FILM Comandante

DE MYTHE VAN CASTRO

‘En Oliver, heb je een onderscheiding gekregen toen je terugkwam?’
‘Ja.’
‘En Oliver…’ Fidel Castro, met baard en gekleed in het iconische, groene legeruniform, laat een stilte vallen, en kijkt dan indringend naar de jongere man met de snor tegenover hem. Vervolgens stelt de oude man zijn vraag met een zachte stem, bijna vaderlijk: ‘Oliver, ben je ook gewond geraakt in Vietnam?’
‘Ja.’
Wie stelt hier de vragen? De documentairemaker of de dictator? Oliver Stone of Fidel Castro? Voor de camera staan in ieder geval twee wapenbroeders oog in oog met elkaar: Castro, revolutionair, vader des vaderlands, militair en luis in de pels van alle Amerikaanse presidenten sinds Dwight D. Eisenhower. En Oliver Stone, een met het Purple Heart en de Bronze Star onderscheiden Vietnam-veteraan en regisseur van sleutelwerken van drie decennia, onder meer Wall Street (1987) en Platoon (1986), het magistrale Natural Born Killers (1994) en het ondergewaardeerde World Trade Center (2006).
Zijn Comandante is een film die nauwkeurig kijken vereist. Wie een indringend, journalistiek portret van de Cubaanse leider verwacht waarin allerlei onthullingen over zijn leven en werk worden gedaan, komt bedrogen uit. Dit is géén ‘documentaire’, maar een film gemaakt door Oliver Stone. Ook qua stijl. Net als in bijvoorbeeld U-Turn (1997) speelt Stone op radicale wijze met montage en geluid. Mooi is hoe, terwijl Castro aan het woord is, Stone wegsnijdt naar een ander beeld van een peinzende Castro terwijl de stem van Castro nog altijd klinkt. Dat schept een intimiteit, een spanning die Stone vermengt met prachtige Cubaanse jazz en pop uit de jaren zestig.


Stone’s stilistische uitspattingen illustreren al zijn thematische obsessies: de invloed van macht op het leven van een man; het gevaar van morele corruptie; de verleiding van het dictatorschap; het vooruitzicht van persoonlijke verlossing na een dubieus leven van geweld. Stone slaagt perfect in het deconstrueren van de mythe van Castro. Aan het einde van de film is die mythe springlevend: Castro is Castro, listig en gevaarlijk, maar ook zo onverwacht charmant en bedachtzaam dat hij zijn Amerikaanse gasten zelfs vergezelt naar de luchthaven, waar hij iedereen voor vertrek omhelst en kust.
Stone maakte Comandante al in 2002 als documentaire voor HBO. Waarom de film nu pas in Nederland draait, is een raadsel. Inmiddels is er veel gebeurd. Castro heeft de macht overgedragen. Toch blijft het een fascinerend werk, vooral dankzij de chemie tussen Castro en Stone, tussen De Baard, zoals auteur James Ellroy de Cubaanse leider in zijn American Underworld-trilogie noemt, en De Snor, dus. De Snor, want de regisseur ziet er bijna lachwekkend glad uit: raafzwart gekleurd haar en idem dito snor en een louche lachje dat je bij een gedroomde pooier op een straathoek zou verwachten.
Tussen de humoristische momenten door zijn er scènes waarin de spanning wel degelijk stijgt, waarin Oliver Stone een harde, cynische kant toont zonder dat Castro dat lijkt door te hebben. Tijdens een autorit brengt Stone bijvoorbeeld George Bush ter sprake. Ach, Bush, reageert Castro, daar weten we wel raad mee. Nee, Fidel, repliceert de filmmaker, als Bush het zou willen, dan zou hij wel raad weten met jou! Implicatie: nog altijd zit Amerika met Cuba in z’n maag, nog altijd is er die waanzinnige droom, of nachtmerrie, van een door Amerika gesteunde omverwerping van het regime in Havana. En De Baard? Die kijkt alleen maar naar De Snor. Alsof die een grapje maakt. Wat niet zo is.

Nu te zien in Filmhuis, Den Haag; ’T Hoogt, Utrecht; Kriterion, Amsterdam en Must See, Delft