Pieter Boskma’s romantische universum

De muziek, niet de plot

De roman in verzen heeft de laatste tien jaar een onverwachte comeback gemaakt. Vikram Seth, Derek Walcott en Les Murray hebben met hun hoog gewaardeerde romans in verzen de Angelsaksische poëzie nieuwe status en tot op zekere hoogte zelfs een nieuw publiek gegeven. De reden voor de opkomst van deze toch wat exotische poëzievorm lijkt vooral voort te komen uit frustratie over de marginale positie die de poëzie in de moderne literaire wereld inneemt. Die recente versromans zijn daarom vrijwel allemaal, op hun eigen verschillende manieren, zeer ambitieuze, maar bewust zeer onderhoudende ondernemingen. Gericht op een relatief breed publiek zijn ze meestal in uiterst klassieke versvormen geschreven. Dat laatste lijkt welhaast een noodzaak te zijn om zowel de dichter als de lezer voldoende houvast te geven bij respectievelijk schepping en consumptie.

Dit is een beweging die grotendeels aan Nederland voorbij lijkt te gaan, hoewel Arnon Grunberg enkele jaren geleden al een korte roman in verzen publiceerde. Maar die bleef – zeer onkarakteristiek voor Grunberg – vrijwel onopgemerkt.

Nu is er De aardse komedie van Pieter Boskma. De Amsterdamse Fries leek de aangewezen figuur om zich hieraan te wagen. Eerder al had hij laten zien zeer goed overweg te kunnen met verhalende poëzie. Vooral in zijn bundels Simpel heelal en In de Naam staan een aantal prachtige, verhalende en balladeachtige gedichten. Boskma heeft ook overduidelijk het lyrische uithoudingsvermogen om een dergelijke toer tot een succes te maken. Hij is niet alleen een zeer productief, maar ook een gul en verstaanbaar dichter. Dat maakt het vooruitzicht aantrekkelijk om hem op de lange baan aan het woord te horen.

Boskma’s dichterspose is – het wordt niet voor de eerste keer beweerd – ouderwets en romantisch. Dat heeft niet eens zozeer met zijn thematiek of onderwerpkeuze te maken, wel met de zelfbewuste emotionaliteit en de bewust bekorende welluidendheid van zijn verzen. Maar Boskma’s (neo)romantiek heeft ook een aantal heel eigentijdse trekken die weinig worden opgemerkt. De nadruk op de autonomie van de emotie, op onderliggende, niet te onderscheiden verbanden – die zich uiten in het mysterie van de alliteratie en van het rijm – zijn verbonden met een afkeer van de efficiëntie, het rationalisme en de zakelijkheid van de moderne maatschappij.

Zijn neiging om in zijn taal zeer snel te verspringen tussen zeer verheven en platvloers taalgebruik is al evenzeer ouderwets romantisch als helemaal van deze tijd. In De aardse komedie lijkt Boskma veel van deze tendensen nogmaals zeer uitgebreid voor het voetlicht te willen brengen en in veel opzichten is zijn versroman zelfs een staalkaart van traditionele romantische neigingen.

De poëet Tosk heeft een driehoeksverhouding met de zinnelijke fotografe Sarah en de zeer mystieke kunstenares Hera. De drie figuren zijn onderling mysterieus met elkaar verbonden. Onbewust weten ze van elkaar wat ze doen, waar ze naartoe gaan, wat hen overkomt en wie waar zwanger wordt. Overigens delen ze ook gedrieën het bed.

In vele terzijdes wordt een wereldbeeld geschapen waar de rede geen enkele zeggingskracht heeft. Bij Boskma spreekt hoogstens ‘de ballast van de rede’ of ‘de wrede natuur van de rede’. De wereld der verschijnselen is in alles onderling verbonden – verbanden die zich niet uiten in traditionele kennis, maar in de kunst, vooral in de verzen van dichter Tosk.

