Actuele geschiedenis Oude Pekela

De mysterieuze clownsaffaire

In 1987 was Nederland in de ban van de ontuchtzaak in het Groningse Oude Pekela. Tientallen kinderen zouden zijn meegelokt en misbruikt. Intensief recherchewerk leverde evenwel geen bewijzen op. Anno 2011 wil nauwelijks nog iemand over de zaak praten.

‘STOP!’ SCHREEUWT HIJ. 'Nee, stop!’ Ik heb Jan Maring, oud-persvoorlichter van de rijkspolitie in Groningen, aan de telefoon. 25 jaar geleden stond hij de media zo'n beetje elke dag te woord over de ontuchtaffaire in Oude Pekela. Nu lijkt ieder woord te veel. 'Laat me met rust. Ik wil hier niets mee te maken hebben.’
Oude Pekela. In 1987 werd dit achtduizend zielen tellende dorpje in Oost-Groningen opeens wereldberoemd. Op 6 juni bracht de politie een persbericht uit waarin stond dat zeventig peuters uit het dorp waren verhoord in een grootscheeps onderzoek naar ontucht. De kinderen, volgens het bericht in de leeftijd van drie tot zes jaar, zouden in de paasvakantie vanuit verschillende locaties uit het dorp zijn meegenomen. Waar ze naartoe werden gebracht, was onduidelijk. Wel had de politie sterke vermoedens dat 48 van de 72 verhoorde kinderen seksueel zouden zijn misbruikt. Het was de eerste grote ontuchtaffaire in Nederland. De daders zouden verkleed zijn geweest als clown.
Binnen een dag werd het eens zo geïsoleerde Oude Pekela platgelopen door journalisten. Aanvankelijk kwamen alleen de Nederlandse media naar het dorp, later volgden televisieploegen uit Engeland, Duitsland, Frankrijk en de Verenigde Staten. Ondertussen probeerden ruim veertig rechercheurs verwoed de schuldigen te vinden. Zonder resultaat.
Na anderhalf jaar werd het onderzoek naar 'de clownsaffaire’ stopgezet vanwege gebrek aan bewijsmateriaal. En het verhaal van de clown die op kinderjacht ging, werkt bij de meeste Nederlanders inmiddels meer op de lachspieren dan dat het angst inboezemt. Maar hoe denken de Pekelders daarover?
Ik besluit Maring nog een keer te bellen. De gepensioneerde woordvoerder is kalmer dan tijdens ons vorige telefoongesprek. Toch blijft hij weigeren. 'Ik steek mijn hand niet in een wespennest.’ Zijn stem klinkt resoluut.
Maring is niet de enige die niets meer met de ontuchtzaak te maken wil hebben. De toenmalige hoofdofficier van justitie, de persofficier, de burgemeester - geen van hen stemt toe in een interview. Het is zo lang geleden, zeggen ze, laat het rusten. Andere belangwekkende getuigen zijn overleden. Zoals huisarts Jonker, toentertijd een jonge arts die de wereld er fanatiek van probeerde te overtuigen dat de kinderen uit zijn dorp écht waren misbruikt. Een paar jaar geleden pleegde hij zelfmoord. Of jeugdpsychiater en Tweede-Kamerlid Gerrit Mik, die in 1988 op verzoek van het Openbaar Ministerie naar Oude Pekela kwam en de in het onderzoek betrokken kinderen toen maandenlang interviewde. Hij geloofde al snel dat de clownsaffaire geen verzinsel was. De - inmiddels sceptische - pers pakte hem daarop hard aan. Kort daarna overleed Mik aan een hartaanval.
Iemand die zijn verhaal nog wél kan navertellen is Melle Wachtmeester. Toen de ontuchtaffaire zo ongeveer dagelijks in de krant kwam, trad hij op als persvoorlichter van het dorp. Wachtmeester woont in Wedde, een gehucht op hemelsbreed zo'n zeven kilometer van Oude Pekela. De bus rijdt eens in het uur, en dan is het daarna nog twintig minuten lopen langs lege akkers, met af en toe een betonnen zijweg die doodloopt in het niets. Wachtmeester kocht het huis op z'n 24ste voor 'een prikkie’, om er nooit meer weg te gaan. 'De drukte kun je opzoeken’, zegt hij, 'maar rust is een zeldzaamheid die je moet koesteren.’ Zijn grijze krullen piepen onder een jongensachtige baseballpet uit.
