NA ‘GAZA"

De muziek is weer vrolijk

Vorige jaar publiceerde Simone Korkus het boek De belofte en het land: Een reis langs de Israëlische muur. Daarin uitte ze haar geloof in een vreedzaam samenleven van Israëliërs en Palestijnen. Na de recente oorlog in Gaza is daar weinig van over.

TIJDENS HET ISRAËLISCHE achtuur-journaal springen de beelden van het verwoeste Al Zeytoun – een wijk in Gaza-stad – er met zo’n kracht uit dat ik enkele seconden verbijsterd voor het scherm blijf zitten. Daar woont Achmed, mijn contactpersoon en gids, die ik diverse keren bezocht. Ik probeer tussen het puin van Al Zeytoun zijn huis te ontdekken, maar de straten zijn onherkenbaar.
Twee jaar lang reisde ik duizenden kilometers dwars door Israël, de Westelijke Jordaanoever en Gaza, langs de afscheidingsmuur en een wirwar van hekken, greppels en verplaatsbare wegversperringen, op zoek naar de verborgen werkelijkheid achter het nieuws: het leven van gewone Israëliërs en Palestijnen onder het conflict. Ik sprak met Israëlische en Palestijnse vrienden, met Palestijnse vluchtelingen en overlevenden van de shoah, met nabestaanden van slachtoffers van Palestijnse bomaanslagen en Israëlisch represaillevuur, met zakenlieden, boeren en beambten. Ik ontmoette de meest uiteenlopende mensen. Oom Mohammed op de Westoever vertelde zijn geschiedenis als Palestijn onder de Engelse, Jordaanse en Israëlische bezettingen. Ik trok een dag op met een gewezen Israëlische soldaat uit de kibboets Tsora, die vertelde hoe hij zich schaamde voor de manier waarop hij Palestijnen had behandeld. Er waren joodse religieuze fanaten in de nederzettingen die stelden dat God het bijbelse land Israël aan het joodse volk had geschonken, en moslimmannen in een stad op de Westoever die eisten dat ook christelijke meisjes op straat een sluier droegen. Met Achmed en Majed, een kleine chauffeur met Palestijns cynisme, reisde ik dwars door de Gazastrook en bezocht ik Gaza-stad, Jabalya, Khan Younis en de kilometer brede militaire bufferzone bij de Palestijns-Egyptische grens.
Aan de andere kant van de muur, in Israël, ontmoette ik joodse kolonisten die in Gaza hadden gewoond. Opvallend was dat veel Israëliërs en Palestijnen vertelden over de onderlinge contacten van vroeger. Een paar jaar geleden gingen Israëliërs bijvoorbeeld nog winkelen in Gaza-stad of Ramallah, iets wat nu volstrekt onmogelijk is. Eén ding had ik uit alle gesprekken geleerd: angst is de noemer die iedereen bindt. Angst om je land te verliezen en angst dat Auschwitz zich zal herhalen. Maar in de werkelijkheid van het boek dat ik over de reis schreef, wilden Israëliërs en Palestijnen hetzelfde: een rustig, alledaags leven zonder geweld.
De oorlogsbeelden uit Gaza en de zuidelijke steden van Israël zijn voor mij niet zomaar nieuws. Ze zijn verbonden met gezichten, vrienden en gebeurtenissen. Ik werd gastvrij uitgenodigd in de huizen die nu puinhopen zijn. Palestijnen gaven me eten en ik mocht soms even hun leven binnenkomen. Achmed en Majed dachten twee jaar geleden nog dat de eenzijdige ontkoppeling van de Gazastrook door Israël uiteindelijk vrijheid voor de 1,4 miljoen inwoners zou betekenen. Toch was de bezetting voelbaar in het leven van de gewone mensen. Israël beheerste grotendeels de watertoevoer en de elektriciteit en sloot de nutsvoorzieningen soms af als strafmaatregel. Vrij verkeer van goederen en personen werd gereguleerd bij de Erez- en Karni-checkposten, die dan weer open waren, dan weer gesloten. De grote kruispunten werden beheerst door dreigend uitziende, bewapende leden van Hamas en andere militante organisaties. Ik schreef dat een hele cultuur leek te zijn ontploft en de flarden doelloos in het rond vlogen, niet wetend dat de echte ontploffing nog zou volgen.
Wat is er nu nog over van het leven dat ik had beschreven?
In een ogenblik van wanhoop bel ik Achmed op zijn mobieltje. Zijn stem aan de andere kant van de lijn en zijn bevestiging dat alle vrienden en bekenden in Gaza nog leven, stellen me gerust, ook al zijn er dertienhonderd onbekende Palestijnen gedood en duizenden anderen gewond. Hij is blij dat ik bel: ‘De media geven de werkelijkheid niet weer. Ze brengen alleen wat ze interessant vinden.’
