De mythe van de gemengde wijken

DE GRONINGSE WIJK Vinkhuizen hangt vol affiches: ‘Wij zullen niet wijken voor de rijken’. Een deel van de wijk staat op de nominatie gesloopt te worden. Niet dat het slechte huizen zijn, en leegstand is er ook niet, maar er moeten koopwoningen komen.

Het begon een paar jaar geleden met de Bijlmer. Flats werden afgebroken om plaats te maken voor luxe eengezinswoningen. Het was voor het eigen bestwil van zwart en arm als er meer wit en rijk in de wijk zou komen, heette het. Inmiddels gebeurt het overal in Nederland. Overal worden sociale problemen aangepakt door honderden huurwoningen te slopen en er koopwoningen voor terug te bouwen. Arme wijken gaan letterlijk op de schop. Want, zo klinkt het eensgezind in bestuurderskringen, homogene wijken zijn slecht voor de mensen die er wonen. Zeker nu op andere terreinen - werk, onderwijs, sport - de integratie steeds meer hapert, moet de ‘herstructurering’ van wijken de oplossing bieden. Stop arme en rijke bevolkingsgroepen bij elkaar in een wijk en de sociale problemen zullen verminderen. Fysieke menging als het simpele antwoord op dreigende tweedeling en segregatie.
De argumenten variëren, mede afhankelijk van de politieke kleur van het gemeentebestuur. Soms lijkt het argument op de vroegere 'onmaatschappelijkheidsbestrijding’: alleen als arm, zwart en werkloos andere voorbeelden in de buurt hebben, zullen ze zelf ook een fatsoenlijke levensstijl ontwikkelen. Soms luidt het argument dat de wijkvoorzieningen alleen op peil kunnen worden gehouden door nieuwe, rijkere bewoners. Anderen, vooral vanuit progressieve hoek, slaan aan het breken omdat ze menen dat pluriformiteit per definitie beter is dan homogeniteit en dat iedereen in iedere wijk moet kunnen wonen ('de ongedeelde stad’). Of het gaat er om dat mensen binnen hun eigen buurt een 'wooncarrière’ kunnen maken, en niet door het beperkte woningaanbod gedwongen zijn om uit de buurt te vertrekken.
Als de argumenten zo verschillen terwijl de oplossing gelijk blijft, is het oppassen geblazen. Want gaat het nou om het welbevinden van de bewoners van de achterstandswijken, of om de bestuurlijke onbeheersbaarheid van zo'n wijk? Of om de angst van de rest van de bevolking voor 'concentraties’ van bepaalde bevolkingsgroepen? Of gaan achter de sociale façade heel andere redenen schuil, bijvoorbeeld dat er voor de geprivatiseerde woningcorporaties meer valt te verdienen met koop- dan met huurwoningen?
De angst voor homogeniteit is in ieder geval nogal selectief. Homogeen witte, rijke wijken zijn geen probleem. En ook homogeen arme witte wijken blijken bij nader inzien geen probleem. Sterker nog, de witte arbeiderswijken van weleer worden met terugwerkende kracht geherwaardeerd als paradijzen van sociale cohesie waar iederen zo gezellig bij elkaar op de stoep zat en op de koffie kwam. Het probleem zit ’m dus blijkbaar in arm en zwart. Dat de aandacht vooral uitgaat naar wijken met veel migranten blijft in het overheidsbeleid vaak impliciet, men spreekt liever over 'een grote diversiteit aan leefstijlen’.
Overigens is ook de ene migrantengroep de andere niet. Want terwijl hele straten worden afgebroken om de concentratie van Turken, Marokkanen en Surinamers te doorbreken, liggen in Amsterdam de plannen klaar voor de bouw van een complete Chinese wijk naast het Centraal Station. Menging en pluriformiteit? Het gaat in dit geval om een wijk voor Chinezen die weg willen uit Hongkong nu dat weer bij China hoort, rijke Chinezen dus.
Op het eerste gezicht is het misschien begrijpelijk. Wie is er immers niet tegen getto’s, tegen wijken die zich kenmerken door een opeenstapeling van sociale problemen als werkloosheid, armoede, schooluitval; tegen wijken waar mensen (lees: vooral migranten) in gevangen lijken te zitten? Als je wilt voorkomen dat wijken 'gettoïseren’, ligt het voor de hand om wit, rijk en werkend de wijk in te halen.
Maar Nederland heeft geen getto’s, daar zijn alle wetenschappers het over eens. Het kenmerk van getto’s is dat wie er eenmaal woont, er niet meer weg komt. Dat de cultuur van armoede, werkloosheid en 'onmaatschappelijkheid’ van generatie op generatie wordt overgedragen. Het wonen in een bepaalde buurt is dan de oorzaak van de achterstand geworden. Een dergelijk 'buurteffect’ is in Nederlandse wijken echter nooit aangetoond. Mensen zijn niet werkloos of armlastig omdat ze in een bepaalde buurt wonen, maar wonen in die buurt omdat ze werkloos en armlastig zijn. Verhuizen deze mensen naar een andere, 'betere’ buurt, dan blijven ze even werkloos en even arm (en sommigen even crimineel).