In 1987 was Wachtmeester 36 en werkte hij als freelance journalist voor onder meer de NCRV, de VPRO en de NOS. Zo zag Wachtmeester ook de eerste berichten over de ontuchtzaak in Oude Pekela voorbij komen. Hij besloot er toen niks mee te doen.

MAAR OP 6 JUNI, enkele uren nadat het geruchtmakende persbericht van de politie als een bom is ingeslagen, vraagt de NOS aan Wachtmeester of hij een radio-item kan maken over de sfeer in het dorp. Het verslag wordt nog diezelfde avond uitgezonden in Met het oog op morgen. Wachtmeester wordt bovendien live in de uitzending geïnterviewd door presentator Henk van Stipriaan. Deze suggereert dat de sfeer in Pekela hysterisch zou zijn. 'Oude Pekela, maak je borst maar nat’, waarschuwt hij de dorpsbewoners. Wachtmeester kan zich daar niet in vinden en zegt dat ook. 'Oude Pekela is een rustig dorp en haar inwoners zijn te nuchter om zich onbeheerst te gedragen. Ik had bovendien geen enkel blijk van hysterie opgevangen toen ik door het dorp liep.’
Die nacht komt Wachtmeester laat thuis, rond een uur of één. Hij is nog geen paar minuten binnen of de telefoon rinkelt. De burgemeester. Of Wachtmeester soms persvoorlichter van Oude Pekela wil worden. 'We spraken af elkaar de volgende dag te ontmoeten in hotel Royal York, in Winschoten.’ De heren worden het daar al snel eens. Iedere journalist die een item over de clownsaffaire wil maken, zal voortaan een afspraak moeten maken met Wachtmeester. Hij zal er dan voor zorgen dat de journalist in contact komt met de juiste bron. Zo willen ze voorkomen dat journalisten in het dorp gaan rondneuzen.
Op 8 juni neemt Wachtmeester zijn intrek in De Snikke, het buurthuis van Oude Pekela, pal naast het politiebureau. Hij wordt meteen in contact gebracht met de plaatselijke politiewoordvoerder, huisarts Jonker, een kleuterleidster en twee van de in het onderzoek betrokken gezinnen. Al snel staat hij met iedereen in nauw contact. En zo komt het dat Wachtmeester, vrij kort na zijn aanstelling als persvoorlichter, op een dag bij een van die gezinnen op de bank zit. Daar overkomt hem iets eigenaardigs. 'Moeder was net in de keuken, koffie aan het zetten of zo, toen hun dochtertje naast me op de bank kroop en naar m'n kruis greep. Ze probeerde mijn gulp open te ritsen.’ Wachtmeester huivert onwillekeurig. 'Drie jaar was ze. Toen ik haar ouders vertelde wat er was gebeurd, reageerden die nauwelijks verbaasd. Ze vertelden dat hun dochter dat soort dingen sinds de paasvakantie wel vaker deed. En dat ze onder de douche opeens vaak aan haar vagina zat.’
Voor Wachtmeester verandert er die middag wat. 'Toen begon ik voor het eerst te geloven dat er misschien wél wat was gebeurd in dat dorp. Inmiddels ben ik daarvan overtuigd.’
'Hij liegt!’ briest oud-wethouder Kaldijk. 'Wachtmeester liegt! En als ik ’m tegenkom, zal ik ’m dat zeggen ook.’ Hij moet er bijna van lachen. Een verontwaardigde lach: 'Een kind van drie komt net boven je knieën uit. Als die jou vastgrijpt, is dat al snel in je kruis. Toch?’
Hij staat in de deuropening van zijn huis in Oude Pekela, met z'n armen over elkaar, want eigenlijk heeft Kaldijk helemaal geen zin om over dit onderwerp te praten. Voor hem is de zaak afgehandeld: 'Er is hier niks gebeurd. Helemaal niks. De gezinnen waar het om draaide, dat wáren al probleemgezinnen. Hun kinderen plasten niet in bed omdat ze waren misbruikt, maar omdat ze hun ouders de hele dag ruzie hoorden maken. Het ging in dit dorp van kwaad tot erger. Iedereen wilde erbij horen. Op een gegeven moment fietsten ze bij mijn huis langs en wezen ze naar het kind achterop: “Hij was er ook bij.” Dat schreeuwden ze dan, bijna trots. Eén gezin probeerde er zelfs een slaatje uit te slaan. Die mensen lagen in echtscheiding. De vader woonde al een tijdje in Winschoten. Maar toen deze zaak ging spelen, waren ze opeens weer bij elkaar. En omdat het hier niet meer veilig zou zijn voor hun kind, wilden ze van de gemeente vijfduizend euro om samen naar Winschoten te verhuizen. “Vertrekken jullie maar lekker naar Winschoten”, heb ik toen gezegd. “Maar van ons krijgen jullie niks.” De idioterie! Nee, ik heb er nooit wat van geloofd. Weet je wat het probleem van Oude Pekela is? Niet die verzonnen clown, maar de hoge werkloosheid.’

