De moraal van het aftreden

Het was een wrang detail dat vorige week tijdens het debat in de Tweede Kamer over de teruggestuurde Iraanse asielzoekers aan het licht kwam. Natuurlijk was op het ministerie van Buitenlandse Zaken bekend dat het actief monitoren van teruggekeerde Iraanse vluchtelingen was gestaakt. Dat was in het overleg tussen ambtenaren van Buitenlandse Zaken en Justitie aan de orde gekomen, maar dat was gebeurd, vertelde staatssecretaris Schmitz aan een verbijsterde Kamer, ‘op een zo laag niveau dat het aan de top onopgemerkt was gebleven’.

Beter had zij niet tot uitdrukking kunnen brengen waarom zij om deze zaak had moeten aftreden. Van hoog tot laag blijkt er op haar ministerie en dat van minister Van Mierlo zo'n desinteresse te bestaan in het lot van de heengezondenen dat belangrijke informatie eenvoudigweg niet wordt doorgegeven. Mevrouw Schmitz zelf bleek trouwens ook nooit gevraagd te hebben hoe het nu eigenlijk zat met die teruggestuurde asielzoekers. Anders had zij te weten kunnen komen dat niemand dat wist. Maar in haar hele departement vond niemand de zaak belangrijk genoeg om even een seintje naar boven te geven. Dat was politiek fout, omdat het om een politiek gevoelige zaak ging; het was staatsrechtelijk fout, omdat de staatssecretaris daardoor de Tweede Kamer onbewust verkeerd heeft voorgelicht; maar het is vooral ook moreel fout, omdat ambtenaren en politici geforceerd de andere kant uit bleven kijken en niet wilden weten hoe het de verjaagden verging in de armen van de ayatollah’s.
Zelfs de dramatische hongerstakingen door uitgeprocedeerde Iraanse vluchtelingen van deze zomer brachten mevrouw Schmitz er niet toe na te gaan hoe dat nu eigenlijk zat in ‘het veilige land’ Iran. De vergelijkingen dringen zich op. Met hoe in Srebrenica de Nederlandse soldaten en de Nederlandse politici niet wilden weten wat er met de weggevoerde Moslimmannen gebeurde. En hoe tijdens de Tweede Wereldoorlog bijna de hele Nederlandse bevolking, inclusief alle lagere en hogere ambtenaren, nooit hebben willen weten wat dat eigenlijk voor werkkampen waren waarin al die gedeporteerde joden en zigeuners te werk werden gesteld.
Het is daarom heel begrijpelijk dat mevrouw Schmitz tijdens een pauze in het Iran-debat aan aftreden dacht en met een krijtbleek gezicht terugkwam in de Kamer, nadat Jacques Wallage haar, volgens de berichten, van dat voornemen had afgepraat. Minder begrijpelijk is dat zij uiteindelijk toch op haar post is gebleven. Natuurlijk, de regeringspartijen maakten het haar, staatssecretaris Patijn van Buitenlandse Zaken en minister Van Mierlo in het geheel niet moeilijk. En de oppositie voert nu eenmaal oppositie, kan Schmitz redeneren, en moet dus meer eisen dan gratuite excuses. Het paarse kabinet loopt vanzelf naar zijn einde en dan zijn politieke strubbelingen ongewenst. Natuurlijk hebben de regeringspartijen de zaak aardig weten te compliceren door er alle drie de partijen bij te betrekken: de PvdA via mevrouw Schmitz, de VVD via staatssecretaris Patijn en D66 door Van Mierlo halsoverkop te laten overvliegen om met een vaag en onbegrijpelijk verhaal de hele zaak te sussen.
Maar zijn er dan helemaal geen grotere belangen dan het paarse kabinet en het vermijden van politiek geharrewar? Staatssecretarissen en soms ministers moeten aftreden als ze blunderen met paspoorten of benoemingen of als het hun politieke partij goed uitkomt om ze te offeren, zoals gebeurde met Elske ter Veld. Maar zelden ruimen ze het veld als het om werkelijk belangrijke morele kwesties gaat. Het vertrek van minister Voorhoeve van Defensie is na het verschrikkelijke Srebrenica-drama zelfs door niemand geëist. Het is waar, de verantwoordelijkheden voor de val van die 'veilige haven’ lagen diffuus verspreid over alle niveaus, vanaf de Verenigde Naties-top tot en met de gewone militairen ter plekke. Maar het terugtrekken van het Nederlandse Dutchbat gebeurde wel onder politieke verantwoordelijkheid van minister Voorhoeve en hij had door vrijwillig af te treden in elk geval kunnen laten zien dat er door Nederland, en in elk geval door hemzelf, zwaar aan wordt getild als er ten koste van duizenden levens zo verschrikkelijk wordt gefaald. Het moet er dan eigenlijk niet toe doen of Voorhoeve wel of niet een goede minister is, iemand met z'n hart op de goede plaats, die ook nog redelijk met de legertop overweg kan. Belangrijker is dat het signaal wordt gegeven dat falen op zo'n belangrijk moment niet geaccepteerd kan worden, zelfs als de minister daarvoor zelf geen persoonlijke schuld zou dragen. Hij is niet alleen politiek verantwoordelijk, maar moet zijn ministerie ook zo inrichten dat fouten met dergelijke consequenties niet gemaakt kunnen worden.
Nu wordt het niet-aftreden van Voorhoeve vanwege Srebrenica al als argument gebruikt om te zeggen dat ook Schmitz niets te verwijten valt als zij rustig, zij het bleekjes blijft zitten. Tenslotte ging het in het geval van Voorhoeve om duizenden, in het geval van Schmitz tot nu waarschijnlijk drie doden. Dit laat zien hoezeer de publieke moraal al is aangevreten. En als mensen als Voorhoeve en Schmitz - toch werkelijk niet de minsten onder de bewindspersonen - het al zo laten afweten als het om morele kwesties gaat, hoe kan de regering dan verwachten dat het haar ambtenaren interesseert wat de consequenties van hun handelen zijn, of dat dronken jongens zich afvragen of er echt iets tegen is om een toevallige passant overhoop te steken?
Het valt natuurlijk nauwelijks te verwachten dat de coalitie besluit haar bewindslieden tot aftreden te dwingen. Het was evident dat staatssecretaris Patijn zich van het begin af aan voor asielzoekers en hun lot geen snars interesseerde. Hij verklaarde zelf dat hij het daarvoor veel te druk had in de tijd dat hij zich onderkoning van Europa mocht wanen. Van Mierlo weet er zich altijd wel uit te redden en binnen D66 wil natuurlijk niemand de steeds wolliger redenerende eminentie laten vallen. Dus moest ook staatssecretaris Schmitz maar blijven.
Door daarmee in te stemmen heeft zij de idealen waar zij voor staat een slechte dienst bewezen. Toekomstige politici kunnen zich ook weer op haar falen, haar gedraai, haar niet-weten, haar vage excuses en haar niet-aftreden beroepen. Totdat we zelfs niet meer over publieke moraal durven spreken.