Achmeds stem heeft een echo; hij legt uit dat hij met zijn gezin in een kelder in Gaza-stad zit. Dagenlang was de telefoonlijn dood en had hij geen televisie. Hij wist niet waar het Israëlische leger precies zat en of ook andere delen van de Gazastrook waren getroffen.
‘Al Zeytoun ligt plat’, concludeert hij nu eenvoudig. Het conflict speelt volgens Achmed niet meer tussen overheden – het gaat niet meer om Haneye tegen Olmert – maar tussen Palestijnse en Israëlische burgers onderling. Even blijft het stil aan de andere kant, dan hoor ik een zucht. ‘Niets en niemand is veilig voor het Israëlische leger.’
Als ik vraag of hij in dit conflict ook een verantwoordelijkheid voor Hamas ziet, wordt de verbinding abrupt verbroken.
In Israël voelt de uitbarsting van het geweld, dat met operatie Gegoten Lood op 27 december begon, als een catharsis, een verlossing van de angst, de pijn, de dreiging en de haat die Hamas voor veel Israëliërs symboliseert. Mijn Israëlische buren in het dorp waar ik woon – tussen de Israëlische badplaats Netanya en de Palestijnse stad Tul Karem – zeggen het bijna opgelucht: ‘Megia ha zman’ (het werd tijd). Eindelijk wordt er iets aan het probleem gedaan. Jarenlang waren ze door de Israëlische pers op de hoogte gehouden van de Qassam-raketaanvallen op het zuiden van Israël, die het leven van de burgers daar tot een hel maakten. Weliswaar kende het land een half jaar betrekkelijke rust, doordat een staakt-het-vuren met Hamas werd gesloten, maar toen dat op 19 december afliep en Hamas met nieuwe raketaanvallen begon, was voor de Israëliërs de maat vol. Het journaal meldt dat de zware militaire operatie niet zomaar uit de lucht kwam vallen. Minister Barak van Defensie had dit oorlogsplan al een half jaar geleden, tijdens het staakt-het-vuren, met zijn staf zorgvuldig voorbereid. Militaire bases, trainingskampen en adressen van Hamas-leiders waren in kaart gebracht met één doel: vernietiging.
Naarmate de oorlog vordert, verandert de toon en het woordgebruik in de Israëlische media. Beschoten woonhuizen, ziekenhuizen, moskeeën en scholen worden ‘doelwitten’ of ‘bouwwerken’ genoemd en als een luchtaanval een ‘alfa’ is, betekent dat een voltreffer zonder bijkomstige schade. Met veel pathos worden de gevolgen van de raketaanvallen van Hamas urenlang beschreven, gedupeerde Israëliërs en ouders van soldaten geïnterviewd en beelden getoond van door Grad-raketten getroffen huizen en auto’s, en van getraumatiseerde kinderen. Het Israëlische journaal begint op de perskamer van de Israëlische legernieuwsdienst te lijken. Als in een computerspel toont een legerfilmpje hoe een luchtaanval er vanuit de cockpit van een F16 uitziet. Op het scherm verschijnen kleine lichtpuntjes, als vuurvliegjes. ‘Dit zijn terroristen’, legt de nieuwslezer geheel overbodig uit. Een lichtflits wijst erop dat het een ‘alfa’ is. De gevolgen van de lichtflitsen, de Palestijnse doden en gewonden, komen nauwelijks in beeld en uitgebreid commentaar blijft uit.
Heel even komt daar verandering in. Tijdens een paneldiscussie in het nieuwsprogramma van Kanaal 10 krijgt de journalist Shlomi Eldar live in de uitzending een telefoontje van zijn vriend Abu Al Aish, gynaecoloog in het Jabalya-vluchtelingenkamp in Gaza, die om hulp smeekt omdat het leger op dat moment zijn huis beschiet. Eldar probeert telefonisch de zaken te coördineren met de commandant in Gaza, maar het is te laat. Drie dochters en een nichtje van Abu Al Aish worden doodgeschoten. De uitzending van dit menselijk leed werd niet door iedereen op prijs gesteld, vertellen medewerkers van Kanaal 10 later. Ze werden overladen met woedende telefoontjes van kijkers die vonden dat de omroep Israëls imago voor de buitenwereld had geschaad.
