Het tijdperk van de huid

De mummie in leven laten of begraven

De huid kent in de werkelijkheid en in de cultuur vele gedaanten. Gebalsemd, getatoeëerd, uitgerekt, gekrompen, als kledingstuk of tas… En de ‘organ snatchers’ komen niet meer uit de ruimte.

Medium anp 35875711
Nu de honger naar trivialiteiten eenmaal is gewekt, kan die nauwelijks nog worden gestild, en intussen zijn we allemaal heiligen geworden © Andrew Kelly / Reuters / ANP

_En zo lag Sneeuwwitje lange, lange tijd in haar glazen kist en ze veranderde niet. Het leek alsof ze sliep, want haar gezicht was nog altijd zo wit als sneeuw, haar lippen zo rood als bloed, en haar haren zo zwart als ebbenhout.

De gebroeders Grimm, Sneeuwwitje en de zeven dwergen

1.

Ik word altijd een beetje kregel als ik de oude, afgeleefde (maar ook zo pretentieuze) frase hoor dat ‘het leven zijn eigen romans schrijft’. Want laten we wel wezen: als het leven romans schreef, hadden we geen literatuur gehad. Misschien is de literatuur op haar retour, maar dat komt niet doordat het leven een historische overwinning op haar heeft behaald, nee, het komt door een literaire zelfdestructie waar iedereen die bij het literaire proces betrokken is vol overgave aan meewerkt: geldbeluste uitgevers, gemakzuchtige redacteuren, omkoopbare critici en alle van ambitie en talent gespeende schrijvers die hunkeren naar roem. En wat betreft de relatie tussen literatuur en leven: grof gezegd komt het erop neer dat elk literair verhaal berust op trivialiteiten. We willen allemaal van elkaar weten wat we doen, al was het maar hoe we hebben ontbeten. Kortom, elke grote roman is ook een verzameling van trivialiteiten.

Is daar met de komst van de nieuwe media iets aan veranderd? Nee, de honger naar trivialiteiten is alleen maar groter geworden. Bijna iedereen zit zijn alledaagse troep te twitteren, te sms’en, te liken en te facebooken, en beleeft de sociale netwerken als zijn natuurlijke leefomgeving. De reality literature, de literatuur die gaat over het privé-leven tot in zijn kleinste details, bloeit als nooit tevoren. Uit de heiligenlevens van vroeger kwamen genres voort als biografie, autobiografie en memoires. Nu de honger naar trivialiteiten eenmaal is gewekt, kan die nauwelijks nog worden gestild, en intussen zijn we allemaal heiligen geworden. We laten onze huid zien, we tonen bereidwillig onze organen en stallen onszelf uit als in de etalage van onze eigen slagerij.

2.

De Slavische volken kennen heel wat uitdrukkingen die met huid of vel te maken hebben en overeenkomen met zegswijzen als ‘een dikke huid hebben’ of ‘een dunne huid hebben’, ‘uit je vel springen’, ‘met huid en haar verslinden’, ‘iemand op de huid zitten’, ‘ergens heelhuids vanaf komen’, ‘iemand het vel over de oren halen’, ‘de huid niet verkopen voordat je de beer geschoten hebt’, ‘in iemands huid kruipen’, ‘je huid duur verkopen’, ‘iemand op zijn huid geven’, ‘ergens zijn huid aan wagen’ of ‘goed in je vel zitten’. Spreken over de huid heeft iets heel intiems, meer nog dan enige metafoor over het hart. Terwijl ons hart bereid is de hele mensheid lief te hebben, is onze huid de enige die alleen ons liefheeft.

In veel Slavische talen wordt voor de huid die ons lichaam bedekt hetzelfde woord gebruikt als voor het leer waarvan schoenen of tassen worden gemaakt. Daar bestaat dus geen taalkundig onderscheid tussen ‘huid’, ‘vel’ of ‘vacht’ tegenover ‘leer’, zoals het geval is in het Engels (skin, leather), het Duits (Haut, Leder), het Spaans (piel, cuero), of het Italiaans (pelle, cuoio). Mogelijk heeft het ontbreken van een dergelijk onderscheid te maken met een zeker gebrek aan beschaving en verfijning, en dat zou kunnen verklaren waarom juist arme mensen zo’n obsessie hebben met écht leer.

