Wisselcolumn

De muzen van Struga

Het door drugsoorlogen geteisterde Colombia had deze zomer zijn Copa América, Sarajevo kende tijdens de belegering zijn jaarlijkse filmfestival, en in Macedonië vond afgelopen week, onder wel heel grimmig gesternte, het veertigjarig jubileum plaats van de Struga Poetry Evenings.

Afzeggingen waren er nauwelijks. Naast Seamus Heaney, de Ierse Nobelprijs winnaar voor literatuur, kwam nog een dertigtal bekende en minder bekende dichters uit alle windstreken naar het trogdiepe Meer van Ohrid afgezakt. De volharding waarmee de internationale gasten temidden van wapengekletter, bomaanslagen en nerveus «oogstende» Navo-soldaten, hun verzen wilden laten klinken op de brug over de Zwarte Drim, is bemoedigend.

«Eerlijk gezegd voel ik me met al die soldaten en wegversperringen hier wel op mijn gemak», vertelde Seamus Heaney (die door zijn tolk consequent «Himus Sjini» werd genoemd) wat laconiek in de pianobar van het immense, lege hotel. «Een gevoel van home coming. Het straatbeeld herinnert me aan mijn jonge jaren in Belfast.» Het handjevol jour nalisten dat de moeite had genomen om via de lange omweg naar Struga te rijden (de korte weg via Tetovo is afgesneden door de rebellen) was alleen geïnteresseerd in politieke issues. Dagenlang bleven ze hengelen naar een verlossend inzicht van de geletterden, een bemoedigend woord, een steun in de rug van de nationale Macedonische zaak. Maar niemand van de aanwezigen liet zich verleiden tot het betweterige engagement waarmee Franse filosofen als Bernard-Henry Lévy en Alain «Finkielkroat» in eerdere Balkan-conflicten het publieke debat domineerden. «Veel interessanter dan het geven van een obligate opinie of analyse», sprak Seamus Heaney overtuigd, «is het juist om te bepalen in hoeverre dichters verschillen van geschiedkundigen of toekomstvoorspellers.»

Alleen de Spaanse dichter Jorge Justo Padrón paaide de Macedonische toehoorders met een smartelijke elegie, door hemzelf in de landstaal voorgelezen, voor het «heroïsche, in doodsnood verkerende Macedonië». Het publiek op de oever joelde en klapte minutenlang; en daar leek het Padrón ook vooral om te doen.

Aristoteles heeft ooit geschreven dat de dichtkunst «verheven is boven wat de tijd zoal zal leren». Een goede dichter is, met andere woorden, allerminst een notulist van de geschiedenis, en evenmin een «ziener» of «verkondiger». De muze die hij dient is Caliope, die met de schone stem. Of Erato, die met de lier.

Zo niet op de Balkan, en zeker niet in Struga, waar het gros van de dichters elk jaar weer lijkt weggelopen van onder de stijve hoepelrok van Polyhymnia. Op het gebied van orerende dichters die hun pastorale obsessies combineren met politieke ambities, heeft de regio een traditie hoog te houden. Nergens anders in Europa gaan de twee zo klef en desastreus hand in hand. Misschien heeft het ermee te maken dat de fase van het nationbuilding op de Balkan nog in volle bloei is. Misschien ook met het feit dat dichters overal op handen worden gedragen, terwijl politici bij het volk gehaat zijn en worden gezien als nepotistische zakkenvullers. Radovan Karadzic, Nicolaj Koljevic, Vuk Draskovic, Vladimir Boskovski (de Macedonische minister van Binnenlandse Zaken), Ljupco Georgievski (de premier van Macedonië, net als Boskovski lid van de nationalistische VMRO) — allemaal beschouwden ze zichzelf voor korte of langere tijd als uitverkoren door de muze van het «bloed en bodem» — de schutsdame van de eigen ethnos die spreekt in lofzangen en hymnen. En allemaal stonden ze ooit op die vermaarde brug in Struga, tussen de bloemenmaagden die asters uitstrooien over het ijskoude water van de rivier; de plek waarover Seamus Heaney zei dat «de poëzie in onze tijd nergens meer tot leven komt dan daar, aan de monding van de Zwarte Drim».

Wat Radovan Karadzic heeft uitgespookt, is genoegzaam bekend. De vlammen die zouden opstijgen van Sarajevo stonden al beschreven in zijn versbundel voor kinderen getiteld Zwarte sprookjes. En wie wil weten wat premier Ljupco Georgievski nog allemaal in petto heeft voor zijn land Macedonië, leze zijn in broeierige seks en doem gedoopte debuut Apocalyps of het megalomane vervolg daarop, genaamd De Stad, waarin de dichter beschrijft hoe hij het landerige plaatsje Delcevo verlaat om «het volk» te redden in de hoofdstad Skopje. «Mijn bundels hebben één terugkerend thema», verklaarde Georgievski in 1994 aan Frank Westerman, destijds Balkan-correspondent voor de Volkskrant, «de wereld is slecht en lelijk. Er zit niets anders op dan haar te verwoesten en van de grond af aan weer op te bouwen.»