Waarom dan toch die fixatie op het gemengd wonen? Omdat het 'mengen’ op andere terreinen niet lukt. Of misschien moeten we zeggen: omdat de overheid op andere terreinen níet durft in te grijpen.
Scholen verschieten van kleur.
Werkgevers discrimineren zonder scrupules op afkomst en huidskleur.
Sportclubs organiseren zich steeds meer op etnische afkomst.
De overheid ziet het allemaal met lede ogen aan. Soevereiniteit in eigen kring is zeker in het onderwijs heilig verklaard, werkgevers boycotten anti-discriminatiewetten en op sportgebied kan de overheid slechts sturen via wat subsidie hier of daar.
Ook in de volkshuisvesting heeft de overheid weinig te zeggen. Dankzij de consensus tussen woningbouwverenigingen, stadsbesturen en welzijnswerkers wordt hier echter wel opgetreden: er zal gemengd gewoond worden. De politiek beschouwt gemengd wonen langzamerhand als panacee voor welhaast alle sociale problemen. En dus mag het veel kosten. Niet alleen betekent de afbraak van bestaande huurwoningen kapitaalvernietiging, ook moet de overheid er fors geld bij leggen als ze wil dat er koophuizen gebouwd gaan worden in 'onaantrekkelijke’ wijken. Voor de overheid gaat het om enkele miljarden, de investering van woningcorporaties en de rest van de woningbouwwereld loopt in de tientallen miljarden.
ALS JE HELE STRATEN gaat afbreken en buurten uit elkaar rijt, moet je goed weten wat je doet. Want voor welk probleem is gemengd bouwen eigenlijk een oplossing? Zoals gezegd niet voor de achterstandspositie van de mensen uit de arme buurt; zij worden niet minder arm of werkloos als ze rijkere buurtgenoten krijgen. Hoopt de gemeente via die rijkere buurtbewoners betere voorzieningen aan te trekken? Dan is het efficiënter om het geld rechtstreeks te stoppen in betere voorzieningen. Is het probleem dat een bepaalde - en blijkbaar ongewenste - cultuur in een wijk dominant dreigt te worden? Dat kan, maar zeg dat dan hardop. Dan gaat het dus niet zozeer om een gebrek aan sociale cohesie maar om te veel cohesie binnen een dominante groep. Het is erg simpel om te denken dat afbraak van huurwoningen en bouw van koophuizen de oplossing biedt. Misschien is het dan toch effectiever én socialer om die vijftien criminele Marokkaanse jongens persoonlijk te begeleiden.
Of gaat het om het ideaal van pluriformiteit? Dat is mooi, maar dan zijn er andere buurten en zelfs hele gemeenten die prioriteit hebben - en dan hoeven we niet alleen aan Wassenaar of Loenen aan de Vecht te denken. Vaak is de impliciete verwachting dat door het gemengd wonen ook het samenleven zal worden bevorderd. Ook dat is een schoon streven, maar vooralsnog blijkt dat juist die rijkere witte nieuwkomers hun heil vaak niet in de buurt zoeken. Als tweeverdieners zijn ze veel van huis en hun kinderen gaan buiten de wijk naar een witte school.
De gemeenten die nu zo fanatiek aan het 'mengen’ zijn, laden de verdenking op zich dat ze de problemen vooral willen verdunnen. 'Het statistisch wegcijferen van problemen’, noemt sociologe Talja Blokland dit in haar boek Wat buurtbewoners bindt: Sociale relaties in een achterstandswijk. Bestuurlijk kan een politiek van verdunning en spreiding soelaas bieden, maar het helpt de betreffende mensen niet. In dat licht is het opmerkelijk dat met name PvdA- en GroenLinks-politici aan het mengen slaan. Ook zij zien er steeds minder been in om mensen op grond van het feit dat ze zich een koophuis kunnen veroorloven, tot betere buurtbewoners te bombarderen.
Het met mate bouwen van koopwoningen in buurten met een eenzijdig goedkoop woningbestand kán adequaat zijn. Bijvoorbeeld om buurtbewoners te laten doorstromen of om gezinnen binnen de buurt te houden; dankzij de contacten die via de kinderen ontstaan zijn gezinnen vaak bindende elementen in een buurt. Maar dat is wat anders dan het aantrekken van rijke bewoners van buiten de wijk om de arme buurtbewoners te redden. Wat meer respect voor de zittende bewoners zou geen kwaad kunnen.