In de tweede helft van de twintigste eeuw gingen de mensen uit voormalig Joegoslavië voor schoenen, tasjes en jasjes (let wel: van écht leer) naar Triëst, vlak over de Italiaanse grens. Later gingen ze liever op en neer naar Istanbul, waar alles goedkoper was, en kwamen ze terug met leren kledingstukken die ze op de Joegoslavische vlooienmarkten verkochten. Een kerel in een leren jasje, en zeker als hij ook nog een gouden kettinkje droeg, symboliseerde de ideale partner om het mee te doen. Zolang echt leer populair was, meende iedereen dat een man in een leren jasje alles kon. Alleen duurde het niet lang of de aantrekkingskracht van echt leer werd door goedkope imitaties ondergraven, en de mannen en vrouwen die in leren jasjes rondliepen, werden steeds meer gezien als een gestigmatiseerde groep, als een soort menselijk afval. Het leer zelf werd echter onderdeel van een leren subcultuur en daarmee een fetisjachtig cultproduct met een aura van vrijgevochtenheid.

3.

Net als alle andere humanistisch georiënteerde intellectuelen koester ik een diep respect voor de wetenschap. Voor niemand heb ik zoveel bewondering als voor wiskundigen, natuurkundigen, sterrenkundigen, artsen of statistici, want alleen zij kunnen de dingen een juiste plaats geven. Kort geleden verscheen in een Kroatische krant een artikel met de intrigerende kop ‘Landen met dikke mensen, zoals Kroatië: een belasting voor de aarde’. Ik las dat de mensen gemiddeld het meest wegen in Amerika, en dat Kroatië, vlak achter Koeweit, op de derde plaats komt. De lichtste mensen zijn te vinden in Azië en Afrika, met als recordhouder Noord-Korea.

In het stuk wordt geciteerd uit een recent artikel in het tijdschrift BMC Public Health, waarin staat dat het gemiddelde gewicht van een volwassen mens op aarde 62 kilo is. (In de VS is het aanzienlijk meer, namelijk 80,7 kilo.) Alles bij elkaar weegt de volwassen wereldbevolking 287 miljoen ton, waarvan 15 miljoen ton is te wijten aan overgewicht, en 3,5 miljoen ton aan obesitas. De dikke mensen zijn ongelijk verdeeld: in de VS woont slechts vijf procent van de wereldbevolking, maar het land is wel goed voor een derde deel van het mondiale overtollige lichaamsgewicht.

Dikke mensen blijken een infectie te kunnen overbrengen, waardoor iemand die met dikke mensen omgaat ook zelf dik kan worden

Dr. Ian Roberts vertelt dat tegenwoordig niet meer wordt uitgerekend hoeveel monden er te voeden zijn, maar hoeveel vlees. ‘Iedereen begrijpt dat de groei van de wereldbevolking een toenemende bedreiging vormt voor het milieu, en uit ons onderzoek blijkt dat overgewicht een extra risico oplevert. Als we het geboortecijfer en het overgewicht niet terugbrengen, ziet de toekomst er somber uit’, aldus dr. Roberts. Het grootste probleem is dus het vlees van al die grote, dikke mensen.