HET DORP, zwevend tussen Winschoten en Stadskanaal, heeft een bewogen geschiedenis. Rond 1600 vestigden groepen Hollandse en Friese kooplieden zich hier voor de ontginning van turf. In de eeuwen die volgden werd vijfduizend hectare grond omgesmeed tot landbouwgrond. Rijke herenboeren bouwden reusachtige boerderijen met grote landerijen. Ondertussen moest het gros van de inwoners op een houtje bijten. In de late negentiende eeuw kwam daar verbetering in. Toen ontwikkelde zich in razend tempo een levendige verwerkende industrie, mede door de opkomst van fabrieksaardappelen. Door de grote hoeveelheid graan die in de omgeving werd verbouwd, bloeide ook de strokartonindustrie op. Rond de eeuwwisseling ontwikkelde Oude Pekela zich tot het kloppende hart van deze industrie. In de nabije omgeving stonden maar liefst negen fabrieken.
Maar met de snel groeiende industrialisatie in het Westen sloeg het noodlot toe. In de jaren zestig en zeventig sloten in Pekela en omgeving tien strokartonfabrieken. Veertig tot zestig procent van de Pekelder bevolking raakte in de jaren die volgden werkloos. Het was een tegenslag die Oude Pekela nooit geheel te boven zou komen. Nog in 2009 noemde Elsevier het de slechtste gemeente om te wonen in Nederland.

BEGIN 1987 STOND Oude Pekela vooral bekend om de teloor gegane strokartonfabrieken. In mei van dat jaar bezocht een ongeruste moeder huisarts Jonker omdat haar vierjarige zoontje bloed in zijn onderbroek had achtergelaten. Jonker ontdekte bij het jongetje een rectale beschadiging. Hij raadde de moeder aan goed op haar kinderen te letten en andere ouders te waarschuwen voor kinderlokkers. De moeder zocht direct contact met de ouders van een vriendje waarmee haar zoon vaak buiten speelde. Beide ouderparen deden op 9 mei aangifte bij de politie. In het dorp gonsde het inmiddels van de geruchten. De autoriteiten besloten een voorlichtingsavond te organiseren voor bezorgde ouders.
Eenmaal thuis interpreteerden veel ouders het gedrag van hun kinderen als afwijkend. De daaropvolgende weken werd het ene na het andere geval van ontucht gemeld. Enkele gezinnen zochten ook de media op, waaronder het echtpaar De Vries. Zo verklaarde een van hen in Dagblad van het Noorden over hun dochter: 'Ze was altijd dol op stokbrood. Ook op het kapje dat ik altijd kontje noemde. Maar toen ik dat weer zei, wilde ze geen stokbrood meer. Wanneer ik weer kapje zei was het wel goed. Ook zwom ze elke zaterdag, maar nu wil ze niet eens meer in bad. Omdat ik haar lang ondervraagd heb, kwam er stukje bij beetje een bekentenis uitrollen.’ Toen op 6 juni het perscommuniqué van de rijkspolitie verscheen dat zo'n vijftig kinderen in het dorp zouden zijn misbruikt, raakte heel Nederland in rep en roer. De volgende dag was het alsof journalisten het gemeentehuis hadden gekaapt. Iedereen wilde een primeur van 'de clownsaffaire’. Ook het politiebureau leek door journalisten te zijn overgenomen. In Dagblad van het Noorden omschrijft een journalist de sfeer op het politiebureau als volgt: 'De ene journalist doet de deur voor de andere open. Verontruste ouders tonen zich er niet meer. De enige inwoner van het dorp die wél naar het bureau komt, blijkt slechts een gestolen benzinedop te willen melden.’
