Gelovigen uit de Fatih-moskee laten zich niet provoceren

De moskee is van hen

Na maandenlang timmeren is de verbouwing van de Fatih-moskee in de Amsterdamse Jordaan bijna voltooid. De Turkse moskeegangers hopen op meer contact met de buurt, maar dat blijkt lastig. ‘Mensen kijken soms naar ons alsof we net uit de grotten komen.’

VANMIDDAG KOMT de tapijtlegger en dan moet de ondervloer klaar zijn. Ze zijn er sinds vrijdagavond mee bezig. Tot diep in de nacht. Eigenlijk kan Yasar Tas niet meer. Al een half jaar leidt de voorzitter de verbouwing van zijn moskee. Vaak moet hij ook zelf klussen. Hij recht zijn rug, zijn grijze haar zit onder het gruis, zelfs in zijn borstelige snor hangt zaagsel en zijn gestreepte donkerblauwe trui ziet er net zo beduimeld uit als hij zich voelt. Hij loopt gelaten naar een nieuwe stapel planken en pakt zijn zaag weer op. Hij wil de moskee mooi maken en goed achterlaten voor de volgende generatie. Dat houdt hem op de been.
Mehmet heeft zijn achtjarige zoontje net naar de les beneden gebracht. Hij blijft even bij de ingang van de gebedsruimte kijken naar de klussers. Hij is blij dat het tapijt eindelijk wordt gelegd. Hij hoopt dat het af is voor het Offerfeest. Een half jaar geleden nog stonden overal emmers in de moskee, in de gang, de toiletten, de wasruimte en zelfs in de grote gebedsruimte. De muren vertoonden scheuren, een schimmellucht hing in de kelder. Onzichtbaarder waren de problemen boven op zolder. Het dak lekte, de houten balken waren verrot, het torentje viel naar beneden. Mehmet schaamde zich ervoor, zo erg was het. Als het klaar is, hoopt hij dat de moskee een plek wordt waar ook andere mensen komen. Hij wil laten zien wie ze zijn, dat niemand bang voor ze hoeft te zijn. Dat is wat hij wil bereiken.

DE FATIH-MOSKEE aan de Rozengracht in de Amsterdamse Jordaan is de grootste Turkse moskee in de stad en ook de oudste. Het was ooit een rooms-katholieke kerk, de Sint-Ignatius, gebouwd in de jaren twintig van de vorige eeuw. De paters jezuïeten bedienden hier eerst nog zo'n zeshonderd gelovigen, maar in 1971 klonk het laatste rooms-katholieke gebed met slechts nog een handjevol mensen in de kerkbanken. Daarna fungeerde het monumentale gebouw als tapijt- en muziekhal. Tien jaar later, in 1981, vond in de grote ruimte weer een gebed plaats, maar nu van moslims. Volgend jaar viert de moskee het dertigjarig jubileum.
‘We vonden in 1977 eerst in een zijstraat van de Kalverstraat een plek’, vertelt Yasar Tas. Hij zit aan een van de tafels in de ruimte voor ouderen, die met een glazen wand is gescheiden van de hal. Tas was zestien jaar toen hij met zijn moeder naar Nederland kwam. Zijn vader werkte hier al. Hij lacht. Het liep al snel anders dan gepland en zijn ouders moesten terug naar Turkije. Hij bleef alleen achter. Hij redde het met steun van de vrienden van zijn vader. En door de moskee. 'Er was nog niets voor moslims, wij waren de eersten.’
In 1981 kocht de moskeevereniging dit oude kerkgebouw met ingezameld geld. De kerk moest worden aangepast: de hoofdingang aan de Rozengracht moest dicht, want die lag precies richting het oosten - daar kwam de mihrab, de gebedsnis. Een kleine, gewone deur naast het gebouw is sindsdien de hoofdingang. In het najaar van 1981 verscheen een hoogwerker in de Rozengracht. Mannen kropen vanaf de zolder op het dak. Eerst verwijderden ze de kruizen van de torens, toen die van de punt op het dak. De hoogwerker reikte over de huizen heen, aan de arm bungelden drie glimmende koperen halve manen aan een draad. De mannen bevestigden er één op het dak en één op elke van de torens. Ze schitterden, bijna triomfantelijk, in de zon.