De stigmatisering van dikke mensen bleek te worden onderbouwd door wetenschappen als demografie en ecologie, geneeskunde en de sociaal-economische wetenschap. Uit enkele geneeskundige studies blijkt dat dikke mensen een infectie kunnen overbrengen, en wel met het virus AD36, waardoor iemand die met dikke mensen omgaat ook zelf dik kan worden. De fors gebouwde Britse zangeres Adele Laurie Blue Adkins kreeg na haar Amerikaanse tournee op een lokale Amerikaans tv-zender de nodige kritiek te verduren van een fitnessinstructrice die met een welgemeende woede zoals alleen iemand uit haar beroepsgroep kan voelen, beweerde dat Adele een gevaar voor de Amerikaanse samenleving vormde, want ze liet de Amerikaanse meisjes weten dat je dik kunt zijn en toch als zangeres kunt optreden, wat volgens de instructrice een klinkklare leugen was. Wie weet, misschien wordt na nog zo’n bericht het jachtseizoen geopend en zal een toekomstige Adele direct moeten terugkeren naar de plek waar ze voor het eerst gewaagd had haar goddelijke stem te laten horen: een gettoachtige wijk als Tottenham, waar veel arme, dikke en getalenteerde mensen wonen.

4.

Er is een historische periode waarin mannen in zwarte, leren jassen inderdaad alles konden, alleen zijn ze nu bijna in de vergetelheid geraakt. In het boek Lenin’s Embalmers van Ilja Zbarski vinden we een bijzonder verhaal over de huid van de grote revolutionaire voorman Lenin, het symbool van een van de grootste, opwindendste en ook rampzaligste sociale experimenten in de geschiedenis van de mensheid.

Ilja Zbarski was de zoon van Boris Zbarski, een sovjetbiochemicus die – samen met dr. Vorobjov – Lenins lichaam balsemde. Ilja Zbarski, zelf ook biochemicus, werkte bijna twintig jaar in het team van specialisten van het mausoleum van Lenin in Moskou. Zijn verhaal geeft ons een fantastische inkijk in het lange leven van Lenins mummie en dat van de mensen die tot taak hadden om die in stand te houden.

Wie het boek leest, wordt vooral gefascineerd door de beschrijving van de manier waarop Lenins huid geconserveerd werd, met daarbij de voortdurende vrees dat die misschien tot ontbinding zou overgaan. Wij kunnen ons slechts bij benadering voorstellen hoe het hele team van topspecialisten zich voelde toen nauwelijks twee maanden na de (eerste) balseming van Lenin een speciale commissie die de staat van Lenins lichaam moest beoordelen, tot de volgende bevindingen kwam: ‘De huid is vergeeld en rond de ogen, de neus, de oren en de slapen is een verkleuring opgetreden. In het frontale en pariëtale deel van de schedel zijn paarse vlekken te zien. Waar in de schedel een opening met een diameter van één centimeter is gemaakt om de hersenen eruit te nemen, is de huid teruggetrokken. Over de punt van de neus ligt een donker pigment en de neusgaten zijn zo smal geworden als papier; de ogen staan half open en zijn in de kassen weggezakt; de lippen staan iets van elkaar, zodat de tanden zichtbaar zijn; op de handen zijn bruine vlekken verschenen, en de nagels zijn blauw verkleurd.’

Na deze rampzalige mededeling werden Lenins longen, lever en andere organen verwijderd en zijn oogbollen door kunstogen vervangen; het inwendige van zijn lichaam werd gespoeld met gedistilleerd water en een krachtig antisepticum en zijn lichaam werd behandeld met formaline, dihydroxybenzeen, alcohol, glycerine, chloride en enkele andere chemicaliën. Ditmaal was Lenins huid gered, en daarmee die van de teamleden, zij het niet van allemaal: een van de onverklaarbare sterfgevallen uit die dagen is de dood van dr. Vorobjov, de geestelijk vader van de in de Sovjet-Unie gebruikelijke methode om een lichaam te balsemen.

Een van de meest bizarre passages in het boek gaat over Lenins weduwe Nadezjda Kroepskaja, die in 1938 tijdens een bezoek aan het mausoleum met een typisch vrouwelijk ressentiment constateerde dat Lenin er nog altijd zo jong (!) uitzag, terwijl zij zelf intussen zichtbaar ouder was geworden.