NIEMAND ZAL BESTRIJDEN dat een bepaalde mate van gemengd wonen leuk, leerzaam en duurzaam is. Al was het maar om mensen de mogelijkheid te geven om de eigen groep(en) te relativeren en zonodig te verlaten. De vraag is alleen op welke schaal je naar menging moet streven. Tot in het portiek, tot in de straat, of is het genoeg als je elkaar binnen de wijk af en toe tegenkomt? Steeds meer gemeenten hanteren bij het verdelen van huurwoningen het zogenaamde 'Delftse systeem’: woningzoekenden moeten zelf laten weten of ze belangstelling hebben voor een bepaalde vrijkomende woning. En wat blijkt? Turken schrijven bovengemiddeld vaak in voor 'Turkse’ straten en portieken, witte arbeidersgezinnen voor witte arbeidersstraten, enzovoort. De Turkse straat hoeft vervolgens niet in een Turkse wijk te liggen, als de naaste buren maar Turks zijn. Blijkbaar zoekt soort tot op zekere schaal soort. Is dat erg? Als blijkt dat mensen hun naaste omgeving liefst met 'soortgenoten’ delen, moet een overheid of woningcorporatie daar toch een stokje voor steken?
Ook in de sport organiseren mensen zich nadrukkelijk op basis van etniciteit, nationaliteit, geloof, et cetera. Het aantal allochtone sportclubs is groeiende. En opnieuw de vraag: tot op welk niveau is dat erg? Een aparte Marokkaanse korfbalcompetitie is wat overdreven, maar voor wie is het een probleem als Marokkaanse korfballers het liefst in een eigen team spelen?
De sporters zéggen dat het anders moet. Uit onderzoek in onder meer Rotterdam blijkt dat iedereen in theorie vindt dat sporten gemengd moet plaatsvinden. Dat beweren ook de autochtone Nederlanders die de club verlaten op het moment dat er 'te veel’ migranten instromen. En dat zeggen migranten die zelf in een migrantenclub spelen. De politiek zint nog op een list, want ook in de sport geldt het adagium dat mengen moet.
DE STADSSOCIOLOGEN Gerard Anderiesen en Arnold Reijndorp ontdekten dat bewoners een wijk het prettigst vinden als het gaat om een 'wijk van minderheden’, oftewel een wijk waar geen enkele subcultuur dominant is, waar iedereen 'in de minderheid’ is. De meeste spanningen komen voor in wijken die in een overgangsfase zitten van één dominante cultuur naar een wijk van minderheden. Het is daarom goed om een wijk zo in te richten dat ze voor meer dan één groep aantrekkelijk is, maar dat kan ook met een goedkoop woningbestand. Studenten, bijstandsmoeders, beginnende tweeverdieners en buitenlandse gezinnen komen allemaal af op goedkope huizen en wonen vaak tevreden samen. Mits er fors wordt geïnvesteerd in voorzieningen en in de publieke ruimte.
Dat is ook de aanpak die de gemeente Utrecht koos in de wijk Lombok. Geen sloop en nieuwbouw, maar geld en energie stoppen in het verbeteren van voorzieningen, het stimuleren van buurtnetwerken, het verfraaien van de openbare ruimte. Overigens waren het wel de sloopplannen van de gemeente die de buurtbewoners in elkaars armen dreven. De actie tegen de sloopplannen vormde de basis van de hechte en florerende buurt die Lombok nu is. Het multiculturele karakter van de wijk werd juist versterkt en uitgebouwd.
Dat niet veel meer gemeenten voor deze aanpak kiezen heeft onmiskenbaar te maken met een ouderwetse liefde van met name sociaal-democraten om oplossingen voor sociale problemen te zoeken in grove fysieke maatregelen. Dan lijkt er ten minste zichtbaar iets aan een wijk te gebeuren, en juist bij ingewikkelde, slepende kwesties hebben politici de behoefte aan daadkracht. Wanneer er aan de sociale problematiek echter weinig wordt gedaan, kunnen we er vergif op innemen dat er na tien à vijftien jaar weer moet worden gesloopt en geherstructureerd. Uit talloze onderzoeken is bekend dat met een eenzijdige fysieke aanpak sociale problemen niet worden opgelost.
Een paar maanden geleden werd heel opiniemakend Nederland opgeschrikt door een reportage in een landelijk dagblad. In Amsterdam-Oost bleken 'etnische’ scholen te bestaan, scholen waar voor negentig procent Turken op zitten, of juist voor negentig procent Marokkanen. De verontwaardiging en de roep om ingrijpen was groot, veel groter dan die over 'zwarte’ scholen (scholen waar alle kinderen op zitten behalve wit-Nederlandse kinderen).
