Zomerlezen: De mannenleeslijst (8)

De morele remmen gaan los

In een schrijfroes van enkele maanden schreef Simon Vestdijk Op afbetaling (1952), een geestig en krankzinnig boek over de immorele gedachtewereld van een rancuneuze man.

Simon Vestdijk Bilthoven, 1936 © Literatuur Museum

Een advocaat komt wat vroeger thuis van zijn werk en treft zijn vrouw Olga aan, op de divan, onder zijn chef, de Heer Grewestein, duidelijk bezig met de daad. Klassieke angstscène van de eeuwig bezitterige heteroseksuele man. Ook uitgangspunt van vele kluchtige vaudeville-voorstellingen. Verzet ze zich wel genoeg?

Vestdijk schepte er een waar genoegen in om vooral de mannelijke lezer (en zichzelf) met deze startscène, met deze hele roman kun je rustig zeggen, eens stevig de stuipen op het lijf te jagen. Lust en onlust, vernedering en verlangen, wraak en macht, alles dwars door elkaar. ‘Deze machine van donkere stof hijgde – niet kortademig, als bij een finish, maar breed en machtig, bijna bescheiden, ja complimenteus. Zij hijgde niet.’ De denkwereld van deze advocaat wordt in de rest van de roman krachtig in het zonnetje gezet. Geroosterd, zeg maar. Met nadruk op de banaliteit van dit alles. De mythologie van het banale, direct al de kern van Vestdijks schrijverschap in het begin van deze hoogst bizarre roman.

De advocaat, hij heet Grond (!) kijkt en luistert, hij zwelgt in passiviteit en zelfkwelling. ‘Hoe zou hij worstelen om onder die man vandaan te komen.’ Hij leeft zich in, maar tegelijk voelt hij ook ‘toestormend leedvermaak’. Kijk ze daar eens worstelen. En schrik natuurlijk. ‘Wat moet ik doen – ’ ‘Volgens alle principes…’ De drie puntjes vult Vestdijk niet in, maar de lezer weet genoeg. Volgens alle principes moet hij het nu op een schreeuwen zetten, zijn chef de deur uit ranselen, en zijn vrouw op water en brood zetten. En daarna vermoorden. Zo gaat het in de gemiddelde boekjes over ontrouw. Maar zo’n schrijver is Vestdijk niet, hij kijkt wel mooi uit, hij laat de advocaat stil het huis verlaten en zich overgeven aan verwarrende gedachten, die uiteenlopen van zie-je-wel en hij-doet-het-vast-beter-dan-ik, tot merkwaardig genoeg ook opluchting. Opluchting dat hij vanaf nu niet meer bang hoeft te zijn voor overspel. ‘Al vast had hij, gratis, déze vrijheid verworven: dat hij (…) nooit meer voor overspel bang hoefde te zijn’ (cursivering van Vestdijk). Want die angst was nu achter de rug, hè hè, gelukkig maar.
,
Gronds passiviteit slaat in de rest van de roman, daar kon je op wachten, om in alles overwoekerende wraakzucht die hij zelf ontkent, en waarvan zo ongeveer iedereen het slachtoffer wordt. Ook hijzelf. Plus moord, ja, dat ook, uiteindelijk slaat hij zijn chef de hersens in, hij komt ermee weg. Dit alles opgediend in uiterst merkwaardige, schandelijke, vaak geestige en soms zelfs racistische en doortrapte bespiegelingen over het samenleven van mannen en vrouwen. Hun blikken naar elkaar, de jeugd, de aantrekking en de weerzin, de intimiteit, het geluk, dat ook, de stiltes, plus de banaliteit van een huis, een straat, een kantoor. Kortom, de wereld zelf krijgt in dit boek een plaats. Vestdijk geeft zijn ‘held’ de hele roman ruim baan om van alles en nog wat denken. Over lust, onlust, vrouwelijke lust, mannelijke impotentie, weerzin, geilheid. Alles om Gronds lust in stand te houden.