Later, in 1987 besloot het bestuur de moskee aan te sluiten bij Diyanet, het Turkse presidium voor religieuze zaken, een staatsorgaan dat direct onder de Turkse regering valt. Het directoraat is ooit opgericht door Atatürk om zo een optimale controle over religie te houden. Diyanet leidt imams op en betaalt hun salarissen. Het vertegenwoordigt een soennitische islam met een gematigd, conservatief karakter. Eén procent van het bruto nationaal product van Turkije gaat erheen. En daarmee betalen de Turken ook de imams in Europa.
Sinds 1983 heeft Diyanet in Den Haag een eigen afdeling onder de naam Islamitische Stichting Nederland (isn). In het hoofdkantoor hangt een kaart van Nederland, 143 rondjes staan erop geplakt, van Delfzijl tot Vlissingen en van Den Helder tot Maastricht; elk rondje is een aangesloten moskee. De rest van de tweehonderd Turkse moskeeën zijn of van Milli Görüs of van Suleymanci - concurrentie voor Diyanet die in Turkije zelf niet bestaat. De isn is gelieerd aan de Turkse ambassade. 'Maar we bemoeien ons niet met politiek’, beklemtoont Bülent Senay, het Turkse hoofd van Diyanet Nederland en supervisor van de hier gestationeerde imams. 'Dat is bij wet gescheiden. We bieden een religieuze service. Het is in feite een dienst die de Turkse staat verleent. Wat zou er gebeuren als we er niet waren?’
'Laat je niet provoceren’, zo luidde de boodschap die Senay aan alle bij Diyanet aangesloten moskeeën stuurde naar aanleiding van de opkomst van Wilders en de algemene 'islamofobie’. 'Natuurlijk moeten we ook kijken naar onszelf: waar deden we het fout?’, vervolgt hij. Misschien lag er te weinig nadruk op educatie en misschien is de houding ten opzichte van de Nederlandse cultuur te gesloten geweest. 'Maar wat er nu gebeurt, is cultureel terrorisme tegen moslims.’ Hij denkt dat ze meer moeten laten zien wie ze zijn, wat hun cultuur is, hun kunst. 'De islam gaat over zorg voor de mensen om je heen. Over het leven, over geluk.’
De keuze van de Fatih-moskee voor Diyanet was enerzijds praktisch: de moskee krijgt gratis een goed opgeleide imam, Diyanet regelt reizen voor de bedevaart - dit jaar trekken 993 Nederlandse gelovigen van Diyanet naar Mekka -, een uitvaartverzekering, en de stichting organiseert voetbaltoernooien. In de Fatih-moskee prijken de gewonnen bekers als trofeeën op een rand in de gebedsruimte. Maar de laatste jaren hebben de moskeegangers niets meer gewonnen. Er is te weinig animo onder de jongeren om in hun elftal te spelen.
'Het voordeel van Diyanet is ook dat we nu bij een grote stichting horen’, vervolgt de voorzitter. 'Als wij dood zijn, gaat het gewoon door.’ Yasar Tas is nu 47 jaar, zit al vanaf 1985 in het bestuur en is sinds 2007 voorzitter. De vereniging telt tweehonderdvijftig leden, op vrijdagen komen hier zo'n vijfhonderd mannen bidden, met feestdagen wel negenhonderd. Zijn angst was dat alles wat zij, de mannen van het eerste uur, hadden opgebouwd, zou verdwijnen. Zijn leven zit in deze moskee. Hij werkt ook nog op Schiphol, waar hij vrachtvliegtuigen in- en uitlaadt, maar leidt nu de verbouwing van meer dan twee miljoen euro. Hij zucht en lacht tegelijk. Hij kan nu de hele straat wel verbouwen. Dat is niets vergeleken met wat ze hier hebben moeten doen.