Ger Blokzijl was destijds werkzaam bij het dagblad en kijkt met gemende gevoelens terug op die dagen: 'Het ging mij persoonlijk aan het hart. Ik ben geboren in Oude Pekela. Maar dat het groot nieuws werd, is niet meer dan logisch. Het was de eerste keer dat zo'n grootschalige ontuchtzaak speelde in Nederland. En dat de dader een clown was, sprak natuurlijk al helemaal tot de verbeelding.’
Mediasocioloog Peter Vasterman kijkt erop terug als het schoolvoorbeeld van een mediahype: 'Ontucht was voor de Nederlandse pers een totaal nieuw onderwerp. Voorheen had men niet zoveel aandacht voor kindermisbruik. De interesse voor pedofilie kwam pas eind jaren tachtig opzetten. De onervaren media doken op het schandaal. Het was een zichzelf versterkend proces dat een grote invloed heeft gehad op onze beeldvorming van Oude Pekela en van zijn inwoners.’
'Oude Pekela komt altijd maar negatief in beeld’, klagen een paar dobbelaars in donkerbruin buurtcafé De Harmonie. 'En nou ga jij dus weer over twintig jaar geleden schrijven. Dan krijgen wij dat weer op ons dak. Want jij lost het niet op, ja?’ Vervolgens raken de mannen ondanks zichzelf toch over de clownsaffaire in gesprek. Er zal heus wel wat gebeurd zijn, zegt een wat oudere man met Oost-Groningse tongval. 'Echt wel’, bevestigt een ander. 'Heus wel’, zegt de eerste weer.
'Ophouden!’ bast een stem uit het niets. Aan de overkant van de tafel zit een man boos naar me te kijken. Hij neemt een grote slok van zijn bier en zet z'n glas met een bons neer. Een vlok schuim blijft aan z'n neus hangen. 'Ik vind dat je iets anders moet uitzoeken om over te schrijven. Er zijn veertig rechercheurs mee bezig geweest, en dan zou jij het oplossen. Ga maar terug naar waar je vandaan komt en zeg maar tegen je mensen dat je niks hebt. Geen verhaal. Ja?’ Hij kijkt me lang aan. Z'n lichtblauwe ogen fiikkeren fel vanuit zijn door woede verwrongen gezicht. Iedereen zwijgt.
'Eh Eddie, je moet je neus schoonv…’, doorbreekt een van de mannen de stilte. 'Nee!’ roept Eddie uit. 'Nee! Ze rakelt het allemaal weer op. Fuck you!’ Hij staat op, buigt over de tafel en steekt z'n middelvingers naar me op. 'Fuck you! We gaan het hier niet meer over hebben. Het is afgelopen nu. Afgelopen!’ Aan z'n neus trillen de luchtbellen mee.
'Weet je naar wie je toe moet?’ fiuistert een man naast mij. 'Meneer De Wit. Die kan je meer vertellen.’
Een kwartier later bel ik bij meneer De Wit aan. Het is al donker en de straten zijn uitgestorven. Meneer De Wit kijkt geschrokken. 'Ik heb twee kinderen die in het onderzoek betrokken waren’, zegt hij zacht. 'Ik vind het moeilijk hierover te praten.’ Hij weifelt even. 'Weet je wat we kunnen doen? Geef me je mailadres maar. Schrijven vind ik makkelijker…’

TOEN DE HARDE bewijzen in het politieonderzoek uitbleven, ontstond de eerste twijfel in het dorp. Exact twee maanden na de eerste aangifte probeerde politiechef Blok het onderzoek te staken. 'We zijn uitgerechercheerd. En werkelijk, er is een geweldige recherche-inspanning geleverd. Wij komen niet verder. De verklaringen van de kinderen zijn té diffuus en té chaotisch. De politie moet feiten hebben. De kinderen spreken elkaar voortdurend tegen. We hebben zoveel verschillende signalementen. Een kind wees een bejaardenhuis aan, dat leek ons niet erg waarschijnlijk. Ik begrijp niet dat de ouders niet hebben gemerkt dat de kinderen weg waren. Mijn vrouw ging iedere vijftien minuten buiten kijken toen de kinderen nog klein waren. Als er echt in groten getale iets was gebeurd, hadden de ouders het moeten zien.’ Deze aankondiging stuitte op hevig protest, voornamelijk van betrokken ouders onder leiding van dokter Jonker. Hierop besloot Blok het onderzoek toch voort te zetten.
Ondertussen raakte de pers verdeeld in twee kampen: dat van de 'gelovigen’ en dat van de sceptici. Persofficier van justitie Severein deed de zaak af als massahysterie. Diverse media namen zijn standpunt over. Columns, commentaren en reportages gingen steeds vaker over de vraag of het allemaal wel echt was gebeurd.