In de supermarkt in mijn dorp spitst de discussie zich toe op de kritiek van het buitenland op Israëls massale campagne tegen de Palestijnen in Gaza. Een klant zegt dat ze niet begrijpt waarom de rest van de wereld zo negatief op Israël reageert. ‘Dit is verkapt antisemitisme’, reageert de man achter de kassa. Als ik vraag of ze zich wel eens hebben afgevraagd of er misschien een kern van waarheid in de kritiek zit, kijken ze me onthutst aan. Een vrouw achter een winkelwagentje legt uit waarom: ‘Jullie Europeanen begrijpen het echt niet. Ze zijn heel anders dan Europeanen en Israëliërs. Als je geen militaire dominantie laat zien, lopen ze over je heen. De Arabieren begrijpen alleen geweld. Wij moeten dus wel optreden, anders bezetten ze ons land.’
De Israëlische burgers lijken in een hogere, militaire versnelling te komen. Geleidelijk sijpelt het militarisme het gewone leven binnen. Er worden brieven en pakjes verstuurd naar de jongens aan het front. De ‘jobniks’ (soldaten die aan het thuisfront administratieve werkzaamheden vervullen) worden minzaam behandeld. Groepen Israëliërs klimmen op een uitkijkpunt bij de grens met Gaza om met verrekijkers de oorlog te volgen. De burgers in het zuiden oefenen de militaire dril van het alarmsein ‘Kleur Rood’ en schuilen in de schuilkelders. Opvallend is de afwezigheid van kritische stemmen. Israël heeft de gelederen gesloten en iedereen schaart zich solidair achter de oorlog en het leger. Ik vraag me af wat schokkender is: de escalatie van het militaire geweld of het gejuich van de massa die roept om meer en nog meer. Geen onderzoek naar de fosforbommen die volgens Palestijnen tegen burgers worden gebruikt. Geen massale demonstraties voor de vrede, waarbij honderdduizenden Israëliërs het Rabin-plein in Tel Aviv bevolken, zoals enkele jaren geleden.
Er is stilte. Doodse stilte. Links Israël lijkt niet meer te bestaan. En juist die stilte is verontrustend. In een democratisch land – en Israël laat zich erop voorstaan dat het de enige democratie in het Midden-Oosten is – worden beslissingen genomen na afweging van de verschillende standpunten: pro en contra, hoor en wederhoor. Wie niet voor ons is, is tegen ons, lijkt men nu evenwel te denken, want iedereen die een andere mening verkondigt, wordt de mond gesnoerd. Gideon Levi, een zeer kritische Israëlische journalist, werd tijdens een discussieprogramma uitgejouwd; anderen komen zelfs niet in beeld. Zeshonderd Israëlische Palestijnen zijn opgepakt en in voorarrest geplaatst omdat ze in Israël een vreedzame demonstratie tegen de oorlog in Gaza hielden. De rechter-commissaris oordeelde dat hun acties ondermijnend zijn voor het moreel van het volk. Heel voorzichtig wordt door links Israël gesuggereerd dat de Israëlische acties niet proportioneel zouden zijn. Een volgens mij absurde opmerking, die impliceert dat de omvang van militaire acties gelegitimeerd wordt door het aantal doden dat aan jouw kant van de lijn valt. Als er honderd Israëliërs door de Qassam-raketten waren gedood, was de oorlog dan wel toegestaan?

Wij, de buitenlandse journalisten, worden door Israël in de ban gedaan en mogen de Gazastrook niet in. De moeilijkheid om achter de feiten te komen, wordt nog groter. De Palestijnen worden voorzichtiger. Als ik op de Westoever Palestijnse jongeren vraag wat ze van de oorlog in Gaza vinden, voel ik een muur van argwaan. De gesprekken verlopen moeizaam en verder dan de gebruikelijke kritiek op het Israëlische leger komt men niet. Niemand wil zijn naam of foto in de krant. Mogelijk is men bang voor represailles van het leger of de Shin Bet, de Israëlische veiligheidsdienst, of van de eigen mensen.
In Israël word ik overvoerd met e-mails, persberichten, perscommuniqués van het leger en de overheid, maar die geven een eenzijdig beeld van het verhaal en de antwoorden die we krijgen op vragen zijn net zo algemeen als de persberichten zelf. Het is alsof ik voor een raadsel sta waarvan men de oplossing goed heeft verstopt. Ik tracht de gebeurtenissen te reconstrueren aan de hand van buitenlandse tv-zenders die nog correspondenten in Gaza hebben, telefonische interviews met mijn bronnen in de Gazastrook en de zuidelijke steden in Israël en met het leger, maar het blijft tweedehands nieuws.