Mehmet Yamali (35) loopt druk rond. Door zijn rechthoekige Calvin Klein-bril met zwart montuur valt zijn bleke gezicht des te meer op. Het is Eerste Pinksterdag en de moskee doet mee met de Open Ateliers in de Jordaan, werken van kunstenaars uit de buurt hangen in de moskee. Mehmet is groot voorstander van dit soort activiteiten. Hij wil meer contact met de buurt, met niet-moslims, christenen, joden, iedereen is welkom. Zo hoort een moskee te zijn, vindt hij. Daarom geniet hij van deze dag, maar hij is ook zenuwachtig. Buiten bij de deur wapperen de Turkse en de Nederlandse vlag. Onwennig stappen de eerste buurtbewoners over de drempel. Ze lopen door de lange, smalle gang naar achteren, onder een lichtgang door waar de ranken van een druif hangen, ze werpen een blik naar rechts, naar de ingang van de grote gebedsruimte en schuifelen daarna door naar de kelder. Turkse cembalomuziek en zoete bakluchten komen hen tegemoet.
Zeynep Tas (20) staat achter een tafel vol zelfgebakken baklava, börek, naast haar bakken twee vrouwen gözleme, linzensoep staat klaar. Zeynep, sinds twee jaar voorzitter van zowel de jongeren- als de vrouwenvereniging, heeft met de vrouwen een kermes georganiseerd om geld in te zamelen voor de verbouwing die volgende week begint. 'Het is lang niet zo druk geweest hier’, roept ze opgetogen.
Zodra Mehmet nieuwe mensen ziet binnenkomen, vraagt hij of ze een rondleiding willen. Dan loopt hij met het groepje naar de gebedsruimte, schoenen uit, wijst naar de mihrab, de glimmende blauwgroene tegels, de preekstoel ernaast, de hoge glas-in-loodramen. Nu nog ligt er een crèmekleurig tapijt maar dat gaat allemaal veranderen na de verbouwing. En ja, de vrouwen zitten achterin, op de plek waar voorheen het kerkkoor stond. Ja, apart. Dat is onze gewoonte. Hij wordt er soms een beetje moe van, mensen zijn altijd verontwaardigd. 'Wij zien vrouwen en mannen als gelijken. Maar we zijn wel anders’, vertelt hij dan telkens weer. 'Vrouwen vinden het zelf ook fijn om apart te bidden.’
Mehmet zucht heel even als hij weer terug is en een kopje thee in de drukke kelder komt drinken: 'Mensen kijken soms naar ons alsof we net uit de grotten komen. Maar we zijn heel gewoon. Zo leven we.’

OP 9 JUNI, de dag dat ze in de moskee beginnen met slopen, wordt de pvv de derde partij tijdens de Tweede-Kamerverkiezingen met 24 zetels. Sindsdien lopen de gelovigen van de Fatih-moskee op eieren. De oudere generatie reageert gelaten, ze voelen zich altijd al meer een buitenstaander, maar de jongeren zijn anders. Zij zijn niet alleen Nederlanders, maar voelen zich ook zo. Zij zijn gekwetst, bang, feller en zoeken naar een oplossing.
Mehmet loopt, in een grijs jasje, een slobberende dunne trui en spijkerbroek door de lange gang, kleine druiventrossen hangen in de ranken. Cementzakken liggen opgestapeld in de hal, de tegels zijn van de muur gebikt, fijn stof dwarrelt in de lucht. Het is vandaag dinsdag 31 augustus, een bijzondere dag. Het nieuwe tapijt is aangekomen uit Turkije. Mehmet doet de deur open. Megarollen tapijt in plastic verpakt liggen op de betonnen vloer. Eén rol is uitgerold. Het is een dieprood wollen tapijt met in de breedte van de moskee blauwe stroken. Hij is even stil. Het was heel moeilijk te beslissen. Ze hebben op internet in 3D gekeken hoe het zou worden, of het paste bij de rode bakstenen van de muren, bij de zwarte zuilen die de booggewelven ondersteunen, bij de tegels. De ouderen wilden eigenlijk een traditioneel tapijt met bidhokjes. 'De jongeren vinden het juist mooi als je dicht bij elkaar kunt staan, schouder aan schouder’, zegt Mehmet. Dat kan niet met hokjes. 'Wij hebben gewonnen.’ Hij glimlacht - lachen doet de serieuze Mehmet zelden.
