Herinneringen aan Martin

De Mozart der journalistiek

‘Good night, sweet prince.’ Nog geen drie weken geleden hebben we Horatio deze woorden in de uitvoering van de Theatercompagnie tegen de stervende Hamlet horen uitspreken. Je was met een taxi heen en terug gegaan, uitgeput door wat een virusziekte leek te zijn. Het was in feite het begin van het einde. Naar aanleiding van de bij je geconstateerde slokdarmkanker had je vorig jaar zomer in een interview met Roland de Beer gezegd: ‘Het gaat me goed, maar dan in afwachting van het moment dat de tumor zegt: “Tot nu toe hebben we het uitstekend met elkaar kunnen vinden, maar nu ben ik de baas.”’ Het was, in de geest van Heine, fraai geformuleerd, maar bleek nu helaas bewaarheid.

Uitgeput had je je de Stadsschouwburg ingesleept, maar vanaf het moment dat het zaallicht doofde, zat je gedurende de drieëneenhalf uur durende voorstelling op het puntje van je stoel met glinsterende ogen te luisteren. Tevreden constateerde je na afloop, een karakteristiek dirigeergebaar makend, dat dit een van de beste uitvoeringen was van de meer dan twintig Hamlets die je in de loop der jaren had meegemaakt.

Zo beklom je ook onlangs, ziek en wel, voor je twintigste Don Giovanni moeizaam de trappen van het Muziektheater, en maakte je voor de zoveelste keer je pelgrimstocht naar het Concertgebouw, toen Winfried Maczewski de Matthaüs Passion dirigeerde, waarover je als verstokt ongelovige een briljant essay had geschreven, Zijn bliksem, zijn donder . Het was waarschijnlijk je honderdste Matthaüs Passion , maar net als bij de Don Giovanni was je commentaar nu dat er best wat passages konden worden ingekort. Hoezeer het ook je geliefde meesterwerken waren, heilige huisjes werden ze nooit voor je.

Het lot bracht ons samen toen je in 1985 hoofdredacteur van De Groene werd, en ik net de nieuwe versie van mijn Klemperer-film had voltooid ter gelegenheid van diens honderdste geboortedag. Ik had in die tijd net besloten op te houden met filmen en me weer op het schrijverschap te concentreren. Maar tegen de journalistiek had ik vanuit mijn ivoren toren als schrijver veel vooroordelen.

Je wist velen die je interessant vond aan te trekken, waardoor De Groene een ware renaissance doormaakte. Ik ben gaan begrijpen dat jouw leerschool Vrij Nederland is geweest, waar je, toen de redactie aan dogmatische vetes en establishmentverstijving begon te lijden, met een aantal anderen bent uitgestapt. Door je hoofdredacteurschap van De Groene kon je je ervaring bij Vrij Nederland toepassen, en je hebt dat honorabele, stokoude weekblad opgetild uit het dogmatische, marxistische slop waarin het in de jaren zestig en zeventig was geraakt. Ik heb van nabij meegemaakt hoe je de Girondisten hebt laten zegevieren over de Jacobijnen, en hoe je bij De Groene hebt waargemaakt wat bij Vrij Nederland was mislukt: een democratisch, collegiaal, creatief redactieteam te creëren. Met je persoonlijke bezieling heb je de tegendraadse, intellectuele traditie van De Groene opnieuw leven ingeblazen en het publiceren van diepgaande, moeilijke essays aangemoedigd.

Je ervaring als dirigentenfan kwam je goed van pas: als een echte dirigent trainde je het nieuwe Groene- orkest, natuurlijk verwanter aan Frans Brüggen en zijn Orkest van de Achttiende Eeuw dan aan tirannen als Toscanini of Klemperer. Maar met alle begripvolle vriendelijkheid dirigeerde je met onverbiddelijke, kritisch corrigerende hand, waardoor De Groene snel het weekblad met het hoogste intellectuele prestige in Nederland werd. Ik denk dat je oudtante Lien Pos-van Amerongen, een door de socialistische idealen van het Amsterdams joodse proletariaat gevormde vrouw, het grote voorbeeld is geweest voor je eigen ‘opvoedingsbehoefte’.

Er was ook een problematische, verscheurde kant aan je. Je vond het stimulerend om opgeslorpt te worden door je redactieactiviteit, je columns, voordrachten, en radio- en tv-debatten. Voor de lol hielp je ook nog bevriende schrijvers met hun stukken en columns, en daarnaast sloofde je je uit om rond te bedelen, en elk jaar weer het blad van de financiële ondergang te redden. Natuurlijk pleegde je roofbouw op je lichaam, het woord vakantie stond nooit in je agenda, en je hebt deze bewuste keuze voor intens leven en schrijven boven saai oud worden in een van je laatste boeken, Rook doet leven, goed verdedigd.

