Immigratie en polarisatie

De mythe van de linkse kerk

Het gangbare idee dat links verantwoordelijk is voor het multiculturele drama is een misvatting. Vooral werkgevers en confessionele politici werkten met hun voorkeur voor gezinshereniging eind vorige eeuw de immigratiegolf in de hand.

OVER IMMIGRATIE en polarisatie is de afgelopen jaren in kranten, tijdschriften en op internetfora heel wat afgeschreven en gedebatteerd. Politici van uiteenlopende politieke snit, maar ook commentatoren als Afshin Ellian en Paul Scheffer, leken er maar geen genoeg van te kunnen krijgen. De laatsten doorgaans met de boodschap dat Nederland met de immigratie van grote aantallen arbeidsmigranten uit moslimlanden als Marokko en Turkije een soort Trojaans paard binnen zijn landsgrenzen heeft gehaald. De genoemde opiniemakers, en in hun kielzog vele anderen, stellen hiervoor vooral kosmopolitisch links verantwoordelijk. Zij zouden immigratie bewust hebben toegejuicht onder het mom van culturele verrijking en de broodnodige diversiteit. Ze realiseerden zich echter niet dat de waarden en normen van die moslims en hun kinderen een ernstige bedreiging vormen voor de sinds de culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig bevochten open samenleving, waarin voor het eerst sinds eeuwen vrouwen en homoseksuelen de vruchten van hun emancipatie plukken.
Met name de invloedrijke publicist Paul Scheffer betoogt al sinds het einde van de jaren negentig, het meest uitvoerig in Het land van aankomst uit 2007, dat de linkse elite blind is voor de gevaren die uitgaan van de aanwezigheid van grote aantallen moslims in West-Europa. Zelfs na de aanslagen in New York en Madrid en de moord op Theo van Gogh zouden hun de schellen nog niet van de ogen zijn gevallen. Vooral de weigering van die elite om deze nieuwkomers klip en klaar te confronteren met de democratische waarden van de Nederlandse samenleving is volgens Scheffer en anderen bijzonder laakbaar. In plaats van de confrontatie te zoeken, zouden velen laf dan wel volstrekt naïef kiezen voor ontwijking. En het is juist die houding die het probleem van de botsende culturen alleen maar verergert. Want, zo stelt Scheffer in zijn boek, hoe moeten die moslims dan ooit weten wat er van hen wordt verwacht en aan welke dominante normen ze moeten voldoen om als volwaardig geïntegreerd burger door het leven te kunnen gaan?
Nu heeft Scheffer zeker een punt wanneer hij stelt dat de schaduwzijden van de grootschalige immigratie van Turken en Marokkanen in de jaren tachtig en negentig lange tijd niet of slechts halfslachtig zijn onderkend en benoemd. Vooral zijn roemruchte artikel uit 2000 in NRC Handelsblad, ‘Het multiculturele drama’, heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het debat over de voor- en vooral nadelen van die immigratie. Scheffers samenzweerderige interpretatie van deze ontwikkeling schiet echter ernstig te kort. Anders dan hij en anderen ons willen doen geloven was de massale vestiging van gastarbeiders en hun gezinnen niet zozeer een gevolg van naïef, linksig kosmopolitisch multiculturalisme, een mythe die inmiddels diepgeworteld is, maar een uitkomst van een veel ingewikkelder en grotendeels onbedoeld proces.

