De morele maat

Tegenwoordig gaat het in de kranten vaker over economie.

Ik heb dat al eens eerder meegemaakt. In 1987, na Black Monday. Opeens was er een beurscrisis geweest en in de kranten werd economie belangrijk. Dat ebde weer weg.

Waarheen?

Medium opheffer 20 2012 economie ethiek

Naar ethische problemen. Dat werd geformuleerd in zinnen als: hoe nemen we onze verantwoordelijkheid in oorlogsgebieden, in landen waar grote honger heerst, in landen waar zich veel vluchtelingen bevinden die naar ons land willen komen. Hoogtepunt, althans voor mij, was de discussie die werd gevoerd na de Eerste Golfoorlog. Amerika wilde naar Irak. Dat zou een tweede Vietnam worden. Daar hadden de Amerikanen niets te zoeken gehad, dus in Irak ook niet. Vervolgens kregen we 9/11 en de war on terror – en de kranten stonden vol met ethische problemen. Wie was goed en wie was fout.

Maar toen kwam er die mondiale financiële crisis in 2008.

Nog steeds merk je dat ethische vragen (wie is schuld aan de crisis) daarin de boventoon voeren, maar ethiek legt het af tegen economische wetmatigheden.

We moeten Griekenland redden, want zij zijn een Europees broedervolk.

We moeten Griekenland niet redden, want zij hebben de boel besodemieterd.

De Grieken niet helpen is onethisch, kijk eens naar de enorme armoede die er daar al is.

De Grieken helpen bevordert de corruptie waar het land van is vergeven.

Wel helpen of niet helpen?

Na de moord op Van Gogh dacht ik er goed aan te doen mee te werken aan debatten over onze samenleving. Ik knipte artikelen uit over de islam en vrijheid van meningsuiting, maar hield daar op een gegeven moment mee op. Voort­durend werd er met de morele maat gemeten – ik deed daar ook aan mee – maar die maat bestaat niet. Opvattingen laten zich niet meten. Hoe vaak heb ik destijds niet gehoord: ‘Vrijheid van meningsuiting is natuurlijk heel goed, maar die mag niet worden gebruikt om mensen of een God te beledigen.’

Praten over ethische problemen is leuk maar zinloos. Niemand verandert van mening. Men zoekt gelijkgestemdheid rond een institutie als ‘krant’ of ‘politieke partij’ of ‘geloof’ – en als men bij die gezellige familie zit, blijft men zitten. Wilders is slecht, want hij is een racist omdat hij islamieten buiten- of uitsluit, want hij zegt kopvoddentaks en hij is tegen de islam.

Ethiek. Een meldpunt voor MOE-landen. Ethiek.

Natuurlijk, het is belangrijk hoe mensen oordelen, maar constant alleen maar oordelen staat een goede analyse in de weg. Misschien heeft Wilders wel gelijk, misschien ook niet. Maar een gelijk gebaseerd op ethiek is nooit aantoonbaar waar of niet waar.

Ethiek, esthetiek en wetenschap staan los van elkaar. En het gaat mis als je die gaat mengen. Dat Wilders niet deugt omdat hij zijn haar blondeert, is grappig om te zeggen, maar is geen analyse.

Als student uit de jaren zeventig heb ik nog steeds last van een linkse reflex. Maar die reflex geeft me weliswaar een oordeel over de zaken, maar – nogmaals – vertelt me niet hoe een en ander in elkaar steekt. Wij consumenten zijn daar ook schuld aan. In mijn (intellectuele) vriendenkring kan niemand mij uitleggen hoe het precies zit met swaps en derivatenhandel, terwijl alle kranten hieraan aandacht hebben besteed. Wel vinden we het allemaal schandelijk wat er met wooncoöperatie Vestia is gebeurd.

Waarom we ons aan die drie procent moeten houden die Europa heeft vastgelegd, kan in mijn omgeving alleen uitgelegd worden door de economen, terwijl iedereen er wel een oordeel over heeft. Staatsobligaties, idem dito. Niemand wist waarom Nederland geld moest lenen, ‘terwijl we al zoveel belasting betalen’.

‘Nee, voor de rijken moeten de belastingen juist hoger.’

‘Waarom dan niet meer geld lenen?’

We gingen weer snel over naar Wilders en Mark Rutte, die konden we begrijpen.