Maar door dit alles kwam er niets van je plannen om een groot, nieuw boek te schrijven, al kwam je tussendoor wel elk jaar met korte, briljante publicaties, die daar aanzetten toe leken te zijn. Je beklaagde je daarover, natuurlijk met zelfspot, net als Heine: ‘Ich unglückseliger Atlas! Die Ganze Welt der Schmerzen muss ich tragen!’ Toch is het jammer dat daardoor van je grote Shakespeare-boek niets is gekomen.

Wel kwam er ons toneelstuk Willem Mengelberg tussen licht en donker. Jarenlang hadden we tegen elkaar gezegd: ‘We moeten op een dag samen een toneelstuk schrijven.’ Jij had een biografie over Mengelberg willen schrijven en daarvoor het volledige Vrije Volk- archief over ‘de Baas’ weten te bemachtigen. Zo begonnen we in 1997 aan ons Mengelberg-avontuur, eigenlijk gewoon ‘voor de lol’. Het heeft, met soms lange, tegelijk vruchtbare onderbrekingen, vier jaar geduurd: vrijdagavond nam je de laatste trein naar Parijs, je logeerde op mijn werkappartement. Zaterdagochtend begon onze werksessie, ’s avonds gingen we naar het toneel, zondag de hele dag weer werksessie, en zondagavond nam je de trein om maandagochtend weer op tijd op de redactie van De Groene te zitten. Je regelmatige retourtjes Parijs maakten dat je je twee volle dagen kon afschermen van je overvolle activiteiten, en dat we geconcentreerd aan ons stuk konden werken. Daarnaast aten we natuurlijk je geliefde confit de canard, en gingen naar Shakespeare of Schnitzler in het Frans luisteren.

Onze verwantschap had natuurlijk ook te maken met het feit dat we beiden gemarkeerd zijn door ’40-’45, en de jodenvervolging. Niet toevallig hebben we allebei in onze jeugd het nazi stempel ‘Halbjude’ gekregen, beiden met een joodse vader en een niet-joodse moeder, dus volgens de ‘Halacha’ niet joods, en zijn we allebei ‘om ons tegen de nazi’s te beschermen’ bovendien nog in de oorlog gedoopt. We hebben als kinderen uit een ‘gemengd huwelijk’ betrekkelijk beschermd de oorlog overleefd, maar onze ouders zijn zwaar beschadigd uit de oorlog gekomen. Ook komen we allebei uit een echt Nederlands joods geassimileerd milieu, jouw vaders familie kwam voort uit het Amsterdamse proletariaat, en mijn vader was als zoon van oostjoodse immigranten een ‘echte’ assimilant. Niet voor niets hebben we ons allebei beziggehouden met het tweeduizend jaar oude conflict tussen christenen en het hoe en waarom van antisemitisme in het verleden en vandaag. Met de Duitse vertaling van je boek uit 1976, De samenzwering tegen Simon Wiesenthal, wist je een veroordeling door de Oostenrijkse rechter te veroveren, en je hebt speciaal een reis naar Wenen gemaakt om als een der eersten de indertijd de nog strikt geheime memoires te lezen van de verstokte antisemiet Eichmann, die helemaal niet zo’n banale bureaucraat bleek als Hanna Ahrendt en Harry Mulisch hadden gedacht.

Natuurlijk was Jacques Presser en zijn boek Ondergang ons grote voorbeeld – net als jij een Heine-fan, met de mentaliteit van een autodidact. Jij verdedigde hem toen critici hem verweten ‘niet objectief’ te zijn. ‘Alsof er bij het beoordelen van moord en doodslag verschillende criteria bestaan, objectieve en subjectieve, alsof menselijk lijden het beste via waardevrije tabellen en staafdiagrammen in kaart kan worden gebracht.’ Tijdens het interview vorig jaar met Roland de Beer over ons Mengelberg-stuk verklaarde je: ‘We zijn kinderen van Presser, in de ban van het contrast tussen goed en fout. Kortom, het stuk is in de beste traditie geschreven.’

Op het terras van Kale, om de hoek bij de Groene- redactie, heb je me iets meer dan twee weken geleden nog het exemplaar overhandigd van de nieuwe versie van je Heine-boek. Het was net als de geestelijke overwinning van de acht jaar lang bedlegerige Heine, die desondanks meesterwerken bleef schrijven, terwijl jij, met je slokdarmkanker, in het laatste jaar van je leven boeken en artikelen produceerde die tot het beste van je oeuvre behoren. Want jij hebt als de Mozart der journalistiek tientallen jaren lang je geschriften, vol Heine-ironie, over het ‘kikvorsgekwaak vanuit de Hollandse moerassen’ uitgestrooid.