Blijkbaar zijn etnische scholen veel erger. Natuurlijk is politiek en bestuurlijk Nederland ook over zwarte scholen bezorgd, maar men lijkt erin te berusten. Aan die etnische scholen moest echter gauw iets gedaan worden. Dit was immers racisme; hier kozen Turken bewust voor Turken, en Marokkanen bewust voor Marokkanen.
We gaan hier niet beweren dat een Turkse school een belangrijke verworvenheid is, waar alle ruimte voor moet zijn. Waar het om gaat is de selectiviteit van de verontwaardiging. Want hoe ontstaan zwarte scholen? Niet door gesegregeerde wijken, dat is een misverstand. De wijken in Nederland zijn relatief gemengd, er zijn vrijwel geen wijken waar meer dan vijftig procent 'zwart’ is. Zwarte scholen ontstaan vooral doordat witte ouders hun kinderen van de gemengde school afhalen en - vaak buiten de eigen wijk - naar een witte school brengen. Hoe groot is het verschil tussen de Turkse ouder die zijn kind naar een 'Turkse’ school doet en de witte ouder die zijn kind naar een witte school doet? Natuurlijk zeggen de witte ouders dat het hun om de kwaliteit van het onderwijs gaat en echt niet om racisme. Maar directeuren van zwarte scholen maken zich weinig illusies over de werkelijke motieven om witte kinderen van zwarte scholen af te halen. Zelfs zwarte scholen die goed scoren trekken namelijk geen witte kinderen.
Verwijzend naar de vrijheid van onderwijs wordt de 'witte vlucht’ geen strobreed in de weg gelegd - en daarmee worden zwarte en witte scholen in feite als onvermijdelijk beschouwd. Maar waarom dan wel meteen willen ingrijpen bij die etnische scholen? Blijkbaar is het veel erger als zwarte migranten bewust voor hun eigen groep kiezen dan als zwarten 'overblijven’ als gevolg van het wegtrekken van witten.
Een voorzichtige uitzondering is de gemeente Zaanstad, waar men wél probeert de schoolkeuze van ouders te beïnvloeden. Voorzichtig, want het gaat vooralsnog slechts om voorlichting. Iedere ouder is, voor hij of zij een kind inschrijft voor een basisschool, verplicht om eerst uitgebreid over de schoolkeuze te komen praten met een semi-ambtenaar. Zo kunnen eventuele vooroordelen worden weggenomen. Het experiment is pas een jaar bezig, maar lijkt al vruchten af te werpen. Zwarte scholen worden iets minder zwart, witte iets minder wit. Mocht het toch te weinig helpen, dan overweegt Zaanstad een vorm van schoolwijkgrenzen in te stellen: kinderen gaan in principe naar school in de wijk waar ze wonen.
Een paar weken geleden stonden de kranten vol over het Niels Stensen-college in Utrecht, dat dusdanig 'zwart’ is dat de rector het liever wilde sluiten. Hij stelde voor om de kinderen over verschillende - wittere - scholen te spreiden. Het zal er uiteindelijk waarschijnlijk niet van komen, maar ingrijpen was blijkbaar bespreekbaar. Let wel: het waren de zwarte kinderen die naar een andere school moesten. Het Niels Stensen-college is niet zwart geworden doordat de wijk zwart is, de school is zwart doordat de witte ouders uit de buurt hun kinderen naar andere scholen stuurden. Die ouders werd niets in de weg gelegd, en nu de consequenties daarvan zichtbaar worden, moeten de zwarte kinderen verkassen. Het gaat hier niet om de vraag of dit een goede oplossing is - in de gegeven situatie is het misschien de minst slechte oplossing. Maar het had niet zo ver hoeven komen als de overheid eerder had durven ingrijpen - en niet bij de slachtoffers, maar bij de daders. Ingrijpen tegen de witte vlucht.
WIE ZICH ZORGEN maakt over tweedeling en segregatie, wie meent dat er tussen allochtonen en autochtonen sprake is van 'vermijdingsgedrag’, zoals hoogleraar os de Beus dat onlangs noemde, zou het vizier minder op het wonen moeten richten en meer op andere sectoren. Het bij elkaar wonen van groepen migranten is niet het eigenlijke probleem. Het 'vermijdingsgedrag’ komt vooral tot uiting in de schoolkeuze. De voortvarendheid die gemeentebesturen aan de dag leggen op huisvestingsgebied staat in schril contrast met de apathie als het gaat om witte en zwarte scholen. Dit is niet louter te verklaren uit de eerder gememoreerde liefde van gemeentebesturen voor betonnen oplossingen. Zeker zo belangrijk is dat men in sommige levens blijkbaar makkelijker durft in te grijpen dan in andere. Het is meer geaccepteerd om mensen te dwingen hun huis en straat te verlaten ten bate van koopwoningen, dan om witte ouders te dwingen in de eigen buurt een school te zoeken.