Na 1945 werd het wetenschappelijk team, dat in 1939 uit vier personen bestond, uitgebreid tot een groep van 35 vooraanstaande geleerden op het gebied van histologie, anatomie, biochemie en geneeskunde. Allemaal hadden ze onderzoek gedaan naar de structuur van de verschillende huidlagen en naar factoren die ertoe zouden kunnen leiden dat een weefsel spontaan desintegreert. Tussen 1949 en 1995 opereerde het instituut dat aan Lenins mausoleum verbonden was steeds meer internationaal, en het balsemde de lichamen van Georgi Dimitrov, Klement Gottwald, Ho Chi Min, Agostinho Neto, Lindon Forbes Burnham, Kim Il Sung en de Mongoolse dictator Chorloogijn Tsjoibalsan. Nog voor het einde van de jaren negentig werden de meeste beroemde mummies echter gecremeerd. Dat gebeurde ook met Stalins mummie, die ruim acht jaar (van 1953 tot 1961) naast die van Lenin had gelegen.

Het team van Lenins mausoleum werd niet ontbonden, maar zette zijn werk voort als een hooggespecialiseerde uitvaartonderneming. Onder degenen die tegenwoordig van de dure diensten van dit bedrijf gebruikmaken, zijn veel Russische rijken en maffiosi. Nog altijd worden voor het balsemen dezelfde middelen gebruikt als die waarmee Lenins lichaam werd behandeld, en nog steeds wordt in aderen van de dode acht liter balsemvloeistof ingespoten. Deze is zo effectief dat een lichaam tot een jaar na de uitvaart in dezelfde staat blijft. Ilja Zbarski stelt dat de huid van de dode na inspuiting van de vloeistof zijn blauwachtige lijkkleur verliest en een ivoorachtige teint aanneemt. Met andere woorden: wie tijdens zijn leven geen goede teint heeft, kan die na zijn dood alsnog krijgen.

Het leven van rijke mensen wordt verlengd ten koste van de arme mensen die daarvoor worden opgeofferd, wat neerkomt op vampirisme

Het team van het vroegere Lenin-mausoleum, nu dus actief als een groep gespecialiseerde uitvaartondernemers, biedt ook een assortiment van kisten. De grootste vraag is er naar kisten met het opschrift ‘Made in USA’. Het duurst zijn de exclusieve, in Rusland vervaardigde kisten van kostbaar kristal, en het populairste model is de ‘Al Capone’, waarvan de ontwerpers zich lieten inspireren door de kist die in The Godfather te zien is.

Wat Lenins mummie betreft: er is al twintig jaar een discussie gaande over zijn uiteindelijke lot, maar tot een besluit is het nog niet gekomen. Van tijd tot tijd wordt er in Russische kranten en online-portals aan het probleem herinnerd, zodat opnieuw de openbare discussie op gang komt: de mummie ‘in leven’ laten of begraven. Men is er nog altijd niet uit: steeds is er bij het stemmen daarover een kleine, maar net doorslaggevende meerderheid van mensen die kiezen voor het een of juist voor het ander.

5.

Peter van der Helm, eigenaar van de Amsterdamse tattooshop Walls and Skin, kwam op het idee dat je van iemands getatoeëerde huid een stuk zou kunnen kopen. ‘Iedereen is tijdens zijn leven op zoek naar onsterfelijkheid, en dit is een simpele manier om dat voor een deel te bereiken’, aldus Peter van der Helm. Dertig klanten hebben met hem afgesproken dat ze een stuk van hun huid zullen nalaten aan een speciaal daarvoor opgerichte stichting, en ze betaalden daarvoor een paar honderd euro per persoon. Als ze komen te overlijden, zal een patholoog hun getatoeëerde huid wegsnijden en voor verdere behandeling doorsturen.

Een van Van der Helms cliënten, Floris Hirschfeld, laat weten: ‘De mensen hebben opgezette dieren in huis, dus waarom niet ook een stukje huid? (…) Als ik op die manier bewaard kan blijven… tja, waarom ook niet?’ Hirschfeld heeft op zijn rug het portret van zijn overleden moeder laten tatoeëren en legt nog verder uit: ‘Bovendien zijn sommige mensen mij zo dierbaar dat ik ze graag voorgoed bij me wil hebben, en dit is een manier om dat te realiseren. Vincent van Gogh is arm gestorven. U en ik kunnen ons geen Van Gogh permitteren. Een tatoeage – dat is kunst voor gewone mensen.’