Nu is het wachten op de tapijtlegger; die moet uit Turkije komen, uit de fabriek. Mehmet had gehoopt dat het voor de ramadan af zou zijn maar die is al twee weken geleden begonnen.
Voor de washokken gaan we een smalle trap op. Boven in een kamer wijst Mehmet naar de tafel. Hij neemt het interview serieus. Het gaat erom hoe zij, de moslims, overkomen. Daar is hij, Mehmet, nu verantwoordelijk voor. In Den Haag praten de vvd, het cda en de pvv over het regeer- en gedoogakkoord. Mehmet schudt zijn hoofd. 'Ik weet nog niet wat zij met de moslims gaan doen’, begint hij weifelend. Hij kan Nederland wel begrijpen, dat ze genoeg hebben van criminelen en jongeren die vervelend zijn. 'Maar los het probleem dan op’, mompelt hij zachtjes. 'Het grootste deel van de moslims wil gewoon leven.’ Hij kijkt rustig voor zich uit, zijn Calvin Klein-bril drukt hij verder op zijn neus. 'Maak ons dan niet zo bang.’
Toen Mehmet een jaar oud was, vertrokken zijn ouders naar Nederland. Hij voelt zich meer Nederlander dan Turk. Zijn vader ging werken bij de Maggi-fabriek. Hij moest grote brokken zout sjouwen, daaraan is hij volgens Mehmet uiteindelijk gestorven; het zout had zijn longen aangetast. Als kind zat Mehmet op de christelijke Juliana-school in West. Hij las de bijbel en vond het mooi. Heel vaak keek hij omhoog, naar de hemel, op zoek naar God, de man met de lange witte baard. Als moslim doet hij dat niet meer. God heeft geen beeltenis volgens de koran. God is meer een begrip. Boven de mihrab in de moskee is alleen zijn naam ingemetseld met donkere bakstenen. Wat hem echt pijn doet is dat er zo negatief wordt gesproken over de islam: 'Je moet het ook in zijn tijd zien. Het is een cultuur van ruim veertienhonderd jaar oud, daar worden dan drie, vier punten uitgehaald om de islam in een slecht daglicht te stellen.’
Een paar jaar geleden vroeg het bestuur hem in de moskee te helpen. Hij heeft een auto-immuunziekte en is arbeidsongeschikt, maar zo kan hij zich nuttig maken. Sindsdien komt hij vrijwel dagelijks. Hij is de regelaar, adviseur, sociaal raadsman voor iedereen die hem nodig heeft: 'We zijn meer dan alleen een moskee, ook een buurthuis. In Turkije is dat anders, daar is een moskee alleen voor het gebed. Wij zorgen voor onze gemeenschap.’ Hij wil dingen veranderen: 'We zijn al twee keer naar de kerk geweest, naar een preek van Huub Oosterhuis. De moskee heeft open dagen, we hebben een theaterstuk gehad, meegedaan aan twee universitaire onderzoeken over moskeeën. We hebben niets te verbergen. Iedereen mag altijd binnenlopen.’
Op straat, met aan de ene kant Mercan, de baklavawinkel en aan de andere kant Grillroom, de döner-kebabzaak, is het hier net klein-Turkije aan de Rozengracht. Mehmet blijft nog even staan. De moskee moet niet meer een plaats zijn voor één nationaliteit. Hij wil dat over tien jaar Turken, Nederlanders, Marokkanen, Surinamers samen in de moskee zitten. 'De een zegt “ik ga even bidden”, de ander drinkt nog een kopje thee. Daarna gaan ze weer verder babbelen. Zo hoort het te zijn. Elke moskee in Nederland moet zo worden’, vindt hij. 'Uit onderzoek is gebleken dat moslimhaat daalt nadat mensen met elkaar hebben gepraat.’ Misschien lopen ze voorop in de Fatih. Niet omdat ze zo veel vrijer zijn wat interpretatie van de islam aangaat, maar omdat het bestuur er veel tijd in steekt. 'Als je fulltime werkt, is het moeilijk bruggetjes bouwen. Het is simpel’, zegt Mehmet ten afscheid. 'Je hebt moskeeën en je hebt de Fatih-moskee.’