Traditionele kennis wordt min of meer verworpen:

Hoe lang al leek die kennis

overschaduwd door een telkens

nieuwe reeks waarschijnlijkheden,

waar geen bewijs voor werd geleverd

omdat niemand durfde inzien

waar het werkelijk om ging?

De personages laten zich niet leiden door argumenten, wel door religie, wonderlijke samenlopen van omstandigheden, plotse ingevingen en telepathisch doorgegeven informatie. Pessimisme, drankzucht, natuur, erotiek, naïviteit – geen romantisch element ontbreekt. Geen van de drie hoofdfiguren laat zich iets gelegen liggen aan stoffelijke, aardse problemen. Geld is nooit een probleem; ze vliegen de hele wereld rond, zonder duidelijk doel. Als ze alledrie besluiten om van het ene op het andere moment te verhuizen naar Italië is er niets wat hen op andere gedachten kan brengen – geen familie of vrienden, geen verplichtingen, geen werk of bureaucratie die hen er een seconde van zouden kunnen weerhouden hun instinctieve impulsen te volgen. Hoogst zelden wordt er een kleine hint gegeven – Hera heeft geld verdiend op de huizenmarkt, Sarah is fotografe.

Dit alles draagt zeer bij aan de idyllische, droomachtige sfeer die wordt opgeroepen, maar leidt er ook toe dat de figuren in deze roman nooit werkelijk herkenbare personen worden. Het blijven toch in de eerste plaats vervoermiddelen van ideeën, eerder personificaties dan levende personages. In principe is dat geen probleem. In een roman in verzen hoeven handeling en personages helemaal niet geloofwaardig te zijn. De vers roman verhoudt zich tot de gewone roman zoals de opera tot regulier toneel. De muziek domineert, niet de plot. De roman in verzen kan zich veeleer veroorloven als het gaat om de geloofwaardigheid van de handeling en de personages. Als de verzen mooi zijn, vloeit de verbeelding mee zonder zich te bekommeren om de geloofwaardigheid van de voorstelling. Andere versromans – Poesjkins Evgenij Onegin, of Seths Golden Gate bijvoorbeeld – bereiken daardoor soms een bezetenheid in de handeling en een snelheid in de afwisseling van decors, ideeën en stemmingen die ondenkbaar zouden zijn in een prozaroman.

Zo ook zijn de beste momenten in Boskma’s roman juist die waar het fantastische het meest op de voorgrond treedt. Hera beleeft tweemaal een wonder. Eerst overleeft ze als enige en vrijwel ongeschonden een vliegramp waarbij de rest van de passagiers en bemanning jammerlijk omkomt, even later overleeft ze een suïcidale sprong uit een raam. Beide wonderen zijn beschreven in dwingende poëzie, met Boskma op volle lyrische kracht vooruit:

De lucht betrok op het moment

Dat zij zich afzette en sprong

Alsof de hemelen fronsten.

Daar waren haar dierbare doden,

(…) haar bleekgele moeder

roepend als een rotgans op het wad

en haar opa die nog altijd maaide met

een zeis, zelfs in de eeuwige velden.

De film van haar leven versnelde.

Maar daar waar Boskma’s taal meer naar het prozaïsche neigt, en dat is in grote delen van het boek, verliest het geheel veel spanning en wordt het gebrek aan geloofwaardigheid een probleem. De cadans van de poëzie, die zo noodzakelijk is om de lezer door het wonderlijke verhaalverloop te leiden, wordt dan verstoord. Dan lijkt zich ook te wreken dat Boskma niet gekozen heeft voor een dwingende vorm. Blijkbaar is het niet voor niets dat anderen die hem voorgingen dat wel deden.

Pieter Boskma is er jammer genoeg niet in geslaagd van De aardse komedie een echt grote roman te maken, hoogstens een roman met grootse momenten. Dat is des te treuriger omdat er eigenlijk in Nederland geen dichter te verzinnen is die dit beter zou kunnen dan hij.

Pieter Boskma, De aardse komedie

Uitg. Prometheus

284 blz., € 17,50