6.

Als we het moderne cultuurlandschap om ons heen bekijken, lijkt het alsof we door alle kleuren en vormen nauwelijks iets kunnen onderscheiden. Maar als we iets beter kijken en – dat spreekt vanzelf – niet onze neus voor de alomtegenwoordige populaire cultuur ophalen, kunnen we vaststellen dat dit landschap, dat geen goddelijke hiërarchie kent, wordt gedomineerd door grote, dikke mensen. Zulke mensen zijn in de populaire cultuur sowieso een geliefd onderwerp, en wel als een bedreigde soort: ze voelen in hun huid de tanden van ‘aliens’, buitenaardse wezens, vampiers, zombies en kannibalen. Je ziet dat thema in sommige romangenres, strips, computergames en films, en samen met een veel bescheidener aantal serieuze werken scheppen die een moderne mythologie waarbinnen men de angsten van de moderne mens kan herkennen – met name de angst om de eigen huid.

Suzanne Collins’ trilogie The Hunger Games (de Amerikaanse tegenhanger van Koushun Takami’s roman Battle Royale) dankt haar populariteit aan een uiterst grimmige boodschap: wanneer je als menselijk individu je eigen huid wilt redden, zul je een ander menselijk individu moeten doden. Een variant op deze boodschap treffen we aan in de roman Never Let Me Go van Kazuo Ishiguro (en de daarop gebaseerde film), waarin de wereld is verdeeld in klonen, dan wel ‘donors’ en ‘gewone mensen’. Weer een andere variant zien we in de film The Island, waarin de acteurs Ewan McGregor en Scarlett Johansson de rol spelen van harvestable beings – gekloonde menselijke wezens van wie de organen zullen worden ‘geoogst’.

Bijna alle mensen herkennen in de thema’s van de populaire cultuur de realiteit om zich heen, en ook hun nabije toekomst. Om een voorbeeld te noemen: de jacht op menselijke organen, verpakt in een beschermfolie van religie, filantropie en ethiek, is een realiteit, en daarbij worden de grenzen van het toelaatbare elke dag verder opgerekt. Niemand verbaast zich er nog over dat er organen van overleden mensen worden gebruikt, maar ook tijdens hun leven kunnen mensen als donor dienen, en zo ontstaat er geleidelijk een illegale markt waarop de mensen hun eigen weefsels en organen (te beginnen bij hun bloed) verkopen om te kunnen overleven. In het mythische verhaal over orgaandonatie wordt alleen (en dan nog maar ten dele) de identiteit van de donor onthuld; wie de ontvanger is, blijft geheim. De anonieme ontvanger laat via anonieme dealers het orgaan dat hij nodig heeft inkopen of uitnemen, zonder stil te staan bij de ethische kant van wat hij wil. En zo groeit er langzaam maar zeker een morbide roverspraktijk, zoals onlangs bleek uit het bericht dat een Chinees tweejarig jongetje vermist werd en enkele uren later ergens in het stof bleek te liggen – men had zijn hoornvliezen verwijderd.

De echte, vakkundige organ snatchers komen niet meer uit de wereldruimte. Op dit moment zijn het misschien wel onze buren die voor een schamel geldbedrag naar iemands verse en makkelijk te verkrijgen nieren of hoornvliezen wijzen. De grenzen verschuiven en er ontwikkelt zich een medische praktijk waarin het leven van rijke mensen wordt verlengd ten koste van de arme mensen die daarvoor worden opgeofferd, wat neerkomt op puur vampirisme. Want hoe kun je het anders noemen als iemand zichzelf wil verjongen door een transfusie met het bloed van een ander, zoals in speciale, dure klinieken voor rijke mensen gebeurt?

