Economische groei is natuurlijk niet goed voor het milieu

De mythe van de econologie

Volgens milieueconoom De Bruyn is economische groei helemaal niet goed voor het milieu. ‘Het leidt tot meer milieudruk.’

De tegenstelling tussen milieu en economie bestaat niet. Als de paarse politiek ons één boodschap onder de neus heeft gewreven, is het deze wel. In het regeerakkoord Kok-II staat dat het voor vrijwel alle milieuproblemen is gelukt «een absolute ontkoppeling tot stand te brengen: de vervuiling daalt terwijl productie en consumptie groeien». De ministers Wijers en De Boer uit het eerste paarse kabinet, beëindigden de bijna folkloristische strijd tussen de departementen van Economische Zaken en Milieubeheer, en bedachten een lelijk neologisme voor deze pacificatie: econologie. De verzoening werd officieel bezegeld met het uitkomen van de Nota milieu en economie (1997). «Economische groei en vermindering van de milieudruk kunnen heel goed samengaan», staat daar op de eerste pagina. Maar bij een woordspelletje en een nota bleef het niet. De toegestane groei van het vliegverkeer op Schiphol «binnen de milieugrenzen» moesten we begrijpen als een win-winsituatie. De peperdure treintunnel onder het Groene Hart was «Paars op zijn best». De nieuw te bouwen Vinex-locatie IJburg, in de Ecologische Hoofdstructuur, zou uiteindelijk resulteren in een versterking van de natuur. En het scheelde maar een haar of het kabinet had de nam toestemming verleend te boren naar gas in de Waddenzee.
En-en, win-win. Het is deze toon die het Nederlandse milieudebat heeft doodgeslagen. Milieueconoom Sander de Bruyn: «Nederland is het enige land in Europa waar milieuproblemen niet meer in de belangstelling staan. De Nota milieu en economie heeft hieraan flink bijgedragen. Toen vorig jaar de Klimaatnota uitkwam, schreef de Volkskrant daar iets over op pagina zeven. Vijf jaar eerder was dat ondenkbaar.»

De Bruyn promoveerde in december vorig jaar aan de Vrije Universiteit op het proefschrift Economic Growth and the Environment: An Empirical Analysis, waarin hij de houdbaarheid onderzoekt van het axioma dat economie en milieu duurzaam zijn te verzoenen. «Economische groei leidt altijd tot meer milieudruk», zegt De Bruyn. «De milieuvervuiling kan tijdelijk dalen door het inzetten van schone technologieën, maar economische groei stimuleert die toepassingen niet. Zelfs bij het terugdringen van de uitstoot van zwaveldioxiden, die in ontwikkelde landen in de laatste 25 jaar met tachtig procent is afgenomen, blijkt dat landen met een hogere economische groei minder succesvol zijn geweest. Meer groei betekent gewoon dat je meer in milieubeleid moet investeren om de negatieve gevolgen van die groei ongedaan te maken.»
Het empirisch onderzoek van de milieueconoom kan een steuntje in de rug betekenen voor minister Jan Pronk van Milieubeheer, van wie bekend is dat hij grote vraagtekens zet bij ongebreidelde economische groei. Onlangs legde hij bij minister Zalm van Financiën een claim van bijna achthonderd miljoen gulden op tafel, ter compensatie van de milieueffecten als gevolg van de economische groei. Pronks ministerie van vrom is bovendien bezig alweer de vierde versie van het Nationale Milieubeleidsplan te schrijven. Uitgangspunt is dat het huidige milieubeleid geen oplossing biedt voor een aantal hardnekkige problemen, zoals de opwarming van de aarde door de toename van de co2-uitstoot.

Dit soort signalen kan de pret van de Nieuwe Economie echter nauwelijks drukken. Steeds vaker, onder meer in kringen rond de Wereldbank, is een nog radicalere - bijna homeopathische - variant te horen op het vredig samengaan van groei en milieuverbetering, namelijk dat groei een voorwaarde is voor het verminderen van de milieudruk. De kwaal blijkt het medicijn te zijn. Want alleen door economische groei komen er financiële middelen vrij voor het voeren van een stringenter milieubeleid.
Een wetenschappelijke verklaring voor deze ongerijmdheid is een paar jaar geleden gevonden in de «groene Kuznetscurve» en luidt dat de milieudruk daalt na het bereiken van een inkomen per hoofd van de bevolking van ongeveer tien- tot twintigduizend gulden. In Nederland vindt deze ketterse theorie vooral weerklank bij de vvd en de werkgevers.

