Voetbal

De mythe van aanvallend voetbal

De mythe is nu definitief kapot. Op RTL5 legde trainer Huub Stevens het afgelopen weekeinde uit: «We moeten ophouden denigrerend te doen over kick-and-rush-voetbal in Engeland.» In tegenstelling tot het voetbal in Duitsland en in Nederland, waar de bal bij voortduring een tikje terug wordt gegeven of breed gelegd.

Inmiddels heeft statisticus Marcel Hoefsmit uit Leerdam dit oordeel in harde cijfers terug gevonden. Hoefsmit bestudeerde de afgelopen 55 wedstrijden van het Nederlands elftal en constateerde dat de Oranje-spelers de bal gemiddeld 19 keer per wedstrijd terugspelen op de keeper, terwijl de tegenstander dat gemiddeld 8,5 keer deed. De totalen: 1047 terugspeelballen van Oranje, tegenover 472 terugspeelballen van de tegenstander.

Het is allemaal begonnen toen elke Nederlandse club het zogenaamde Ajax-systeem ging spelen. Balbezit boven alles, was het devies van Louis van Gaal, en één op één in de verdediging. Dat werkte met een exceptioneel goede selectie, met Finidi George, Jari Litmanen en Edgar Davids . Later werkte het trucje van Van Gaal nergens meer. Vooral een explosieve voetballer als Rivaldo walgde van de eis van Van Gaal «de bal het werk te laten doen».

Toch probeerde iedere Nederlandse club het Ajax-systeem te imiteren, «ook de kleintjes», beweerde oud-Ajax-trainer Aad de Mos afgelopen week in een uitzending van RTL5. Goede lijnkeepers werden vervangen door «goed voetballende keepers». De verdedigers — die één op één moesten spelen — werd geleerd voortdurend rond en terug te spelen, tot de spitsen voorin niet meer de moeite namen zich vrij te lopen. De bal zou toch pas via vijf schijven komen, als hij al niet vroegtijdig weer terug was gespeeld. De toeschouwers hielden zich wakker door elkaar te bestoken met liefdesverklaringen aan het Nederlands voetbal. Spelers en journalisten hielpen mee. Frank de Boer zei na iedere wedstrijd, gewonnen of verloren, «dat het toch moeilijk voetballen is tegen zo’n verdedigende ploeg», hoe risicovol de tegenstander ook had gespeeld. «Infoganda» noemt The New York Times dergelijke onzin, waar journalist en geïnterviewde samen in geloven.