Om de zaak niet verder te laten escaleren schakelde het Openbaar Ministerie Gerrit Mik in. De jeugdpsychiater moest de kinderen ondervragen en bij het opsporingsonderzoek helpen. Mik kwam tot de conclusie dat met 25 tot 30 kinderen ontucht was gepleegd en publiceerde dit in een rapport. Een storm van kritiek barstte los. Mik werd door collega’s afgedaan als 'Gekke Gerrit’ en kreeg te maken met flinke bedreigingen. De politie bouwde echter op zijn onderzoek voort.
In januari 1988 was de politie nog geen stap verder. Ze wilde het onderzoek afronden. Wederom volgde er hevig protest van ouders die zich niet serieus genomen voelden. In februari was de situatie in Oude Pekela zo explosief dat minister van Justitie Korthals Altes een bezoek bracht aan de gemeente. Daarna werd het onderzoek opnieuw geopend, ditmaal met een nieuw rechercheteam. Toen dit team op 17 oktober 1988 moest bekennen ook geen bewijs te kunnen vinden voor de ontuchtzaak werd het onderzoek definitief stopgezet.

OP ZONDAG SPEELT Pekelder voetbalclub Noordster. En dus zijn de straten van het dorp, afgezien van twee meisjes die met dreunende hardcore-muziek voorbij scheuren in een kanariegele Fiat, leeg. Al ver van het stadion galmt het 'ohhh’ en 'ahhh’ van een menigte in spanning. Naast het voetbalveld worden loterijkaartjes verhandeld. De hoofdprijs: een mand met boodschappen.
In de kantine staat een groep jonge mannen bier te drinken. 'Hebben jullie je hele leven in Oude Pekela gewoond?’ vraag ik ze. 'Wij niet, maar hij wel.’ Ze wijzen naar een jonge veertiger met een sjaaltje om z'n nek. 'Wat weet u van de clownsaffaire?’ vraag ik hem. 'Veel!’ antwoordt hij geestdriftig. 'Ik was toen straatagent. Dus ik kan je een hoop vertellen.’ We nemen wat afstand van zijn vriendengroep. 'En ik zat toen in het voetbalteam met de vader van een van die kinderen. In de kleedkamer kreeg ik van hem verhalen over z'n kind te horen, nou, die verzin je niet. Ik zag ’m hier vandaag lopen en dan is dat nog steeds het eerste waar ik aan denk. Moet je nagaan.’ Hij schudt zijn hoofd.
'Zijn kind, dat…’, hij bijt op zijn lip en kijkt opeens zoals mensen doen wanneer ze zich realiseren dat ze de deur zijn uitgegaan zonder de sleutel mee te nemen. 'Ik wil geen mensen in verlegenheid brengen.’ Ook over het politieonderzoek kan hij bij nader inzien toch niet zo veel kwijt. Hij was maar straatagent, en niet eens bij het onderzoek betrokken. Ondertussen zet hij een stap naar achteren. Kijkt zoekend rond. Waar zijn z'n vrienden toch gebleven? 'Weet je wie hier veel van afweet? Berghuis! Die was toen wijkagent. Kan je er alles over vertellen.’ En weg is hij.
Een half uur later bel ik aan bij een twee-onder-één-kapwoning met rieten dak. Een nieuwbouwhuis, met zo te zien alle comfort dat de moderne tijd met zich meebrengt nostalgisch vermomd in boerenstijl. Een verzorgde mevrouw doet open. Haar echtgenoot staat achter haar. 'Meneer Berghuis? Dat ben ik.’
Ik mag van hem meteen binnenkomen. 'De ontuchtzaak. Dat is lang geleden’, zegt hij als hij me voorgaat naar de achtertuin. Een kleine hond loopt keffend tussen onze benen door. 'Ik was net aan het borrelen. Lust jij wat te drinken? Ik drink zelf Schultenbrau, maar ik heb ook Amstel. Ga trouwens zitten.’ Hij gebaart naar de terrasstoelen en loopt naar binnen. Zijn hond nestelt zich ondertussen in een mandje in de schaduw van keurig geplante sierbomen. Erachter glinstert een beek in de late middagzon. Maar als Berghuis terugkomt, is z'n uitstraling veranderd. 'Je mag je drankje opdrinken. Maar daar laat ik het bij.’ Hij kijkt me niet aan. Vanwaar die verandering, vraag ik. Berghuis laat zich in een van de stoelen zakken. Hij oogt opeens moe. ’M'n vrouw is het er niet mee eens. Ze heeft het toen nogal moeilijk gehad.’