Eigenlijk is het te mooi om waar te zijn, en het ís ook niet waar. Het is niet en-en maar of-of: we moeten kiezen tussen óf de economie laten groeien óf het milieu behouden, meent De Bruyn. En die groene Kuznetscurve heeft hij al helemaal niet aangetroffen. De Bruyn: «Het blijkt dat de curve vooral bestaat op basis van een vergelijking tussen landen. Als je Polen en Nederland vergelijkt, blijkt dat Polen armer is en meer milieuvervuiling kent. Daaruit is de conclusie getrokken dat rijkdom leidt tot afname van de milieuvervuiling. Er is geen rekening gehouden met het verschil in politieke systemen. De Kuznetscurve is alleen waar als je ervan uitgaat dat alle landen een overgang maken van een communistisch naar een kapitalistisch systeem naarmate ze rijker worden. Dat is natuurlijk onzin.»
Op sommige terreinen is er heus wel sprake van een ontkoppeling. Maar met de groei van de economie heeft dat niets te maken, zegt De Bruyn. «De milieuvervuiling gaat dalen op het moment dat er een betaalbare technologie voorhanden is die door de groep grootste vervuilers toegepast kan worden en door de overheid verplicht is gesteld. De elektriciteitscentrales waren in de jaren zestig en zeventig de grootste veroorzakers van de uitstoot van zwaveldioxide. Toen de Nederlandse overheid een schone technologie verplicht stelde, daalden de emissies ondanks het feit dat Nederland in de jaren tachtig overschakelde op kolengestookte centrales, die meer vervuilen dan olie- en gasgestookte centrales.»
Burgers en de schone sectoren zullen het gelag van de herkoppeling moeten betalen. De Bruyn: «Juist de energie-intensieve bedrijven zijn door het zogeheten benchmark-convenant volledig vrijgesteld van het betalen van energiebelasting. Daarmee heeft de overheid een belangrijk instrument voor de bestrijding van het broeikasgas CO2 uit handen gegeven.» De Nederlandse economie heeft zich de laatste jaren nog sterker dan voorheen in een energie-intensieve richting ontwikkeld en is twintig procent energie-intensiever dan het Europese gemiddelde. De Bruyn: «Maar we zullen de Kioto-doelstelling toch moeten halen, anders maakt Nederland zich internationaal volstrekt belachelijk. De top van het energie-intensieve bedrijfsleven heeft dit op tijd beseft en is door het convenant gevrijwaard van heffingen of andere maatregelen. Wat mij verbaast is dat de kleinverbruikers en energie-extensieve bedrijven als verzekeringsmaatschappijen en banken zich helemaal niet roeren in dit debat. Ze houden zich stil en denken dat het hun pakkie-an niet is. Er is maar één milieutaart te verdelen en de grote energieverbruikers hebben die taart al voor ons verdeeld: uiteindelijk komt de rekening bij de kleinverbruikers te liggen, zij gaan voor de vervuilende industrie betalen. »
«Wat ik heb uitgezocht is eigenlijk heel simpel en absoluut geen hogere wiskunde. Het leuke is dat ik het wetenschappelijk heb bewezen», zegt De Bruyn. Maar hoe komt het dan dat de ontkoppelingsgedachte binnen een korte tijd zo'n vaste plek in de politiek heeft veroverd dat tegengeluiden nauwelijks doordringen? Volgens de milieueconoom heeft zich in de jaren negentig een verbeten strijd afgespeeld tussen het ministerie van vrom en de vakdepartementen als Economische Zaken, Verkeer en Waterstaat en Landbouw. vrom begon met een lichte voorsprong aan die strijd: het milieubeleid was stevig vastgelegd in het eerste Nationale Milieubeleidsplan (nmp), na het alarmerende rapport Zorgen voor morgen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (rivm). De Bruyn: «vrom was heel blij met het nmp maar op de andere ministeries is het met gemengde gevoelens ontvangen. Al snel kantelde de strijd doordat vrom niet de competentie bleek te hebben veranderingen door te voeren.»
Het zijn de vakdepartementen die daarvoor moeten zorgen. Verkeer en Waterstaat bepaalt de uitstootnormen van Schiphol en het autoverkeer. Landbouw gaat over de mest. Economische Zaken trekt aan de touwtjes van het energiebeleid. «Het economische belang is gaan prevaleren, de vakministeries hebben hun belangen beter verdedigd.» De Nota milieu en economie had de functie om allerlei conflicten tussen vrom en de vakdepartementen te pacificeren. «De problemen zijn onder het tapijt geschoven, anders was er helemaal geen nota gekomen. Ze is een zoethoudertje voor het ministerie van Milieubeheer en de milieubeweging.»
De milieubeweging? De Bruyn: «Door aan te schuiven bij het overleg over de toekomst van Schiphol wek je de illusie dat dit probleem oplosbaar is zonder de tegenstelling tussen milieu en economie aan te pakken.» Fundamentele vraagstukken blijven hierdoor onaangeroerd. «Dat noem ik in navolging van Jay Forrester van de Club van Rome ‘de strategie van de duizend-en-één-kleine dingetjes’ die je kunt doen om milieuprobleempjes op te lossen. Maar dan ga je voorbij aan de fundamentele oorzaken van milieuproblemen: de voortdurende groei van milieuvervuilende activiteiten.»