De populaire cultuur laat een nieuwe mythologie ontstaan en helpt haar consumenten de onverteerbare realiteit te verteren en die vol berusting te accepteren, te registreren en te vermijden, en eventueel, mocht iemand daarvoor kiezen, daartegen in opstand te komen. De populaire cultuur doet dat allemaal veel effectiever dan wie of wat dan ook. Hannibal Lecter – de held uit Thomas Harris’ romans die zijn populariteit vooral dankt aan het briljante spel van filmacteur Anthony Hopkins – verliest in de dertig jaar van zijn leven zijn weerzinwekkende eigenschappen en neemt bijna romantische trekken aan. Een andere figuur uit deze film, bijgenaamd Buffalo Bill, die bezeten is van de gedachte dat de menselijke huid een volmaakt materiaal is om kledingstukken van te maken, heeft tegenwoordig een artistieke ‘volgeling’ in de kunstenares Jessica Harrison die in haar serie Handheld meubelstukken toont die in iemands geopende hand passen en eruitzien alsof ze van echte mensenhuid zijn gemaakt. Dan is er het kunstproject Skin van Shelley Jackson, die iedereen uitnodigt mee te doen door in zijn huid een (Engels) woord te laten tatoeëren en te verklaren dat hij of zij de eigenaars van deze tatoeage is. Het is een project waarin Buffalo Bills duistere obsessie met de menselijke huid wordt getransformeerd tot een verheerlijking van artistieke collectiviteit en sterfelijke kunst (mortal art).

‘De mensen hebben opgezette dieren in huis, dus waarom niet ook een stukje huid? Als ik op die manier bewaard kan blijven…’

7.

Alle grenzen zijn vervaagd en niemand weet meer precies wat kunst is en wat echt, wat een imitatie van het leven is, en wat het leven zelf of een imitatie van een imitatie. Maar ongetwijfeld wordt het pas echt treurig als ons leven eruit gaat zien als een goedkope horrorfilm. In januari 2014 was ik in Zagreb, en daar was ik in de tram getuige van een onverkwikkelijk tafereel. Zagreb is de hoofdstad van Kroatië, en dat is een lidstaat van de EU en volgens het tijdschrift BCM Public Health ‘een belasting voor de aarde’. Maar voor alles is het een land met vier miljoen inwoners, van wie er een half miljoen werkloos zijn, terwijl een schrikbarend groot aantal mensen onder de armoedegrens leeft.

In de tram zat een bescheiden geklede, dikke vrouw van laat-middelbare leeftijd. Naast haar stond een klein mannetje dat haar met een venijnige, nerveuze blik opnam.

‘Ja, u hebt een lekker leventje, hè?’ zei hij bijna onverstaanbaar terwijl hij haar een blik toewierp die uit de loop van een revolver had kunnen komen.
‘Pardon?’ vroeg de vrouw zacht.
‘Ja, een lekker leventje…’, zei de man, iets duidelijker en nog wat venijniger.
‘Ik snap niet wat u bedoelt…’, zei de vrouw, maar ze keek alsof ze wel degelijk begreep waar het om ging.
‘Ik zeg alleen maar dat sommige mensen het er blijkbaar van kunnen nemen.’ De man was niet van plan haar met rust te laten.

De vrouw boog haar hoofd en leek in stilte haar best te doen om haar omvangrijke lichaam kleiner te laten worden.

‘Ik weeg veertig kilo, ik ben ingenieur, maar ik heb geen werk…’ De man leek haar met zijn woorden te geselen. Bovendien leek hij het best te vinden dat iedereen in de tram mee kon luisteren.
‘Kan ík daar wat aan doen? Waarom spreekt u de regering daar niet op aan?’ antwoordde de vrouw zacht, en ze stond op om uit te stappen.