Vestdijk is, zoals altijd in zijn beste romans, de circusdirecteur die de lezer acts over menselijk gedrag, wanhoop, lust en verlangen voorzet en vervolgens de piste verlaat. Hoe denk jij als lezer erover? Lees maar goed. Wel erg hè? Geen smoesjes verzinnen, hoor! Dat jij niet zo bent, dat jij veel zuiverder denkt en doet. Deze roman las ik als twintigjarige jongen voor het eerst. Ik begreep er destijds niets van, merkte ik tijdens mijn herlezing. Hoe onnozel kun je zijn.

Advocaat Grond besluit dus niets te doen of te zeggen, hij verlaat het huis, gaat de straat op, bestelt bij een passerende bloemenkoopman de hele kar verlepte bloemen en laat die bij zijn vrouw bezorgen. Ach, ach, ach. En de rest van de roman zitten we dus opgesloten in de pijnlijke, buitengewoon egocentrische, kleinzielige en soms ineens ook uiterst inlevende, geestige en glasheldere immorele gedachtewereld van deze rancuneuze man. Misschien ben ik het wel.

Ik zie Vestdijk glimlachend en handenwringend voor me. Verontrustend vilein

Hij is de reflectie zelve, altijd op zoek naar rationalisaties, en dus ook naar de verwezenlijking van zijn lust. Houdt Olga nog wel van hem? Hij denkt te pas en te onpas absoluut niet rancuneus te zijn, maar duwt zijn vrouw ondertussen wel per ongeluk expres van een trapje af, waardoor ze voorgoed mank is. Vlak voor zijn orgasmen, ja, het vrijen gaat gewoon door, krijgt hij ineens pijn, echt of niet, dus gaat hij op advies van een psychiater die hij niets vertelt over het ‘overspel’ van zijn vrouw, ‘oefenen’ bij hoeren. Later gaat het bij zijn vrouw ook wat beter, zij is steeds erg bezorgd of hij geen pijn heeft. Ach, ach, ach. Hij probeert een vriend te redden die gechanteerd wordt met zijn homoseksualiteit en speelt als advocaat van kwade zaken een steeds grotere rol in een bordeel. Kortom, de morele remmen gaan langzamerhand los.

Een en al zelfkwelling is deze figuur: alles goedpraten, zichzelf verlagen, zijn vrouw haten, maar ook liefhebben, daarna weer haten. En toch liefhebben. Of niet? Zijn chef willen vermorzelen, zonder dat aan zichzelf toe te geven. En het nog doen ook. Nooit iets zeggen over wat hem drijft. De zwijgende, maar wel tot in het absurde doordenkende man op weg naar huis, kantoor en bordeel. Wat een figuur beschrijft Vestdijk, zo erg kan het bij mij toch niet zijn, of, wacht even…

Alles laat Vestdijk zien, de wraakzucht, de wanhoop, de vergiffenis maar niet heus, de woede, maar ook de krankzinnige details van een mannenblik die alles ziet en hoort in het licht van zijn eigen lustbeleving. De barsten in de spiegel in de gang, het jasje van het zoontje aan de kapstok, de vormeloze gesprekken met psychiaters en vrienden, de pogingen overal van af te komen. Wat een plezier moet hij tijdens het schrijven van dit krankzinnige wraakboek hebben gehad. Ik zal ze wel krijgen, al die mannen met hun lustdwang en hun mooie praatjes. Op weg naar hun ondergang. Hij schreef over de roman een treffend briefje aan een vriendin: ‘Gelukkig heb ik een roman achter de rug die op zeer naargeestige wijze de jaloezie behandelt.’ En even verderop: ‘Het schrijven was een hoog genot (…)’.