LATEN WE EERST EENS kort recapituleren wat zich feitelijk heeft voorgedaan en wat de overeenkomsten en verschillen met eerdere grootschalige migraties zijn. Waar de oorspronkelijk grotendeels mannelijke gastarbeidsmigratie plaatsvond ten tijde van een hoogconjunctuur tot aan de wervingsstop in 1973, kwam de grootschalige vestiging als gevolg van de gezinshereniging en later gezinsvorming pas vanaf het einde van de jaren zeventig op gang. In tegenstelling tot eerdere voorbeelden van de vestiging van arbeidsmigranten in het verleden, en dat zijn er vele, viel de gezinshereniging samen met een langdurige economische recessie. Bovendien werd een groot deel van de eerste generatie (de gastarbeiders zelf) vanaf het einde van de jaren zeventig massaal en langdurig werkloos, als gevolg van de herstructurering van de verouderde onderdelen van de Nederlandse industrie (textiel, mijnen, metaal). De maatschappelijke positie van arbeiders in die sectoren werd er niet beter op toen werkgevers en werknemers omstreeks 1980 gezamenlijk besloten deze groep, zowel Nederlanders als immigranten, min of meer collectief als arbeidsongeschikt aan te merken en daarmee definitief buiten de arbeidsmarkt te plaatsen.
Daarmee deed zich een tamelijk unieke situatie voor, namelijk een waarin immigratie vanaf eind jaren zeventig niet meer primair door de aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt werd gestuurd. Want in plaats van terug te gaan naar hun land van herkomst ten tijde van de economische recessie besloten de gastarbeiders te blijven en hun gezinsleden naar Nederland te laten komen, waardoor de immigratie van Turken en Marokkanen tussen 1971 en 1990 verachtvoudigde.
De belangrijkste verklaring voor die ontwikkeling was geen bewust links opendeurbeleid, maar een mix van onbedoelde gevolgen van restrictief vreemdelingenbeleid en opgebouwde sociale rechten in de verzorgingsstaat. Toen ten tijde van de oliecrisis in 1973 de grens voor nieuwe arbeidsmigranten werd gesloten, beseften veel Turken en Marokkanen - die toen doorgaans nog werk hadden - dat zij de deur gesloten zouden vinden als ze naar hun geboorteland terug zouden gaan. Dit was bijvoorbeeld bij de Italianen niet aan de orde, omdat die al sinds 1968 vrij binnen de EEG mochten migreren. Het restrictieve vreemdelingenbeleid voor Turken en Marokkanen werkte averechts uit en zorgde er niet zozeer voor dat er geen laaggeschoolde arbeidsmigranten meer kwamen, maar dat degenen die er al waren niet meer weggingen. Een mechanisme dat we ook kunnen waarnemen in de Verenigde Staten als het gaat om illegale Mexicanen die met veel moeite de horde van de streng bewaakte zuidgrens hebben weten te nemen.
Een ander onbedoeld en onverwacht effect ging uit van de verzorgingsstaat. Vakbonden hadden al in de jaren vijftig bedongen dat als het bedrijfsleven zo nodig arbeiders in het buitenland wilde rekruteren, deze geen valse concurrentie mochten vormen voor de autochtonen en zij daarom voor dezelfde lonen dienden te werken. Niemand realiseerde zich echter dat zij daarmee ook toegang kregen tot het kleurenblinde stelsel van premies en sociale rechten dat in die jaren werd opgetuigd. Toen er in 1973 een einde kwam aan de dertig jaar van vrijwel onafgebroken economische groei ('les trente glorieuses’) realiseerden veel gastarbeiders zich dat zij de door henzelf jarenlang opgebouwde rechten in die verzorgingsstaat niet zomaar wilden opgeven.
Tot slot, zo laat historica Saskia Bonjour in haar proefschrift Grens en gezin (2009) zien, werd de basis voor de rechten op gezinshereniging al in het begin van de jaren zestig gelegd door confessionele politici die in de Tweede Kamer met succes betoogden dat de eenheid van het gezin niet door rigide vreemdelingenbeleid verstoord mocht worden en echtgenoten (en kinderen) van gastarbeiders dus niet zomaar de toegang tot Nederland geweigerd mocht worden. In plaats van te denken in termen van een Trojaans paard kunnen we dus beter spreken van een kooi waarin deze migranten in zekere zin terecht waren gekomen. Een kooi die aanvankelijk zo groot was dat men de tralies pas in de loop van de jaren zeventig en tachtig begon te ontwaren.
Een laatste zetje dat de deur voor vestiging en volgmigratie definitief openzette werd gegeven door activistische juristen en uiteenlopende steuncomités die gehoor vonden bij rechters die op grond van internationale verdragen en jurisprudentie vaak in het voordeel van de gastarbeiders besloten. Die beslissingen waren overigens weinig controversieel en konden op een brede maatschappelijke en politieke instemming rekenen.