In een poging om de feiten vast te stellen, ten minste aan de Israëlische kant, reis ik naar de Israëlische stad Sderot in het zuiden, zo’n vijftien kilometer buiten Gaza. Sderot is al acht jaar het doelwit van uit Gaza afgevuurde Qassam-raketten. In mijn boek had ik Sderot als een spookstad beschreven. De duizenden bewoners die financieel noch sociaal in staat zijn om te vluchten, zaten gevangen in uitzichtloosheid en niemand scheen zich hun lot aan te trekken. Zouden ze nu het gevoel hebben dat er iets aan hun situatie wordt gedaan? Ik volg de bekende snelweg 34, die van Ashkelon langs de Gazastrook naar Sderot loopt. De weg, die ik al tientallen keren heb afgelegd, heeft tegelijk iets vertrouwds en dreigends. Ik ben vaker bij een luchtalarm geweest, maar het feit dat er nu dagelijks twintig tot vijftig Qassam- en Grad-raketten in dit gebied neerkomen en je nooit weet waar de bom valt, is onheilspellend. Ik twijfel of ik de ramen van mijn auto zal opendraaien, zodat ik het alarm ‘Kleur Rood’ kan horen dat overal door luidsprekers wordt omgeroepen als de volgende raketaanval komt, of mijn radio op kanaal 128 zal zetten waarop ‘Pikoed ha Oref’ (het thuisfrontcommando) de raketaanvallen meldt. Ik besluit om beide te doen.
Op het kruispunt passeer ik een groepje mannen die vlaggen en bumperstickers met de tekst ‘I love the army’ verkopen. Vijf sjekel voor een vlaggetje en twee voor een sticker. Het is privé-handel, vertelt een van de mannen. Het leger staat hierbuiten. Dat de zaken uitstekend lopen, blijkt uit de vele auto’s die me later al vlaggend passeren. Ter hoogte van de militaire luchtbasis Sde Dov vliegen vier F16’s van het Israëlische leger over mijn hoofd en draaien langzaam richting de Gazastrook. Naarmate ik zuidelijker kom, neemt het gewone verkeer af. Ik zie steeds meer soefa’s, Israëlische legerjeeps, en tanktransporten. Na de afslag bij de Erez-checkpost hangt er ineens een grijze mist en dan zie ik het in de verte: Gaza-stad staat in lichterlaaie. Ineens is het oorlog. De ontploffingen en beschietingen in Gaza zijn door het open autoraampje duidelijk hoorbaar en ik ruik een brandlucht. Onwillekeurig trap ik op het gaspedaal.
Als ik de ijzeren boog met de grote letters ‘Welkom in Sderot’ zie, haal ik opgelucht adem. Totaal absurd, want Sderot is het epicentrum van de raketaanvallen. De stad is desolaat. Veel burgers zijn inmiddels vertrokken en verblijven tijdelijk bij familieleden in andere delen van het land. Anderen hebben geen keus en wachten op de volgende bom. Er heerst hopeloosheid onder de mensen die ik spreek. Men gelooft niet meer dat de situatie zal veranderen en denkt dat bestanden tussen Israël en Hamas na verloop van tijd toch weer worden geschonden. ‘Ik vraag me wel eens af hoe het zou zijn als hier vrede was’, zegt Hila, een zestienjarig meisje. ‘Ik was acht toen de eerste raketten uit Gaza op Sderot werden afgevuurd. Sindsdien gebeurt dat wekelijks of dagelijks. Ik wacht bijna heel mijn leven op het geluid van sirenes.’

Op zondag 18 januari gaat Hamas akkoord met een bestand met Israël, althans voor een week. Het lijkt alsof Israël weer adem durft te halen. De muziek op de radio wordt vrolijker. Israël verkeert in een staat van euforie. Het heeft de oorlog gewonnen, zegt men. Na de flater van de tweede Libanon-oorlog heeft Israël bewezen dat het sterker is en militair superieur. Ik ben verbaasd over de flexibiliteit waarmee de Israëliërs en de Palestijnen weer terugveren. In Gaza begraven de Palestijnen hun doden. Ze maken de schade op van de oorlog en formuleren nieuwe subsidie- en projectverzoeken voor de internationale gemeenschap. Er wordt gefluisterd dat Saoedi-Arabië een miljard dollar zal schenken en dat ook de Europese landen de beurs zullen opentrekken voor de wederopbouw van Gaza.