Hij had er best bij mogen zetten dat het ook een uiterst geestig boek werd, hoe vals en doortrapt ook. Hij schreef het in een paar maanden in een roes van schrijven: zonder schema, zonder onderzoek (ja, wel zelfonderzoek), achter elkaar doorschrijven maar. Zijn neus en zijn pik achterna. Ik zie hem glimlachend en handenwringend voor me. Dit alles geschreven in het hogeschoolproza waarop hij het patent had. Verontrustend vilein. En wat een aardige vrouw maakt hij van Olga, die niet weet waarom ze ineens toegeeft aan een vreemde bevlieging nadat die totaal abjecte chef zich ineens voor haar begint te ontbloten. Vestdijk geeft een ontroerend inkijkje in haar denkwereld en dan is hij toch ook een innemende schrijver, geen fileerder, hij probeert zich de vrouwenblik binnen te schrijven. Ze bepeinst haar lust en wellust, de verwarringen daarover, haar gevoel voor Grond, dat haar nooit heeft verlaten. Haar gebrek aan rancune en verbittering. ‘Maar de mannen begrepen er niets van. Ze konden er ook niets aan doen, ze waren grof, wat wisten ze van een vrouw?’ Even verderop overdenkt ze de overweldiging van Grewestein. De fascinatie en het roofzuchtige. ‘(…) en dan opeens dat andere, dat nergens bij hoorde, zelfs niet bij een roofdierenwereld. Iets geheel voor zichzelf. En naar deze waanzinnige, scherp prikkelende, ook ontroerende tegenstelling had zij verlangd sedert haar meisjestijd.’ Een bevlieging was het bij haar, niets meer: ‘(…) de vlam was al in haar, zij was al overwonnen’. Eens maar nooit meer, dat staat vast. ‘Van de rest herinnerde zij zich weinig meer.’

Maar de rest is niet bepaald silence in deze roman. Grond begint een verhouding met Mien, een prostituee in het bordeel annex antiquariaat waar hij juridisch bij betrokken is. Weer zet Vestdijk ons zo’n typische mannendroom voor uit de mannenmythologie: de droom om een verhouding met een prostituee te beginnen teneinde haar van de ondergang te redden. De man als redder. Ach, ach, ach. Alles om de rancuneuze zelfkwelling van Grond flink in het zonnetje te zetten. Hij ‘slaat met haar om’, zoals Vestdijk het noemt, hij bedoelt dat Grond met Mien neukt, zo plat is het allemaal wel in deze roman, maar dat woord krijgt hij er niet uit. En dit geeft hem de gelegenheid een heel ander vrouwbeeld voor te toveren dan dat van de lieve en aardige Olga, die nietsvermoedend in de klauwen van haar rancuneuze man verstrikt raakt. Mien spreekt in een soort plat Amsterdams, ze is laag bij de gronds (!), dik, stuitend, maar ze ‘slaat’ enorm goed ‘om’. Vestdijk geeft af en toe een fraai staaltje van haar orgastische kreten: ‘(…) rauwe vloeken, sterk als adellijk wild’, mysterieuze krachttermen: ‘Gods Christus… vermoord me maar, moeder, moeder, hij slaat me in het hart… Jezes… maak me maar dood…’ De roman krijgt nu af en toe verregaand groteske vormen.

Het gaat in de loop der jaren langzaam allemaal de afgrond in, de gedachtewereld van Grond overspoelt al zijn denken en doen. Nooit spreken Olga en hij zich uit over wat gebeurde. Grewestein is dood, Mien verhuisd. Daar zitten ze bij elkaar. In de slotscène ruimt Olga de koffiekopjes op. ‘Ik ben klaar’, zegt ze. ‘Dat klokkend stemgeluid, dat zou altijd wel tot zijn verbeelding blijven spreken. Hij draaide zich om, en omvatte haar heupen met de blik van een drenkeling, die zojuist ontdekt heeft, dat men ook onder water leven kan, ontberende het groen der wereld en het blauw van de hemel. “Ik ook”, zei hij zwaar.’