De mysterieuze onderwijzer

Melech Ravitch werd in 1893 in Galicië (Polen) geboren. Hij woonde achtereenvolgens in Wenen, Warschau, Amerika, Australië, Canada en Israel en stierf in 1976 in Montreal. Ravitch is binnen de Jiddisje literatuur vooral bekend als dichter. ‘Het verhalenboek’, drie delen, 1354 bladzijden, is vertaald in het Hebreeuws en het Duits (Melech Rawitsch, ‘Das Geschichtenbuch meines Lebens, eine Auswahl’, Otto Müller Verlag, Salzburg, 1996). Het onderstaande fragment is een van de vertellingen uit het eerste deel en is door Fred Bornstein vertaald uit het Jiddisj. Binnen de Jiddische Bibliotheek van Vassallucci zal over circa een jaar een selectie uit het ‘Verhalenboek’ verschijnen.

Mijn oudste tante van moederskant heette Mirl, haar man Awrom-Hersj. Toen ze trouwden was mijn tante veertien en mijn oom dertien jaar. Mijn oom Awrom-Hersj was niet bang uitgevallen en wanneer er binnen de familiekring een lastig karweitje moest worden opgeknapt, stuurde men hem er als regel op af. Al bij zijn eerste kennismaking met mijn tante toonde hij zijn koelbloedigheid. Hij was op dat moment twaalf en zijn aanstaande bruid dertien. Terwijl de familie verlegen aan tafel zat en met kleine lepeltjes van de confituur proefde die bij de thee met citroen was gepresenteerd en bij god niet wist waar ze het over moesten hebben, verbrak de twaalfjarige bruidegom plotseling de stilte door op luide toon te roepen: ‘Waarom zouden we binnen zitten, Mirl, buiten liggen prachtige planken en balken, kom mee buiten spelen, dan bouwen we een wip, kom Mirl!’
Voordat zij veertig jaar was had mijn tante al twintig kinderen op de wereld gebracht, waarvan er twaalf in leven waren gebleven. Zeven zonen en vijf dochters die hun hele leven in naburige dorpen zouden blijven wonen, waar ze huizen en grond bezaten. Op het moment dat dit verhaal speelt - in 1902 - woonde mijn oom op het landgoed Sjwi'ente dat een kilometer of wat van ons plaatsje vandaan lag. Omdat de kinderen niet naar een school of naar het cheider konden gaan, had mijn oom voor hen van jaar tot jaar een privé-onderwijzer in dienst; altijd iemand die plichtsgetrouw was en godsdienstig. Maar hoewel het mijn oom in zijn dorp aan niets ontbrak, bleven de jonge onderwijzers toch niet lang bij hem. En een wat oudere kwam niet in aanmerking, omdat zo'n onderwijzer behalve Hebreeuws ook Duits en Pools moest kennen.
Op een gegeven moment is er juist weer een onderwijzer vandoor. Het loopt al tegen de herfst en er is nog altijd geen vervanger. Mijn oom Awrom-Hersj is al in alle grote stadjes in de buurt wezen informeren, maar heeft niemand kunnen vinden. Hij is vertwijfeld. Hij rijdt - met lege handen dus - van Lemberg met de trein naar huis. Tussen Przemysl en Radymno lucht hij in de halfdonkere coupé, het is al na middernacht, zijn hart tegen zijn medepassagiers die hij vanwege de duisternis amper kan onderscheiden. En dan zegt plotseling iemand tegen hem: 'Ik wil die baan wel hebben…’ En voordat ze goed en wel met elkaar hebben kunnen spreken, stopt de trein al op het station van Radymno en stapt de jongeman samen met mijn oom de trein uit.
'Waar zijn uw koffers?’ vraagt mijn oom.
'Dit is het’, zegt de jongeman, 'verder heb ik niets.’
Maar hoe aangenaam verrast is mijn oom wanneer hij de kandidaat in het licht van de grote petroleumlamp van het stationsgebouwtje voor het eerst goed ziet. Lang en slank is hij, knap, jong, charmant en elegant gekleed.
'Kent u Duits en Pools?’ vraagt mijn oom aarzelend.
'U zult wel zien.’
Kon hij dawwenen - bidden - en was hij thuis in de Rasji-uitleg van de tora en in de talmoed? 'U zult wel zien.’ Kon hij goed rekenen en wist hij wat af van geschiedenis en natuurwetenschappen? 'U zult wel zien.’ Hoeveel geld wilde hij voor het schooljaar? 'U zult wel zien.’ Waar kwam hij eigenlijk vandaan? 'Wat maakt het uit?’
Ten slotte vraagt mijn oom hem hoe hij heet. Nu, daar was op zich niets geheimzinnigs aan, maar hij zou graag zien dat ze hem 'Streicher’ noemden.
Mijn oom hield zelf ook wel van dit soort geintjes en had bovendien weinig keus. Wat had hij te riskeren? Hij nam meneer Streicher dus mee naar huis. Voor het station wachtte mijn ooms knecht op hem bij een wagen met een stel vurige paarden ervoor, zodat ze al tegen de ochtend thuis waren en de familie aan het ontbijt merkte dat er een gast was meegekomen. En wat voor een gast: een elegant geklede, charmant glimlachende, maar zeer zwijgzame jongeman. Binnen de kortste keren lag het hele huis aan de voeten van de nieuwe onderwijzer. Dat gold zowel voor de vijf zoons als voor de vijf dochters. Twee zoons van mijn oom waren toen al getrouwd en woonden op zichzelf, maar de dochters woonden nog allemaal thuis.