Het was een uiterst onplezierige scène. Een lichaam van veertig kilo beschuldigde een ander mensenlichaam, van negentig kilo, en dat in de overtuiging dat een lichaam van negentig kilo geen honger zou kunnen hebben. De vrouw had de oudere zuster van die verbitterde man kunnen zijn, of zelfs zijn moeder, en ook al zou de man hebben gezworen dat hij nooit aan zoiets had gedacht, toch klonk voor een beter luisterend oor in zijn stem iets door van seksuele frustratie. De vrouw in de tram was zich duidelijk van geen kwaad bewust, maar de man was wel opgewonden geraakt, alsof zij met haar verschijning een banaal, symbolisch beeld van zijn verliezersstatus uit zijn onderbewuste naar boven had gehaald: dikke mensen zijn rijk en magere juist arm. Wat zou hij haar graag een lel hebben verkocht, de nek hebben omgedraaid of adergelaten, wat zou hij graag zijn tanden hebben gezet in dat brok vlees dat ruim tweemaal zo zwaar was als hijzelf, ja, wat zou hij graag dat onverschillige lijf dat daar op die stoel was neergeploft in stukken hebben gesneden, want waar haalde dat wijf de ongevoeligheid vandaan om tegen hem te zeggen: ‘Kan ík daar wat aan doen? Waarom spreekt u de regering daar niet op aan?’

8.

In veel samenlevingen die na het communisme in een overgangsfase terechtkwamen, zijn de burgers verworden tot zombies. Wat Nederland betreft: in zijn troonrede van 2013 stelde koning Willem-Alexander dat ons in de 21ste eeuw een ‘participatiesamenleving’ te wachten staat. Of, zoals de altijd zo taalvaardige volgelingen van de allernieuwste trends het zouden noemen: een samenleving van ‘zelfmanagement’. Dat neemt niet weg dat woorden als ‘participatie’ en ‘zelfmanagement’ niet meer zijn dan eufemismen, zo scherp als een scalpel: de mens wordt tegenwoordig gereduceerd tot zijn eigen, naakte huid.

Jarenlang werkte een team van hoogopgeleide specialisten vol overgave aan een meesterwerk – het gebalsemde lichaam van Lenin. Deze mummie, de beroemdste uit de moderne tijd, bood jarenlang werk en bescherming aan een team van specialisten en symboliseerde het geloof dat een samenleving van vrijheid, gelijkheid en broederschap mogelijk was. De huidige tattooshops – kleine replica’s van Lenins mausoleum – kunnen hun klanten voor slechts enkele honderden euro’s de illusie bieden dat hun getatoeëerde huid een kunstwerk is dat de eeuwigheid verdient.

Ja, we leven in het tijdperk van de huid. Deze tijd – dat kadaver waarop we zitten samengepakt – verkeert niet in de beste staat. De huid wordt steeds donkerder, er verschijnen paarse plekken, de schedel waaruit de hersenen zijn verwijderd is gebarsten en de hoofdhuid opengescheurd; overal verschijnen onheilspellende, donkere pigmentvlekken en de nagels zijn blauw verkleurd… We doen wat we kunnen, maar er is niet genoeg balsem, we bedekken de lijkenvlekken met foundation en met onze eigen lichamen. Overal hangt een stank die in onze kleren, onze haren en onze longen trekt en die zich door niets laat verdrijven. We zijn met ontelbaar velen, net als een kolonie gele weidemieren, maar niet in staat te bepalen hoe groot het kadaver is waarvoor we moeten zorgen. Misschien kunnen we onze vergeefse arbeid beter laten rusten, misschien hebben we onze taak al lang vervuld. Misschien is het tijd om de deur te openen en het kadaver naar buiten te slepen, in de zon. Misschien zal een zonnestraal precies zo vallen dat er een vonk ontstaat, misschien zal het dode lichaam spontaan vlamvatten. Maar hoe dan ook, vuur is naar men zegt nog altijd een van de beste ontsmettingsmiddelen.


Dubravka Ugrešic (1949) werd geboren in het Kroatische stadje Kutina. Ze is auteur van romans, essays, toneelstukken en verhalen. Veel van haar werk verscheen in het Nederlands, waaronder Museum van onvoorwaardelijke overgave, Ministerie van Pijn en Niemand thuis. Afgelopen najaar verscheen haar nieuwe roman De vos.
Vertaling: Roel Schuyt