemitische stekeligheden en schreef hij een vernietigende recensie van Rathenau’s boek Kritik der Zeit.
Schokkend is de door Mehring geciteerde dagboeknotitie uit april 1933, waarin Schmitt schreef over het bezoek van een oud-student van hem die inmiddels priester was geworden. Dit bezoek was een 'grote teleurstelling’ geworden, aangezien de jonge zielzorger aangedaan had verteld over zijn mislukte pogingen te voorkomen dat een rabbijn in Marburg door SA'ers de baard werd afgeschoren: 'We lachten hem uit.’ Deze reactie is des te stuitender als men weet hoe Schmitt na 1945 niet ophield te jammeren over het feit dat hij ontslagen was als hoogleraar. Vergeleken met het 'onrecht’ dat hem toen was aangedaan leek de jodenvervolging niet veel meer dan een bagatel.
Vrolijk word je er niet van, van het portret dat Mehring in deze bijzonder rijke en ondanks de omvang toch compacte levensbeschrijving van Schmitt schildert. Dat wil niet zeggen dat de biograaf van mening is dat Schmitt een onbelangrijke denker was. Alleen was het in dit boek niet zijn opzet om te laten zien in hoeverre Schmitts denken nog steeds actueel is. Het ging hem hier louter om de 'historische’ Schmitt, iemand voor wie veel hedendaagse Schmitt-bewonderaars ten onrechte niet veel belangstelling tonen.
Wie Schmitt nu leest kan gemakkelijk onder de indruk raken van zijn ongemeen scherpe en heldere analyses. Wat Schmitt bijvoorbeeld schreef over de neiging van liberalen om fundamentele tegenstellingen te ontkennen en te bedekken met een klamme deken van compromissen en zogenaamde consensus, is nog altijd het overdenken waard. Tegelijkertijd kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat veel Schmitt-adepten, evenals de meester zelf, vergeten dat lang niet alle tegenstellingen fundamenteel zijn, dat het in veel gevallen wel degelijk mogelijk is om tot een vergelijk te komen. Schmitt was een meester in het classificeren en abstraheren, wat soms verheldering en inzicht oplevert en wat voor filosofisch ingestelde geesten bijzonder aantrekkelijk is, maar wat er ook toe kan leiden dat men zich loszingt van de werkelijkheid. Gecombineerd met het ontkennen van het bestaan van zoiets als een autonome moraal resulteert dit al snel in zuiver opportunisme en/of het goedpraten van zaken die onmogelijk goed te praten zijn.
De historische Schmitt laat zien dat het verre van denkbeeldig is dat het schmittiaanse denken, ook in eventuele 21Ste-eeuwe varianten, op gruwelijke wijze ontspoort. Wat dat betreft is een zekere argwaan nog altijd op z'n plaats.

REINHARD MEHRING
CARL SCHMITT: AUFSTIEG

UND FALL
Verlag C.H. Beck, 750 blz., € 29,95