De mystiek van Jomanda

Nazmiye Oral, Zehra, De Bezige Bij, 240 blz., € 16,90

De eerste twee zinnen uit Zehra, het debuut van Nazmiye Oral, beloven weinig goeds. ‘Ik herinner mij de dag waarop ik stierf. Het was de dag waarop ik besloot te leven.’ Dit is niet alleen opzichtige zelffeliciterende slimmigheid, het is ook nog eens een onbeholpen manier om een wederopstanding te suggereren. Boeken worden wel eens om minder ongelezen gelaten. Gelukkig volgt op deze talige monstruositeit het helder geformuleerde verhaal van Zehra, een groenogig kind zonder een duidelijke geschiedenis, dat ouderloos aan een zwerftocht begint die haar naar een ongenoemde Turkse kustplaats leidt. Het is dit gegeven van een weerloos en rondzwervend kind, dat de context van familie en achtergrond ontbeert, dat in de eerste helft van dit boek een onweerstaanbaar aanzuigende werking op de lezer uitoefent. Wie is deze Zehra die het moederziel alleen op het onbarmhartige Turkse platteland moet zien te rooien? Welk samenhangend verhaal kan er gemaakt worden van haar korte terugblikken op een familie die plotseling door een verschrikkelijk onheil getroffen wordt? Het is niet moeilijk om empathie op te brengen voor dit tere kinderzieltje, zeker niet als ze zich voor haar overleving als sloofje moet inzetten voor een boosaardige zigeunervrouw met 'ogen die niets anders zagen dan wat ze tekortkwam’. Dit soort terloopse karakteriseringen, die krachtig in suggestie zijn, vormen samen met de flarden geschiedenis een dwingend geheel dat je een tijdlang nieuwsgierig houdt naar het lot van dit kind.

Dat lot neemt een gelukkige keer als Zehra aan de zigeunerin weet te ontsnappen en op een dag doodmoe en uitgehongerd aanklopt bij Havva, een oudere weduwe en lijkenwasser. Hun verbondenheid is direct vanzelfsprekend, haast voorbestemd. De wees heeft weer een moeder, en de kinderloze lijkenwasser heeft weer een kind om te bemoederen. Dat is mooi, dat is tranentrekkend ontroerend, maar voor het verhaal pakt het helaas minder goed uit, want het is ook het moment waarop het verhaal een minder urgent karakter krijgt; het gegeven van een kind dat op niemand behalve zichzelf kan terugvallen, is plots minder hartverscheurend omdat het kind ten langen leste een warm en liefdevol nest vindt. Het is ook het moment waarop er steeds meer magisch-realistische flauwigheden het verhaal binnendringen. In relatie tot Zehra wil dat aanvankelijk nog intrigeren. Er is de suggestie dat zij een uniek venster op de metafysische wereld heeft, ze merkt aura’s op, kwade en goede, en heeft aanleg voor de praktijk van gebedsgenezing die Havva ook uitoefent. Zo'n bovennatuurlijke laag heeft de belofte in zich om plat realisme naar een transcendentaal niveau te tillen, maar dat kan alleen als de taal waarin dat gebeurt zelf niet plat is. Dus geen nietszeggendheden als 'energieën’ en 'iets’, want daarmee wordt weinig verduidelijkt, laat staan verheven.

Orals poging om het verhaal een mystieke verhevenheid te geven is op dit punt in het boek nog niet zo storend dat je de lezing meteen wilt staken, want wat blijft trekken is de incomplete geschiedenis van Zehra. Hier is Oral op haar best, ze husselt de chronologische volgorde van Zehra’s herinneringen door elkaar en geeft niet meer informatie prijs dan nodig is om je gretig naar meer onthullingen te houden. Ook de complexe liefdesverhouding die Zehra begint met de bloedmooie huisvriendin Hatun is een verhaallijn die de sluimerende weerzin tegen het geklets over 'energiemuren’ en de rest van die onzichtbare santenkraam nog weet te onderdrukken. Deze liefdesverhouding is niet alleen complex omdat die is aangegaan door twee islamitische meisjes, maar ook omdat hij wordt getorpedeerd door ene Memoli, een patserig en jaloers joch dat zijn zinnen op Hatun heeft gezet. Het levert verwikkelingen op die de aandacht afleiden van de bombastische bespiegelingen over dood en leven en van de zelfvoldane sereniteit van veel personages.

Maar het gaat uiteindelijk toch mis, en er is een duidelijk aanwijsbaar punt in het boek waarop het verhaal zijn spankracht volledig verliest. Het is als Memoli zwarte magie gebruikt om Hatun voor zich te winnen en daarin ook slaagt, met desastreus gevolg. Tot dan is er alleen gehint naar werelden die wij niet kennen. Deze concrete intrede van werkelijke magie in het verhaal is een breuk met het suggestieve karakter dat tot dan toe heerste. Het maakt alles kluchtig, zowel de taal als de beschrijving van rituelen ('Het lichaam van Ayse leek me nu te roepen. Haar rechterschouder wilde aandacht en dus hield ik mijn hand daarboven, zweefde een centimeter of tien boven het vlees, voelde dat ik nog verder omhoog moest en draaide cirkels in de lucht met mijn platte hand, alsof ik haar schouder insmeerde met tijgerbalsem’). Dit is de wereld van Jomanda.

Pijnlijk ook is dat het boek in een pathetisch slot moet verzanden waarin Zehra, die begon als een boeiend personage, eindigt als de verkondiger van slappe boeddhistische aforismen als: 'Het was een bevrijding het verlangen op te geven.’ Een gemiste kans, want Oral bewijst vooral in het eerste deel van het boek dat ze heel wel in staat is om een ingenieus geconstrueerd verhaal op te zetten dat geen modieus mystiek geneuzel behoeft om de lezer te boeien. Daar in dat eerste deel is de balans goed getroffen tussen een dwingende plot die zich gecontroleerd ontvouwt en een evocerende taal die nog niet overwoekerd is door woorden die meer verduisteren dan dat ze verduidelijken.