In Israël komen de humanitaire programma’s in razend tempo op gang. Israëlische burgers helpen de burgers van Gaza, vrijwilligers verzamelen dekens, matrassen, babyvoeding en geld. De schrijver David Grossman verbreekt de stilte en betreurt op de voorpagina van de Israëlische krant Haaretz de militaire acties. Hij vindt dat de dialoog nu op gang moet worden gebracht. Israëlische mensenrechtenorganisaties zijn weer in het nieuws en vragen om een diepgaand onderzoek naar het beweerde gebruik door het leger van witte fosforbommen. De Israëlische legervertegenwoordiger reageert vaag dat het leger alleen methodes hanteert en wapens gebruikt die zijn toegestaan onder internationaal recht.
Een gerucht dat er in Nederland een aanklacht wegens oorlogsmisdrijven tegen een Israëlische commandant zou lopen, zorgt voor de nodige opschudding. Om juridische acties tegen individuele soldaten te voorkomen, verbiedt de militaire censor ons, journalisten, om namen en foto’s van officieren die aan de oorlog deelnamen te publiceren. Gelukkig mogen we nu ineens wel weer de Gazastrook in en ik stort me in de bureaucratische molen om de stapel vereiste formulieren ingevuld en ondertekend te krijgen. In een van de documenten moet mijn Nederlandse redacteur verklaren dat hij de staat Israël niet aansprakelijk stelt als ik in Gaza gewond raak of om het leven kom. Dat ik niet de enige journalist in Gaza zal zijn, blijkt uit een telefoontje van het leger: er zijn al tweeduizend journalisten aanwezig.
Soms leiden de discussies tussen Israëliërs onderling over Israëls positie tijdens de oorlog tot een regelrechte rel. Dat maak ik mee tijdens een bijeenkomst van Moed om te Weigeren, een organisatie van soldaten en officieren die weigeren dienst te doen in de Gazastrook en op de Westoever. Als een man van middelbare leeftijd geëmotioneerd de microfoon pakt en zucht dat hij zich schaamt om Israëliër te zijn, buldert iemand uit het publiek woedend: ‘Man, wat doe je dan in Israël. Sodemieter op!’ Weldra vliegen de beledigingen in het rond. Het debat gaat niet meer over Gaza, maar over de vraag of soldaten dienst mogen weigeren. De oorlog lijkt al bijna vergeten.

Twee jaar geleden schreef ik in mijn boek dat het moeilijk is om je voor te stellen wat het conflict en de bezetting voor het dagelijks leven betekenen. Moeilijk? denk ik nu. Ik begrijp er helemaal niets van. Ik heb geprobeerd om het conflict en deze oorlog te analyseren, om de logica achter de acties van beide kanten te doorgronden, om de rauwe gevoelens van haat en vergelding van de mensen in dit gebied van het Midden-Oosten te begrijpen, maar Israëliërs en Palestijnen lijken dubbele gezichten te hebben. De wreedheden, de koude onachtzaamheid, de afwijzing, de inspanningen van de autoriteiten om informatie buiten het nieuws te houden en de absurditeiten van de oorlog zijn voor mij niet te rijmen met die andere kant: de humaniteit, de rede, het overleg, de gastvrijheid en de menselijkheid. Er was een tijd, nog niet zo lang geleden, dat ik dacht dat ik sommige Israëliërs en Palestijnen begon te begrijpen. Ik prees me gelukkig dat er voor mij, in tegenstelling tot de bewoners van dit gebied, geen grenzen en muren bestonden en dat ik vrij aan beide kanten kon reizen en daar vrienden vond. Nu lijkt het, om in oorlogstermen te spreken, of bij een raketalarm iedereen naar de schuilkelder rent en alleen ik tegen de stroom in een andere richting kies. Mijn geloof in een toekomstige co-existentie, omdat de bewoners geen andere keus zouden hebben, is onderuit gehaald. Als ik Israëliërs en Palestijnen vraag hoe ze denken dat hun toekomst eruitziet, hoe de politieke situatie over een kwart eeuw zal zijn krijg ik geen antwoord. Er is de laatste weken veel gebeurd, maar bitter weinig veranderd. De oorlog in Gaza eindigt niet met een overwinning voor Israël, noch voor Hamas. Het is slechts een volgende stap op de geweldsladder.
De Amerikaanse journalist Brooks Atkinson zei: ‘After each war there is a little less democracy to save.’ Partijen zijn er nog meer dan voorheen van overtuigd dat er aan de andere kant niemand is om mee te praten en dat je een gewelddadige actie alleen kunt oplossen door een nog gewelddadiger tegenactie. Dat is de enorme tragiek van dit gebied en van de gewone Israëliërs en Palestijnen die er moeten leven: de stille wetenschap dat het einde van het conflict niet in zicht is.

Simone Korkus, De belofte en het land: Een reis langs de Israëlische muur, Meulenhoff, 271 blz., € 22,50