Zeynep wil laten zien dat moslims wel wat kunnen, dat er moslims zijn die goede dingen doen. Ze studeert pedagogiek aan de Hogeschool van Amsterdam, in januari gaat ze zich specialiseren in de orthopedagogiek. Ze wil graag met gehandicapte kinderen werken, jongeren die het moeilijk hebben verder helpen: 'Ik wil iets bereiken. Ik begon met vmbo, versneld, en zo ben ik opgeklommen naar het hbo. Hierna wil ik mijn master gaan doen. Nu ben ik verder dan mijn broers, die rijden taxi.’
Ze zit aan een lange tafel in de ruimte voor jongeren, rechtop in een lange rok, met een rode blouse, een rode tas en een bijpassende hoofddoek. Al vanaf haar vijfde komt ze met haar vader mee naar de moskee. Ze deed hem na tijdens het bidden, rende rond in de gebedsruimte, gilde zo hard dat er een echo klonk, net zoals ook nu kinderen weer doen. Het was al jaren haar doel om ook voorzitter te worden: 'Ik wilde activiteiten organiseren, helpen met problemen op school. Voor jongens was er al wel iets, maar voor meisjes niet veel. Ook was er geen vrouwenvereniging. Het bestuur wilde graag dat de dames actiever werden in de moskee. Op mijn twaalfde dacht ik al: laat me snel achttien worden, dan wil ik het doen. En dat deed ik.’
Als meisje was ze anders, ze voetbalde de hele dag en was zo goed dat de jongens haar altijd uitkozen. Ook vocht ze vaak op school. Maar toen ze naar de middelbare school ging, was het afgelopen. Dat had ze besloten. Ze deed een hoofddoek om, mooie kleren aan en was vanaf dat moment een dame. Haar moeder vond dat ze haar hoofddoek later moest dragen, maar zo wilde zij het. 'Ik ben iemand die niet kan leven zonder geloof. Ik wilde me aan de regels houden.’
Vorig jaar was ze van plan te stoppen met haar voorzitterschap van de jongerenvereniging, maar ze kan de Fatih-moskee niet loslaten. Ze zegt altijd: 'Ik deed mijn ogen open en zag de Fatih-moskee.’ Als ze de moskee in gaat, krijgt ze een tintelend gevoel. Dat heeft ze niet als ze in haar eigen buurt, in Osdorp, naar de moskee gaat. Ze zit op een school met veel blanken. Zelf is ze ook Nederlander, daarom zegt ze blanken. Ze is geen Turk. In Turkije voelt ze zich niet thuis, haar gedachten zijn anders. Haar bruine ogen glimmen onder haar felgekleurde hoofddoek. 'Ik hoor hier, ik houd van Amsterdam, dat is mijn stad en dit is mijn plekje. Deze moskee is mijn tweede huis.’
Toen Zeynep terug van vakantie kwam deze zomer, was ze geschrokken. Ze dacht bij elke blanke die ze zag: 'Wat zou die gestemd hebben?’ Ze dacht er veel over na. 'We moeten laten zien dat we het goed hebben met elkaar, we zijn mensen, blank of niet. Daarom wil ik ook dat jongeren naar de moskee komen. We moeten ons gedragen als goede moslims.’
De ramadan is bijna halverwege, over een paar dagen is het de dag dat het eerste vers van de koran werd geopenbaard. Dan wordt het heel druk en moet het tapijt er liggen. Maar de tapijtlegger komt ook nu niet en ze besluiten het zelf te doen. Drie dagen en nachten rollen de moskeegangers de tapijten uit, het is zwaar werk, een rol weegt 275 kilo. Alles is beter dan het beton. Precies op tijd voor de iftar en het gebed zijn ze klaar. Mehmet, zelf fysiek te zwak om mee te helpen, vindt het nu meer een moskee geworden: 'Toen ik binnenkwam, wilde ik op de grond gaan liggen, op mijn rug. Zo mooi vond ik het.’