IN DE GEPOLARISEERDE discussie over immigratie en de multiculturele samenleving sinds Pim Fortuyn is dus ten onrechte de idee gewekt, ja als waarheid omhelsd, dat 'de linkse kerk’ de hoofdverantwoordelijke is voor de negatieve gevolgen (werkloosheid, criminaliteit, onderklassenvorming en moslimradicalisme) van de ongelukkig getimede immigratie van laaggeschoolden na de oliecrisis. Maar al te gemakkelijk wordt vergeten dat die immigratie voor een belangrijk deel het gevolg was van liberale en confessionele politici, en lobbygroepen. Links stond - zeker aanvankelijk - veel huiveriger tegenover het aantrekken laat staan definitief laten vestigen van gastarbeiders. Werkgevers verzetten zich echter met succes tegen het rotatieprincipe (na twee jaar plaatsmaken voor een nieuwe gastarbeider om zo worteling te voorkomen), terwijl confessionele politici al vroeg de rechten op gezinshereniging verzekerden. Kortom eerder de 'rechtse’ dan de 'linkse’ kerk.
Inmiddels is de aloude economische relatie tussen migratie en de arbeidsmarkt overigens weer grotendeels hersteld, zoals het voorbeeld van de Polen, Roemenen en Bulgaren laat zien. Sinds een aantal jaren hebben zij vrij toegang tot andere EU-landen en bestaat er geen 'straf’ voor weggaan, net als bij de Italiaanse gastarbeiders vanaf 1968. Bovendien is het sociale-verzekeringssysteem grotendeels afgeschermd. Gevolg is dat deze migranten primair op arbeidsmarktprikkels reageren en net zo snel komen als weer vertrekken, al naar gelang de stand van de arbeidsmarkt. Zo is er momenteel in Ierland vrijwel geen Pool meer te vinden, terwijl er meer dan honderdduizend werkten toen de Keltische tijger nog brulde.
Dat de immigratie van Turken en Marokkanen - in de eerste plaats voor henzelf - lang niet altijd goed heeft uitgepakt en tot sociale spanningen met autochtonen heeft geleid, daarin hebben Scheffer en anderen volstrekt gelijk. En in recente publicaties, zoals in Afri van Jutta Chorus, wordt duidelijk tot welke schrijnende sociale problemen dat vestigingsproces heeft geleid. Gezien de bewuste selectie van vooral laaggeschoolden (een uitdrukkelijke wens van het bedrijfsleven) en de daarop volgende uitermate beroerde timing van de volgmigratie, immers ten tijde van een langdurige recessie, waren dit soort problemen onafwendbaar.
Hoewel de slogan 'integratie met behoud van de eigen identiteit’ anders deed vermoeden, legde het in 1983 onder verantwoordelijkheid van Hans Wiegel als minister van Binnenlandse Zaken gelanceerde Minderhedenbeleid vooral de nadruk op structurele maatregelen (werk, onderwijs). Een beleidslijn die met het kritische rapport van de WRR eind jaren tachtig nog werd versterkt. De combinatie van laaggeschoolde migranten, WAO-misbruik (vooral door de sociale partners) en de lang aanhoudende recessie bleek echter een formidabele tegenstander en pas vanaf de jaren negentig zien we dat langzaam maar zeker een deel van de nakomelingen zich via onderwijs en ondernemerschap maatschappelijk weet op te werken.
Een ander deel heeft het daar veel moeilijker mee en dat is gezien de uitgangspositie van de ouders, die hun kinderen vaak nauwelijks kunnen helpen om hogerop te komen, een laag inkomen hebben, een slecht rolmodel vormen en in slechte wijken zijn geïsoleerd, ook niet zo vreemd. Het zijn deze sociale problemen waar de aandacht van polariserend Nederland zich op zou moeten richten in plaats van op hoofddoekjes en de islam. Uiteraard moeten bewoners van Nederland die de democratische rechtsorde bedreigen zonder aanzien des persoons worden aangepakt, uiteraard moet er op scholen openlijk over homoseksualiteit gepraat kunnen worden, uiteraard moeten radicaliserende types (of het nu moslims, dierenrechtenactivisten of neonazi’s zijn) goed in de gaten worden gehouden. Maar de voorstelling van een culturele clash tussen zij (de achterlijke moslims) en wij (de redelijke, verlichte en democratische autochtonen) ontkent de veel belangrijker onderliggende sociaal-economische problemen, waar zeker niet alleen 'allochtonen’ mee kampen.

Leo Lucassen is hoogleraar sociale geschiedenis aan de Universiteit Leiden