Waarom dan, probeer ik. Berghuis gaat er niet op in. 'Deze zaak is niet op te lossen. Ik geloof niet dat iemand ooit nog de dader vindt. Het heeft geen zin.’
'Heeft u dat geaccepteerd?’ vraag ik.
'Ik wilde het onderzoek heel graag tot een goed einde brengen.’ Zijn stem heeft eventjes een getroffen klank. Maar meteen herneemt hij zich. 'Op een gegeven moment moet je je afvragen hoe ver je wil gaan. Ik heb het een plekje gegeven.’
Hij begint naar mijn achtergrond te vragen, of ik nog studeer en waarom ik door de clownsaffaire geboeid ben geraakt. Waarop ik de rollen weer probeer om te draaien. Hij reageert verbeten. 'Luister: mijn vrouw vindt het zo vervelend dat ze het huis is uitgelopen. Ze kan het niet hebben.’ Hij vervolgt: 'Kijk naar die Mik. Dat was een goeie psychiater. Maar die is ook door de mangel gehaald toen hij zich met deze zaak ging bemoeien. Wie ben ik dan? Jij hebt straks een mooi artikel. En dan vertrek je weer naar de stad. Maar wij leven hier in een dorp. Ik heb er geen enkel belang bij iets over deze zaak los te laten.’ Berghuis werpt een blik op mijn bijna lege glas. De stilte in de tuin voelt drukkend.

ALS IK THUISKOM, heb ik een e-mail van meneer De Wit ontvangen. Hij wil me best wat vertellen, schrijft hij, op voorwaarde dat hij anoniem in de krant komt. Dat zeg ik hem toe.
'Ik hoorde voor het eerst over de ontucht in mei 1987’, laat hij vervolgens weten. 'We kregen een brief thuis van de school waar mijn kinderen les kregen. Ook werd er een bijeenkomst georganiseerd. Eerst dacht ik dat mijn kinderen er niet bij zaten. Maar toen bleek mijn oudste zoon allerlei details te kennen over het huis waar de ontucht zou hebben plaatsgevonden. Dat huis lag ver uit het dorp, hij had daar niks te zoeken. Vervolgens deed ik navraag bij de recherche, en de details die mijn zoon kende, bleken overeen te komen met de aanwijzingen die andere kinderen uit het dorp hadden gegeven. Toen wist ik genoeg. Veel mensen uit het dorp geloven me niet, maar ik ken m'n eigen kinderen. Ze waren in die bewuste tijd vaak ontzettend moe. Toentertijd dacht ik dat het door de buitenlucht kwam. Nu weet ik beter.De jongste heeft nog weken volgehouden dat hij er niet bij was, maar ik geloofde hem niet. Hij was opeens vreselijk bang, niet meer zindelijk, erg opstandig… Mijn vrouw ging met ’m naar een kinderpsychiater in Groningen. Daar kwam de aap uit de mouw. Ook hij was bij de ontucht betrokken geweest. Ook hem hebben ze misbruikt.
Ik denk dat veel mensen uit het dorp niet geloofden dat er wat was gebeurd, omdat de verhalen die de ronde deden steeds ongeloofwaardiger werden. Er is een hoop bij gehaald. Zo heeft de dader niet verkleed als clown door het dorp gelopen, maar verkleedde hij zich alleen tijdens het misbruik wel eens zo. Ook zijn er misschien kinderen bij het onderzoek betrokken die eigenlijk niks met de zaak te maken hadden. Maar ik ken m'n eigen kinderen. Ik weet wat er met ze is gebeurd.’
Meneer De Wit geeft me per mail ook de naam van een ander gezin dat nog in het dorp woont en dat volgens hem tot de eerste gezinnen behoorde die aangifte deden. 'Hoe komt u aan mijn nummer?’ vraagt de mevrouw aan de telefoon. 'Ik wil het er liever niet over hebben’, zegt ze. 'Mijn gezin lijdt nog steeds onder de consequenties. Maar ik wens u veel succes. Het zou mooi zijn als deze zaak eindelijk werd opgelost.’


De naam van meneer De Wit is om privacy-redenen gefingeerd. Met medewerking van Simon Kwekkeboom en Jesse Holweg