WOENSDAG 3 NOVEMBER. De imam van de Fatih-moskee zit in het kantoortje achter een bureau, koranboeken achter hem in de kast, de letters goudglimmend, stapels papieren op zijn bureau, naast een oude computer. Hij, Mehmet Yürek (36), Turks, wordt betaald door de Turkse overheid en is in dienst van Diyanet. Het is een vriendelijk ogende man, die zich lenig door de moskee beweegt. Hij draagt een zwarte trui, een grijs colbertje erover. Hij is nu bijna vier jaar hier, in 2012 moet hij volgens de Diyanet-regels terug naar Turkije. Hij kijkt op zijn horloge, over een uur gaat hij naar het ouderspreekuur op de montessorischool van zijn dochter en zoon.
De imam had voordat hij naar Nederland kwam gedacht dat hij een gemeenschap aan zou treffen die snakte naar informatie over het geloof en de cultuur. Eenmaal hier was hij teleurgesteld. Mensen hadden eigenlijk weinig interesse. Hij zit daar nog steeds mee. De geboden van het geloof worden ook minder uitgevoerd. Hij snapt dat wel. Het leven buiten de moskee is heel anders, het is minder makkelijk om je aan de regels te houden als moslim. 'Ik zie bijvoorbeeld dat veel Turkse Nederlanders om kleine dingen al uit elkaar gaan. Dat is niet doordacht. In Turkije trouw je met één persoon, hier trouwen ze, scheiden en hertrouwen weer.’ De geloofsbelijdenis vermindert, dat is wat hij ziet, het zwakt af: 'Men heeft daarover niet voldoende informatie, het wordt een andere cultuur. Jongeren doen hun gebeden niet goed, ze vasten minder, gaan soms naar het vrijdaggebed.’
Het hoort natuurlijk bij zijn functie, het geloof uitleggen, informatie geven, maar het is een keuze. Alleen zij die willen kan hij bereiken, hij is geen missionaris die op pad gaat. Dus hij wacht af wie er komen. 'Ik ben bereikbaar voor mensen die het willen weten.’
De imam heeft een lange theologische opleiding achter de rug: als jongen leerde hij de koran, daarna zat hij zes jaar op de Imam Hatipschool, ging hij vijf jaar naar de theologische faculteit, toen deed hij nog een driejarige opleiding tot moefti, het hoofd van imams in een bepaalde regio. Na zijn opleiding deed hij een aanvraag om naar Europa te gaan. Hij was nieuwsgierig. Een land met een andere religie, hoe is de cultuur en hoe leven moslims daar? Van de 120.000 imams die voor Diyanet werken in Turkije worden er hooguit twee- tot driehonderd per jaar uitgezonden naar Europa, de Verenigde Staten, Canada, Australië, Kosovo, Wit-Rusland, Oekraïne of een van de andere voormalige sovjetrepublieken. 'Het is een kans zoiets te doen’, legt hij gedreven uit.
Toen bekend werd dat hij naar Nederland ging, moest hij vijf examens afleggen, daarna tweeënhalve maand naar Rotterdam, en werd hij een maand lang in Ankara voorbereid op de denkwijze van de Turkse moskeegangers in Europa. Zo leerde hij dat de Nederlandse Turken veel praten, dat ze denken dat ze alles al weten en dat ze de imam minder respecteren dan mensen in Turkije. Ze denken hier gelijker, dat heeft hij ook gemerkt.
'Het lijkt misschien voor de buitenwereld dat de Turkse regering invloed kan hebben op onze preken bijvoorbeeld, maar dat is niet zo’, vervolgt de imam plotseling. 'In Turkije is in de grondwet bepaald dat politiek leiders zich niet met religie bemoeien en de religieuze leiders zich niet met politiek. Het is een eigen systeem.’