Wat men ook van de nieuwe onderwijzer verlangde, hij kon alles. In het begin was mijn oom nog bang geweest dat meneer Streicher de dorpskinderen vanwege zijn jeugdige leeftijd - hoe oud hij precies was wist niemand, maar hij moest een jaar of vierentwintig zijn - niet de baas zou kunnen. Ze liepen hem echter achterna als schaapjes achter hun herder. Eén blik van hem was genoeg… en de meisjes hadden zelfs dat niet nodig. Ze deden er alles aan om maar zo goed mogelijk voor de dag te komen; zowel bij de lessen als in de wijze waarop ze zich kleedden. Als hij maar hun kant op zou kijken…! Maar de nieuwe onderwijzer met de fonkelende zwarte ogen en de hagelwitte tanden sloeg geen acht op hen. Hooguit een enkele, verstolen blik.
Was hij gelovig? Gebedsriemen had hij niet bij zich, hij was immers onderweg en had geen bagage bij zich toen hij mijn oom ontmoette. Maar hij vroeg er wel direct na zijn komst om en sloot zich elke morgen een kwartier lang op in zijn kamer. Of hij dan gebeden zei, wist niemand.
Weldra verspreidde het nieuws over de wonderlijke onderwijzer zich door het hele stadje en wilde iedereen van de familie hem met eigen ogen aanschouwen om van zijn kennis en magie te genieten. Een paar ooms en tantes, waaronder ook mijn ouders, besloten daarop een soort avondschool met hem te organiseren. De lessen vonden bij ons thuis plaats. Er werd tora gestudeerd - de sidra van de week - maar ook andere delen van de bijbel kwamen aan bod. Vier avonden per week, van maandag tot en met donderdag, kwam er nu een grote wagen uit Sjwi'ente voorrijden - ’s winters een grote slede. Nog voordat hij goed en wel had stilgehouden, sprong meneer Streicher al met een lenige sprong en een glimlach op zijn gezicht van de wagen af. En meteen liep hij de kamer binnen waar de lessen plaatsvonden en meteen werden de boeken geopend. Vaak woonden ook volwassenen de lessen bij en genoten dan met volle teugen. De Hebreeuwse tekst werd gelezen met behulp van Duitse vertalingen en zo nodig Poolse commentaren. Na de les kwam meneer Streicher vaak naar de salon om een kopje koffie te drinken en met mijn moeder van gedachten te wisselen over schrijvers als Schiller, Goethe, Shakespeare, Heine, Herder, Mickiewicz, Slowacki, Kraszinski, Sienkiewicz, Orzeszkowa… De moderne joodse literatuur was toen nog niet tot onze naaste omgeving doorgedrongen, in ieder geval niet bij ons thuis.
Toch bleef iedereen zich afvragen wie die meneer Streicher nu eigenlijk was. Een paar van mijn ooms die zich niet wilden laten kennen verzamelden al hun moed en zeiden dat ze het hem gewoon, recht op de man af, zouden vragen, maar er kwam nooit iets van. In de familiekring deden ondertussen de wildste verhalen over hem de ronde. Vooral de vijf dochters van mijn oom Awrom-Hersj lieten hun fantasie de vrije loop en verloren zich in dromen… Maar ook mijn anders zo moedige oom was op de een of andere manier bang voor hem. Hij begreep heel goed dat de onderwijzer, zodra men hem vragen zou gaan stellen, zijn biezen zou pakken. En dat midden in het schooljaar. Tien kinderen in huis en dan zonder onderwijzer zitten, dat was nu niet direct een prettig vooruitzicht!
Al met al was het een vreemde winter, een winter die geheel in het teken stond van meneer Streicher en hetzelfde gold voor het begin van het voorjaar. En… ik moet nog bekennen dat ikzelf de beste leerling was van allemaal. Wanneer ik ’s avonds in de les kwam, kende ik de stof al uit mijn hoofd. Ik hoefde er weinig moeite voor te doen, ik hoefde me maar de glimlach op het gezicht van meneer Streicher voor te stellen of hem in gedachten zijn prijzende woorden te horen zeggen: 'Goed zo, Sigmund, beter kan het gewoon niet!’
Maar op een goede avond gaf meneer Streicher mijn ooms knecht, die elke avond na de les op hem wachtte om hem terug te brengen naar het dorp, de opdracht naar het station te rijden. Hij trok onderweg een deken over zich heen om beschut te zijn tegen het nachtelijke voorjaarsbriesje, glimlachte bij aankomst minzaam tegen de knecht, gaf hem een goede fooi, hees zich de trein in… en dat was dan het verhaal van meneer Streicher.
De familie was diep bedroefd en hier en daar werd stilletjes gehuild. Zelf was ik ook ontroostbaar. Wekenlang lag ik ’s nachts in mijn bed te draaien zonder de slaap te kunnen vatten, waarbij me steeds het gezicht van de onderwijzer voor ogen kwam. Zoals niemand van de familie hem voor zijn plotselinge komst ooit had gezien, zo werd ook nadien nooit meer enig teken van leven van hem gehoord.
Ten slotte moet ik nog melden dat de oudste en mooiste dochter van mijn oom, Froemtsia, nooit is getrouwd en - zo'n veertig jaar later - als een oude vrijster naar het kamp Belzec is weggevoerd. Mogelijk is met haar ook de sleutel van de oplossing van het mysterie rond de onderwijzer in de vlammen van het crematorium opgegaan.