In de jaren tachtig was Nederland heel blij met de gecontroleerde imams uit Turkije, herinnert Thijl Sunier, hoogleraar islam in Europese samenlevingen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, zich. Nu wordt het als probleem gezien. Sunier werkte in opdracht van het ministerie van Buitenlandse Zaken mee aan een onderzoek naar Diyanet, zowel in Turkije als naar de relatie met Nederland. Eind deze maand worden de resultaten officieel bekendgemaakt. 'Uit ons onderzoek blijkt niets van directe beïnvloeding van de politiek op Diyanet.’
Formeel is de Fatih-moskee aan de Rozengracht weliswaar verbonden, via het hoofdkantoor in Den Haag, met het directoraat godsdienstzaken in Ankara, zegt Sunier. Maar de praktijk is dat de verhoudingen worden bepaald door de gemeenschap zelf, door de moslims van de Fatih-moskee. De moskee is van hen, de imam komt en gaat. 'Er is nog nooit een moment geweest dat er rechtstreeks werd ingegrepen’, zo laat het Diyanet-onderzoek zien.
De moskeeën ontwikkelen zich, ze 'vermaatschappelijken’ naar een organisatie die in de Nederlandse samenleving staat, zoals ook Mehmet met het bestuur dat voor ogen heeft. Langzaam maken de moskeeën zich losser van Turkije, er ontstaat een vorm van decentralisatie. Zo schreef vroeger het presidium in Ankara de vrijdagpreek voor alle bij Diyanet aangesloten moskeeën in binnen- en buitenland. In Nederland was daar al eerder tegen geprotesteerd en nu is het officieel afgeschaft. Imams schrijven tegenwoordig zelf hun preek. Diyanet Nederland heeft in juli dit jaar bovendien bepaald dat ze ook in het Nederlands moeten gaan preken, dat wordt geleidelijk aan ingevoerd. 'De rechtstreekse controle was vroeger groter dan nu, dat is onze conclusie’, vervolgt Sunier. 'Je ziet dat de isn steeds meer erkent, ook al hebben ze een formele link met Turkije, dat ze hier hun eigen agenda moeten opstellen. In Turkije weten ze ook goed dat de Turken hier steeds meer Europeanen worden. Er komt een moment dat Nederland zegt: het is afgelopen met de imams uit Turkije. Dat gaat in de komende jaren gebeuren.’
De imam van de Fatih-moskee hoopt vooral jongeren te bereiken, hij wil ze meegeven dat ze leven volgens het geloof, zodat ze niet gaan dwalen. De moslims hier moeten in de samenleving een plek vinden. Daarom zou hij ook graag de vooroordelen willen wegnemen die niet-moslims hebben. 'Vooroordelen over de profeet en de koran, dat het iets slechts is. Maar jongeren weten er niet veel van en hebben niet de informatie om het te verdedigen.’ Hij kijkt op de klok. 'Wat moeten we doen tegen de islamofobie in Nederland?’, vraagt hij met wanhoop in zijn stem. 'Wat kunnen we doen?’ Dan snelt hij naar de gebedsruimte, hij moet voorgaan in het gebed.

ZONDAG 7 NOVEMBER. Zondag is altijd al een drukke dag in de moskee en vandaag is het nog drukker: eindelijk is de tapijtlegger gekomen, de mannen timmeren onder leiding van de voorzitter de laatste vloeronderdelen vast. Mehmet kijkt toe en wacht tot zijn zoontje klaar is met de koranles van de imam. De verbouwing is bijna zo ver, alleen de ingang nog. De moskee heeft een vergunning aangevraagd voor een brede, waardige deur. 'Misschien met een klein terrasje ervoor’, mijmert hij.
Zeynep zit met vijftien vrouwen en meisjes aan de lange tafel in de kamer boven. Buiten klinken geluiden van de drukke Rozengracht, binnen praten ze over de koran.
Zeynep hoopt dat het over tien, twintig jaar weer is zoals vroeger. Toen ze hier net waren, toen waren de mensen heel aardig voor haar en haar familie. 'Ik had een buurvrouw, tante Kitty, die hielp mijn moeder en paste op ons op. Mijn oudste broer zag ze echt als kleinzoon. Later hebben wij haar weer geholpen, toen ze ouder werd. Ze waren veel aardiger toen. Nu is het niet meer zo.’